Strafrecht overig

Hof veroordeelt de verdachte voor bedreiging en belaging. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf…

Zaakgegevens

Op 11 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
11 augustus 2026
Datum publicatie
11 augustus 2026
Zaaknummer
23-002921-25
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2219
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Hof veroordeelt de verdachte voor bedreiging en belaging. Oplegging van een voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 maanden, een taakstraf van 80 uur, en een contactverbod (art. 38v Sr) met bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid (art. 77za Sr). Toewijzing vorderingen benadeelde partijen. Smartengeld. Artikel 6:106 onder b BW, aantasting in de persoon op andere wijze. BP 1: Geestelijk letsel. BP 2: Toepassing categorie ‘aard en ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor de benadeelde’. Predispositie laat volledige toerekening van de immateriële schade aan de verdachte onverlet. Toepassing Rotterdamse Schaal bij de begroting van de immateriële schade.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002921-25

datum uitspraak: 11 augustus 2026

TEGENSPRAAK

Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 1 december 2025 in de strafzaak onder parketnummer 15-140083-25 tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 1959,

adres: [adres] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 28 juli 2026.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en de raadsvrouw en de advocaat van de benadeelde partijen naar voren hebben gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 7 mei 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, althans in Nederland, [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [benadeelde partij 1] , via een collega van die [benadeelde partij 1] en/of politiemedewerkers, dreigend de woorden toe te voegen: "Ik maak haar af", en/of "Ik wilde haar van haar fiets trappen en haar vermoorden" en/of "Nu maak ik haar helemaal dood. Als zij voor mijn scooter komt dan maak ik haar dood", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking;

2.
hij in of omstreeks de periode van 1 december 2023 tot en met 7 mei 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , door:

- meermaals, althans eenmaal, mail(s) te sturen naar de werkgever van [benadeelde partij 2] en daarin onder andere te vermelden dat die [benadeelde partij 2] een pedofiel is, en/of

- meermaals, althans eenmaal, een of meerdere (belastende) affiches/posters/stuks papier met tekst en een foto van die [benadeelde partij 1] op te hangen en/of door de brievenbus te doen bij de werklocatie van die [benadeelde partij 1] en/of

- meermaals, althans eenmaal, zich naar de werklocatie van die [benadeelde partij 1] te begeven en/of zich aldaar op te houden en/of aldaar overlast te veroorzaken en/of

- meermaals, althans eenmaal, een geldbedrag over te maken naar de bankrekening van [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] met daarin opgenomen berichten gericht aan die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] en/of

- meermaals, althans eenmaal, (beledigende) berichten te plaatsen over die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2] in een Facebookgroep voor [bedrijf] medewerkers en/of

- meermaals, althans eenmaal, contact te zoeken met die [benadeelde partij 1] via social media en/of berichten te sturen via whatsapp en/of

- meermaals, althans eenmaal, een envelop af te geven op de werklocatie van die [benadeelde partij 1] gericht aan die [benadeelde partij 1] en/of

- meermaals, althans eenmaal, telefonisch contact te zoeken met die [benadeelde partij 1] en/of die [benadeelde partij 2]

met het oogmerk die [benadeelde partij 1] en/of [benadeelde partij 2] , te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, onder meer omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewijsoverweging

Ten aanzien van feit 1

Het hof is van oordeel dat feit 1 wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard gelet op de bewijsmiddelen en de bekennende verklaring van de verdachte.

Ten aanzien van feit 2

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit, mede gelet op de bekennende verklaring van de verdachte.

De raadsvrouw heeft verzocht de pleegperiode aanzienlijk te beperken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat pas vanaf het eerste stopgesprek, volgens haar op 29 januari 2024, duidelijk kan worden gezegd dat de verdachte had moeten weten dat zijn pogingen om in contact te komen met de aangevers niet meer gewenst waren door de aangever(s). Daarnaast kan in de periode van 19 februari 2024 tot aan 7 mei 2025 wat de verdediging betreft niet worden gesproken van stalking wegens het ontbreken van het stelselmatige karakter, zodat de pleegperiode uiterlijk zou moeten duren tot en met 18 februari 2024.

Het hof overweegt als volgt.

?Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van belaging als bedoeld in artikel 285b lid 1 Sr zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.

Het hof stelt op grond van de inhoud en het dossier en wat ter zitting is besproken de volgende feiten en omstandigheden vast.

De verdachte, zijnde de stief- en schoonvader van de aangevers die elkaars partners waren en met elkaar samenwoonden, heeft in de tenlastegelegde periode de aangevers op verschillende momenten, op diverse manieren en met verschillende communicatiemiddelen lastiggevallen. Dit is, nadat zij begin december 2023 de woning van de verdachte hebben verlaten, begonnen met het lastigvallen van de aangevers via social media. Ook belde hij de aangevers via verschillende telefoonnummers.

Op 29 februari 2024 heeft een eerste stopgesprek plaatsgevonden. De verbalisanten die aan de verdachte probeerden uit te leggen dat hij geen contact meer met de aangevers mocht opnemen omdat zij dat niet wilden, hebben verklaard dat de verdachte hier niet voor openstond.

Op 2 en op 30 april 2024 ontvingen de aangevers op hun gezamenlijke rekening via de ING-bank berichten. De verdachte maakte dan één cent over met daarbij een lap tekst.

Naar aanleiding van een terugbelverzoek van [benadeelde partij 1] van 4 april 2024 waarin zij onder meer verklaart dat de verdachte haar niet met rust laat, is een van de verbalisanten een tweede keer op gesprek gegaan bij de verdachte. Ook bij dit tweede stopgesprek heeft de verdachte verklaard dat hij door bleef gaan en niet zou stoppen.

In juni 2024 is de verdachte [benadeelde partij 1] komen opzoeken op haar werk. In juli 2024 heeft hij vervolgens toegang geregeld tot een besloten [bedrijf] medewerkers Facebook groep en hier verschillende berichten geplaatst over de aangevers. In augustus 2024 heeft de verdachte brieven gestuurd naar het werk van [benadeelde partij 1] en ook wederom naar het (inmiddels) oude werk van [benadeelde partij 2] . Rond de herfst van 2024 heeft de verdachte allerlei beledigende affiches opgehangen bij het werk van [benadeelde partij 1] . Dit ging door tot begin 2025. Het verhaal op deze affiches was van dezelfde aard als in voornoemde andere berichten van verdachte aan [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] .

Op 7 mei 2025 heeft de verdachte [benadeelde partij 1] achtervolgd onderweg naar haar werk. Daar aangekomen, heeft hij haar vervolgens, voor de deur van haar werk en in bijzijn van haar collega’s, bedreigd met de dood.

Het hof is allereerst van oordeel dat 29 februari 2024, de datum van het eerste stopgesprek, als beginpunt van de hierna bewezenverklaarde periode dient te gelden. Het moet in elk geval vanaf dat moment voor de verdachte onmiskenbaar duidelijk zijn geweest dat de aangevers geen contact met hem wilden.

Het hof is verder van oordeel dat vanaf 29 februari 2024 de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte zoals hierboven uiteengezet alsmede de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden, naar objectieve maatstaven bezien zodanig zijn geweest dat van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van de beide aangevers sprake is geweest tot en met 7 mei 2025. De verdachte heeft deze inbreuk opzettelijk gemaakt met het oogmerk de aangevers te dwingen iets te doen, te dulden en hen vrees aan te jagen. Immers volhardde de verdachte in het maken van inbreuken op de persoonlijke levenssfeer van de aangevers terwijl hem duidelijk was gemaakt dat zij dit niet wilden en hier last van hadden. De handelwijze van verdachte werd gekenmerkt door zich feitelijk rechtstreeks tot [benadeelde partij 2] en/of tot [benadeelde partij 1] dan wel tot derden te richten. Daarbij was zijn opzet gedurende de gehele pleegperiode er telkens op gericht om beide aangevers te treffen. Hij deed dit alles immers om beide aangevers ertoe te bewegen contact met hem te onderhouden en te dulden.

Het hof acht aldus wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich in de periode van 29 februari 2024 tot en met 7 mei 2025 schuldig heeft gemaakt aan belaging van de beide aangevers.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.
hij op 7 mei 2025 te Heerhugowaard, [benadeelde partij 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die [benadeelde partij 1] , via een collega van die [benadeelde partij 1] en politiemedewerkers, dreigend de woorden toe te voegen: "Ik maak haar af", en "Ik wilde haar van haar fiets trappen en haar vermoorden" en "Nu maak ik haar helemaal dood. Als zij voor mijn scooter komt dan maak ik haar dood";

2.
hij in de periode van 29 februari 2024 tot en met 7 mei 2025 te Heerhugowaard, gemeente Dijk en Waard, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , door:

- meermaals meerdere (belastende) affiches met tekst en een foto van die [benadeelde partij 1] op te hangen en

- meermaals zich naar de werklocatie van die [benadeelde partij 1] te begeven en zich aldaar op te houden en aldaar overlast te veroorzaken en

- meermaals een geldbedrag over te maken naar de bankrekening van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] met daarin opgenomen berichten gericht aan die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] en

- meermaals beledigende berichten te plaatsen over die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] in een Facebookgroep voor [bedrijf] medewerkers en

- meermaals contact te zoeken met die [benadeelde partij 1] via social media en berichten te sturen via whatsapp en

- meermaals een envelop af te geven op de werklocatie van die [benadeelde partij 1] gericht aan die [benadeelde partij 1] en

- meermaals telefonisch contact te zoeken met die [benadeelde partij 1] en die [benadeelde partij 2] ,

met het oogmerk die [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.

Hetgeen onder 1 en 2 meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat, zoals deze na het eventueel instellen van beroep in cassatie zullen worden opgenomen in de op te maken aanvulling op dit arrest.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:

bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:

belaging.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straffen en maatregel

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg onder 1 en 2 bewezenverklaarde veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 3 jaren met daaraan verbonden als bijzondere voorwaarden een meldplicht, ambulante behandeling en meewerken aan middelencontrole. Ook heeft de politierechter een taakstraf voor de duur van 100 uren, subsidiair 50 dagen hechtenis, opgelegd. Daarnaast heeft de politierechter een vrijheidsbeperkende maatregel in de vorm van een contact- en een locatieverbod als bedoeld in artikel 38v Sr (hierna: 38v-maatregel) opgelegd, en daarvan de dadelijke uitvoerbaarheid bevolen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de verdachte zal worden veroordeeld tot dezelfde straffen en maatregel als door de rechter in eerste aanleg opgelegd.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straffen en maatregel bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich gedurende een lange periode stelselmatig en indringend schuldig gemaakt aan het lastigvallen van zijn stiefzoon en schoondochter. Uit het dossier blijkt dat de aangevers sinds februari 2024 herhaaldelijk melding bij de politie hebben gedaan van het gedrag van de verdachte en ook dat er stopgesprekken met de verdachte zijn gevoerd. Desondanks is de verdachte doorgegaan met lastigvallen. De verdachte heeft gedurende een periode van ruim een jaar via meerdere communicatiemiddelen en op diverse momenten de aangevers lastiggevallen, door bijvoorbeeld affiches in het openbaar op te hangen over de aangevers en ook bij het werk van een van de aangevers langs te gaan. Zijn handelen heeft ertoe geleid dat de aangevers zich zeer onveilig hebben gevoeld en nog altijd in een constante staat van alertheid en spanning leven. Het hof rekent dit de verdachte aan.

Ten slotte heeft de verdachte zijn schoondochter bedreigd met de dood. Hiermee heeft hij bij haar opnieuw gevoelens van angst en onveiligheid eweeggebracht.

Het hof acht in beginsel de door de politierechter opgelegde straf passend en geboden. Nu het hof tot een bewezenverklaring van een kortere pleegperiode komt, zal het hof de duur van de taakstraf verminderen en een taakstraf voor de duur van 80 uren opleggen.

Daarnaast ziet het hof aanleiding om aan verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor dezelfde duur en met dezelfde proeftijd als de rechtbank heeft gedaan. De reclassering heeft aangegeven dat zij niet verwacht dat een voortzetting van de huidige of andere bijzondere voorwaarden tot gedragsverandering zal leiden. Zij hebben daarom geadviseerd een voorwaardelijke straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Het hof neemt dit advies van de reclassering over en zal dan ook, anders dan de rechtbank, geen bijzondere voorwaarden verbinden aan de voorwaardelijke gevangenisstraf.

Het hof acht, alles afwegende, een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden.

Oplegging van een contactverbod

Het hof ziet daarnaast aanleiding om een vrijheidsbeperkende maatregel, zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht, in de vorm van een contactverbod met de beide aangevers op te leggen voor de duur van vijf jaren. Het hof acht dit noodzakelijk ter voorkoming van het opnieuw begaan van strafbare feiten door de verdachte. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de slachtoffers nog steeds zeer angstig zijn voor de verdachte wat in de gegeven situatie ook invoelbaar is. Dat de verdachte ter zitting in hoger beroep heeft aangegeven dat hij aangevers niet nog verder lastig zal vallen omdat hij daarvoor de energie niet meer heeft, doet daar in de gegeven situatie niet aan af.

Het hof ziet geen aanleiding om een locatieverbod op te leggen voor het werkgebied van [benadeelde partij 1] nu zij daar niet meer werkzaam is.

Dadelijke uitvoerbaarheid

Het hof zal de dadelijke uitvoerbaarheid van de vrijheidsbeperkende maatregel bevelen, zoals bedoeld in artikel 77za van het Wetboek van Strafrecht, omdat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan bedreiging van [benadeelde partij 1] met de dood, zijnde een feit dat gericht is tegen of gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van [benadeelde partij 1] . Gelet op de aard van de bewezenverklaarde gedragingen van de verdachte en de houding van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, waarbij hij geen zelfinzicht heeft getoond en ervan blijk heeft gegeven nog steeds in de vergeldingsstand jegens de slachtoffers te zitten, is het hof van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte opnieuw een strafbaar feit zal plegen dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van (een van) de slachtoffers.

Nu deze dadelijk uitvoerbaar verklaarde maatregel (opnieuw) in hoger beroep wordt opgelegd voor hetzelfde feitencomplex, en wederom voor de maximale duur van vijf jaar, zal het hof bevelen dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 3.500,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 1.500,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering in zijn geheel toe te wijzen.

De raadsvrouw heeft verzocht de vordering primair niet-ontvankelijk te verklaren nu lastig is vast te stellen welk deel van de schade is veroorzaakt door een eerdere trauma en welk deel door de stalking of bedreiging is veroorzaakt. Subsidiair heeft de verdediging verzocht het bedrag te matigen tot een bedrag van maximaal € 1.000,00, gelet op wat er in vergelijkbare zaken wordt toegekend.

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Redengevend is het volgende.

Aanspraak

Artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek (BW) geeft een limitatieve opsomming van de gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten - onder meer - onder b: aantasting in de persoon ‘op andere wijze’. Van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo’n geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in artikel 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.

De benadeelde partij beroept zich blijkens het bij de rechtbank ingediende schadeformulier van 11 oktober 2025 (primair) op het oplopen van geestelijk letsel als gevolg van het bewezenverklaarde. De (gemachtigde van) benadeelde heeft een toelichting gegeven op de ernst en aard van haar psychische klachten na de belaging, de verergering daarvan naarmate de belaging voortduurde waarbij bovendien personen uit haar kennissenkring en werkomgeving werden benaderd door de verdachte, de gevolgen daarvan voor haar persoonlijk en werkzaam leven, de professionele hulp bij de GGZ die zij eind 2024 heeft gezocht, de forse psychische terugval die zij vervolgens doormaakte na de directe bedreiging van haar door verdachte in mei 2025, en de start van een intensieve EMDR-therapie in september 2025.

Uit een overgelegde brief van GGZ NHN van 27 augustus 2025 volgt dat de benadeelde partij in november 2024 een intake heeft gehad waarbij de diagnose ‘matige depressie’ is vastgesteld, en dat de klachten deels reactief lijken te zijn op stalking door (stief)schoonvader (het hof begrijpt hier en verder: de verdachte). In deze brief staat ook dat de benadeelde partij in september 2025 gaat starten met EMDR traumabehandeling vanwege een belaste traumatische voorgeschiedenis die geluxeerd is na recente stalking en bedreiging van (stief) schoonvader.

Het hof is gezien deze - door de verdediging als zodanig niet weersproken – (medische) informatie van oordeel dat de benadeelde objectief vastgesteld geestelijk letsel heeft opgelopen dat in causaal verband staat met het bewezenverklaarde onder 1 en 2. Daarbij kan de dientengevolge door haar geleden immateriële schade naar redelijkheid volledig worden toegerekend aan de verdachte. Dat bij de benadeelde partij reeds sprake was van een bijzondere geestelijke kwetsbaarheid (ook wel predispositie genoemd), laat dit onverlet. Redengevend daarvoor is het vastgestelde activerende verband tussen het bewezenverklaarde en haar belaste traumatische voorgeschiedenis. De belaging en de bedreiging hebben haar reeds bestaande psychische kwetsbaarheid immers aanzienlijk versterkt. Er zijn geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die tot een ander oordeel dan wel nader onderzoek moeten leiden. Het beroep van de verdediging op niet-ontvankelijkheid wordt daarom afgewezen.

Begroting

De begroting van immateriële schade geschiedt naar billijkheid met inachtneming van alle omstandigheden van het geval, waaronder de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het aan de aansprakelijke te maken verwijt, alsmede, in geval van letselschade, de aard van het letsel, de ernst van het letsel (waaronder de duur en de intensiteit), de verwachting ten aanzien van het herstel en de leeftijd van het slachtoffer. Voorts dient de rechter bij de begroting, indien mogelijk, te letten op de bedragen die door Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen zijn toegekend.

Het hof sluit voor de vaststelling van de omvang van de immateriële schade aan bij de Rotterdamse Schaal (RS) paragraaf 17 ‘Belaging (art. 285b Sr)’, categorie b) ‘ernstig’, bandbreedte € 2.000 - € 5.000, en paragraaf 19.5 ‘bedreiging (art 285 Sr)’, bandbreedte tot € 1.500. Daarbij betrekt het hof de aard en ernst van het bewezenverklaarde zoals volgt uit de voorgaande bewijs- en strafmaatoverwegingen, de medische diagnose, de aard en ernst van de gevolgen voor de benadeelde en het noodzakelijke behandeltraject dat zij heeft moeten volgen. Alles afwegend en in onderlinge samenhang bezien, acht het hof in de gegeven omstandigheden het gevorderde bedrag aan immateriële schade van in totaal € 3.500,00 billijk. Dit bedrag zal dan ook geheel worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente hierover is eveneens toewijsbaar.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 2.000,00 aan immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 750,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering.

De advocaat-generaal heeft verzocht de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk te verklaren wegens onvoldoende onderbouwing.

De raadsvrouw heeft primair verzocht de vordering niet-ontvankelijk te verklaren en subsidiair verzocht het bedrag te matigen gelet op wat er in vergelijkbare zaken wordt opgelegd.

Het hof is van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting voldoende is gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen. Redengevend is het volgende.

Aanspraak

Het hof verwijst voor het toetsingskader naar wat hiervoor bij de andere benadeelde partij is opgemerkt onder het kopje ‘Aanspraak’, eerste alinea.

De benadeelde partij heeft blijkens het bij de rechtbank ingediende schadeformulier aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ ten grondslag gelegd aan de vordering. Het hof stelt vast dat van objectief vastgesteld geestelijk letsel in dit geval geen sprake is. Voor zover de benadeelde stelt dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde een persoonsaantasting meebrengen, overweegt het hof als volgt.

De aard en ernst van de normschending volgt uit het hiervoor overwogene ten aanzien van de bewezenverklaarde belaging en de strafmaat. De uit het schadeformulier blijkende - door de verdediging niet weersproken - psychische gevolgen die het bewezenverklaarde op de benadeelde heeft gehad zijn als volgt. De benadeelde leeft sinds de belaging in een staat van verhoogde waakzaamheid en hij voelt zich onveilig, zelfs in zijn eigen omgeving. In de eerste maanden van de belaging nam de spanning toe, wat zich uitte in slapeloosheid, piekergedachten en een voortdurend gevoel van onrust. In 2024 merkte hij dat hij sneller emotioneel reageerde, prikkelbaar was en zijn emoties minder goed kon beheersen. Gedurende de periode van belaging bouwde de spanning zich verder op. De voortdurende dreiging, de onvoorspelbaarheid van het gedrag van de verdachte en de herhaalde confrontaties leidden tot chronische stress. De klachten bleken niet van tijdelijke aard, maar verdiepten zich en bleven voortduren, ook op momenten dat er geen direct contact met de verdachte was. Dit heeft geleid tot sociale isolatie: benadeelde heeft minder contact met vrienden, zegt afspraken vaker af en brengt meer tijd binnenshuis door. Situaties waarin hij weinig controle ervaart, leiden tot overprikkeling. Hij neemt regelmatig vakantiedagen op om te herstellen of zijn partner te ondersteunen, waardoor zijn werk-privébalans onder druk staat. Ook nadat de belaging door verdachte is gestopt blijven de gevolgen aanwezig. Benadeelde ervaart gevoelens van machteloosheid en frustratie over het niet kunnen beschermen van zijn partner en het feit dat de situatie ondanks meldingen en aangiftes lang aanhield. De voortdurende gedachte dat verdachte opnieuw contact zou kunnen zoeken, zorgt nog steeds voor spanning en angst. In oktober 2025, rond de zitting in eerste aanleg, waren de psychische klachten nog steeds aanwezig.

Het hof stelt vast dat de door de benadeelde opgevoerde fysieke gevolgen zijn betwist door de verdediging bij gebreke van een medische onderbouwing.

Het hof is op grond van de vastgestelde aard en ernst van de normschending, in samenhang beschouwd met de aard en ernst van de gestelde en niet betwiste psychische gevolgen daarvan voor deze benadeelde, van oordeel dat als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde sprake is van een ‘persoonsaantasting op andere wijze’ die verder reikt dan een enkele schending van een fundamenteel recht en die een aanspraak op smartengeld volgens artikel 6:106, onder b, BW rechtvaardigt.

Begroting

Het hof verwijst voor het toetsingskader naar wat hiervoor bij de andere benadeelde partij is opgemerkt onder het kopje ‘Begroting’, eerste alinea.

Het hof sluit voor de vaststelling van de omvang van de immateriële schade aan bij de Rotterdamse Schaal (RS), paragraaf 17 ‘Belaging (art. 285b Sr)’, categorie b) ‘ernstig’, bandbreedte € 2.000 - € 5.000. Alles afwegend, acht het hof in de gegeven omstandigheden het gevorderde bedrag aan immateriële schade van € 2.000,00 billijk. Dit bedrag zal dan ook geheel worden toegewezen. De gevorderde wettelijke rente hierover is eveneens toewijsbaar.

Het hof zal de schadevergoedingsmaatregel opleggen op de hierna te noemen wijze om te bevorderen dat de schade door de verdachte wordt vergoed.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straffen en maatregel zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 38v, 38w, 57, 285 en 285b van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 40 (veertig) dagen hechtenis.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde taakstraf in mindering zal worden gebracht, volgens de maatstaf van twee uren taakstraf per in voorarrest doorgebrachte dag, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 5 (vijf) jaren op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met:

- [benadeelde partij 1] , geboren op [geboortedag 2] 1988 te [geboorteplaats 2] (België);

- [benadeelde partij 2] , geboren op [geboortedag 3] 1977 te [geboorteplaats 3] .

Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 5 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een gezamenlijk maximum van 6 maanden.

Toepassing van de vervangende hechtenis heft de verplichtingen ingevolge de opgelegde maatregel niet op.

Beveelt dat de opgelegde maatregel dadelijk uitvoerbaar is.

Beveelt dat de tijd die de verdachte al onderworpen is geweest aan de door de rechtbank opgelegde en dadelijk uitvoerbaar verklaarde vrijheidsbeperkende maatregel bij de uitvoering van de opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel in mindering zal worden gebracht.

Beveelt daarnaast dat de vervangende hechtenis die eventueel al is tenuitvoergelegd, eveneens bij een eventuele tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis in mindering wordt gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 1] , ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 3.500,00 (drieduizend vijfhonderd euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 35 (vijfendertig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 mei 2025.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde tot het bedrag van € 2.000,00 (tweeduizend euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Veroordeelt de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde partij 2] , ter zake van het onder 2 bewezenverklaarde een bedrag te betalen van € 2.000,00 (tweeduizend euro) als vergoeding voor immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Bepaalt de duur van de gijzeling op ten hoogste 20 (twintig) dagen. Toepassing van die gijzeling heft de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet op.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 7 mei 2025.

Heft op het – geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. R.A.E. van Noort, mr. P.J. van Eekeren en mr. A.C. Bijlsma, in tegenwoordigheid van mr. I. Peetoom, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 11 augustus 2026.

mr. A.C. Bijlsma is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.