Strafrecht overig

Verdachte is bij verstek veroordeeld voor openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel ten gevolge…

Zaakgegevens

Op 18 augustus 2026 heeft het Gerechtshof Amsterdam in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.

Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Zittingsplaats
Amsterdam
Datum uitspraak
18 augustus 2026
Datum publicatie
18 augustus 2026
Zaaknummer
23-002361-23
Procedure
Hoger beroep
ECLI
ECLI:NL:GHAMS:2026:2284
E-mailBekijk op rechtspraak.nl

Samenvatting

Verdachte is bij verstek veroordeeld voor openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel ten gevolge. Rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn wordt de verdachte een taakstraf voor de duur van 135 uren opgelegd.

Uitspraak

Inhoudsopgave

afdeling strafrecht

parketnummer: 23-002361-23

datum uitspraak: 18 augustus 2026

VERSTEK (niet-gemachtigd raadsvrouw)

Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 22 maart 2022 in de strafzaak onder parketnummer
15-324834-21 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1999,

adres: [adres 1] .

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
4 augustus 2026.

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:

hij, op of omstreeks 18 oktober 2021 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, openlijk, te weten op/aan de [adres 2] , in elk geval op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] door te:

  • slaan (met gebalde vuist) tegen het hoofd en/of;

  • schoppen en/of slaan tegen het lichaam;

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel (te weten een of meerdere kneuzing(en) en/of blauwe plekken en/of bulten in het gezicht en/of de schouders en/of de scheenbeen, althans het lichaam) voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het hof deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in de verdediging geschaad.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waartegen beroep is ingesteld zal worden vernietigd, omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 18 oktober 2021 te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer, openlijk, te weten op/aan de [adres 2] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer] door te:

  • slaan met gebalde vuist tegen het hoofd en

  • schoppen en slaan tegen het lichaam;

terwijl dit door hem gepleegde geweld enig lichamelijk letsel voor voornoemde [slachtoffer] ten gevolge heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Het bewezenverklaarde is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat.

Bewijsmiddelen

  1. Een proces-verbaal aangifte van 18 oktober 2021, in de wettelijk vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 1-6.
    Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [slachtoffer] :
    Op 18 oktober 2021 omstreeks 17.45 uur ben ik eten gaan halen bij snackbar [naam] gelegen aan de [adres 2] in Zwanenburg. Buiten de snackbar stonden twee jongens. Eén van de twee jongens herkende ik als [verdachte] . [verdachte] riep naar mij of ik even terug wilde komen. Ik liep naar [verdachte] en de andere jongen toe. Ik liep vervolgens door richting mijn auto. [verdachte] en de andere jongen kwamen mij achterna en gingen dreigend voor mij staan. Er ontstond tussen mij en [verdachte] een discussie. Omstreeks 18.01 uur ben ik geslagen door [verdachte] . [verdachte] sloeg mij heel hard met gebalde vuist op mijn voorhoofd. Dit deed behoorlijk pijn. Er zit nu ook een behoorlijke bult op mijn voorhoofd en ik heb momenteel hoofdpijn. Ik werd vervolgens meerdere malen geslagen en geschopt door [verdachte] en die jongen die met hem was. Ik werd op mijn schenen geschopt en er werd op mijn rug geslagen. Ik heb momenteel behoorlijke pijn aan mijn schouders en rug. Mijn linker scheenbeen voelt pijnlijk.

  2. Een geschrift, te weten een geneeskundige verklaring van 19 oktober 2021, opgemaakt door huisarts [persoon 1] , doorgenummerde pagina 7.
    Dit geschrift houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
    Medische informatie betreffende [slachtoffer] . Uitwendig waargenomen letsel: bulten op schedel, bult links in de nek, bulten schouders, haematoom linker arm en linker scheenbeen.

3. Een proces-verbaal van verhoor getuige van 18 oktober 2021, in de wettelijk vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 8-9.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van [persoon 2] :
Op 18 oktober 2021 omstreeks 18.00 uur was ik in de snackbar gelegen aan de [adres 2] in Zwanenburg. Althans we stonden op de parkeerplaats voor de voordeur van deze snackbar. Ik zag een drietal jongens met elkaar praten op dezelfde parkeerplaats, enkele meters verderop. Ze hadden ruzie. Plots zag ik dat ze begonnen te vechten. We hadden ons omgedraaid. We zagen dat er een lange jongen, samen met een kleinere jongen op de derde jongen begonnen te slaan en te schoppen. Ik denk dat die derde jongen ongeveer 30 keer werd geschopt en geslagen. Ik zag dat beide jongens even heftig en even vaak de derde jongen mishandelden.

4. Een proces-verbaal van verhoor verdachte van 17 november 2021, in de wettelijk vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaar, doorgenummerde pagina’s 28-34.
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als de tegenover de verbalisant afgelegde verklaring van de verdachte:
Op 18 oktober 2021 in de avond kwam ik [slachtoffer] (het hof begrijpt: aangever) tegen bij restaurant [naam] in Zwanenburg. Ik was samen met een vriend. Ik heb [slachtoffer] meteen aangesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Geen omstandigheid is aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluit, zodat dit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert op:

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel ten gevolge heeft.

Strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is strafbaar, omdat geen omstandigheid aannemelijk is geworden die de strafbaarheid ten aanzien van het bewezenverklaarde uitsluit.

Oplegging van straf

De politierechter heeft de verdachte voor het in eerste aanleg bewezenverklaarde veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van 150 uren, te vervangen door 75 dagen hechtenis.

De advocaat-generaal heeft, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn, gevorderd dat de verdachte voor het tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van
135 uren, te vervangen door 67 dagen hechtenis.

Het hof heeft in hoger beroep de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en gelet op de persoon van de verdachte. Het hof heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.

De verdachte heeft zich – samen met een onbekend gebleven medeverdachte – schuldig gemaakt aan het openlijk in vereniging geweld plegen tegen het slachtoffer, met het kennelijke doel om een zakelijk conflict te beslechten. Daarbij is het slachtoffer met gebalde vuist in zijn gezicht geslagen en meermalen geslagen en geschopt tegen verschillende lichaamsdelen. Als gevolg hiervan heeft het slachtoffer lichamelijk letsel opgelopen.

Met zijn handelen heeft de verdachte een forse inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van het slachtoffer. Algemeen bekend is dat slachtoffers van dergelijke feiten nog lange tijd last kunnen hebben van gevoelens van angst en onveiligheid. Daarnaast veroorzaakt in het openbaar gepleegd geweld ook gevoelens van onrust bij omstanders en de samenleving in het algemeen.

Gelet op het voorgaande doet enkel een taakstraf van aanzienlijke duur recht aan de ernst van het feit. Het hof neemt de door de politierechter opgelegde straf dan ook als uitgangspunt.

Het hof heeft gelet op omstandigheid dat in het hoger beroep de redelijke termijn voor berechting als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is overschreden. De verdachte heeft namelijk op 17 augustus 2023 hoger beroep ingesteld en het hof doet op 18 augustus 2026 uitspraak. Gelet hierop is de redelijke termijn van 24 maanden met ruim 12 maanden overschreden. In die omstandigheid ziet het hof aanleiding om de duur van de op te leggen taakstraf met 10% te verminderen.

Het hof acht, alles afwegende, de door de advocaat-generaal gevorderde taakstraf passend en geboden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 9, 22c, 22d, 63 en 141 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van 135 (honderdvijfendertig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door 67 (zevenenzestig) dagen hechtenis.

Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. L.F. Roseval, mr. D.A.C. Koster en mr. B.A.A. Postma, in tegenwoordigheid van
mr. C.H. Sillen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
18 augustus 2026.

=========================================================================

[…]