Strafrecht overig
Onderzoek Mierleeuw. Ontneming t.a.v. Opiumwetfeiten. Het hof komt tot een lagere vaststelling aan…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 22 december 2025
ECLI:NL:GHARL:2025:8506 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 22 december 2025
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2025-8506
Zaakgegevens
Op 22 december 2025 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Datum uitspraak
- 22 december 2025
- Datum publicatie
- 22 december 2025
- Zaaknummer
- 21-000024-21
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2025:8506
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Onderzoek Mierleeuw. Ontneming t.a.v. Opiumwetfeiten. Het hof komt tot een lagere vaststelling aan wederrechtelijk verkregen voordeel dan de rechtbank. Redelijke termijn.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000024-21
Uitspraakdatum: 22 december 2025
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Leeuwarden,
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Noord-Nederland van 22 december 2020 met parketnummer 18-930112-17 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen
[verdachte] ,
geboren op [geboortedag] 1970 in [geboorteplaats] ,
wonende te [woonplaats] , [adres] ,
op dit moment vanwege een andere strafzaak verblijvende in [verblijfsplaats] .
Het hoger beroep
De betrokkene heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken wat op de terechtzittingen van het hof van 11 november 2025 en 22 december 2025 bij het hof en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, primair strekkende tot bevestiging van de beslissing van de rechtbank, subsidiair tot het schatten van het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 35.020,- en het vaststellen van de betalingsverplichting op een bedrag van € 32.020,-. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd.
Verder heeft het hof kennisgenomen van wat betrokkene en zijn raadsman, mr. A.H.J. Bals, ter zitting in hoger beroep hebben aangevoerd.
De beslissing waarvan beroep
De meervoudige kamer in de rechtbank Noord-Nederland heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op een bedrag van € 395.013,70 en de betalingsverplichting op hetzelfde bedrag vastgesteld. De rechtbank heeft bepaald dat de duur van de gijzeling die kan worden gevorderd ten hoogste drie jaar is.
Het hof komt tot vaststelling van een ander bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel dan hiervoor genoemd en zal de beslissing van de rechtbank daarom vernietigen en opnieuw recht doen.
De beoordeling in hoger beroep
Vordering
Standpunt openbaar ministerie
Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 694.623,70. Daarnaast heeft het openbaar ministerie gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie primair gevorderd dat de beslissing van de rechtbank wordt bevestigd en subsidiair dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 35.020,- en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van € 32.020,-, gelet op de overschrijding van de redelijke termijn.
Standpunt verdediging
De verdediging heeft aangevoerd dat betrokkene in het hoger beroep van zijn strafzaak een bekennende verklaring heeft afgelegd. Uit die verklaring volgt dat hij geen eigenaar is van de in beslag genomen verdovende middelen. Het enkele aantreffen van de verdovende middelen bij betrokkene is onvoldoende om te kunnen vaststellen dat de eigendom ervan bij betrokkene berustte en hij daarvan de aanschafprijs betaald heeft. Betrokkene was als ‘tussenschakel’ slechts verantwoordelijk voor het transport van de middelen. Betrokkene heeft ook aangevoerd dat het bij hem aangetroffen geldbedrag niet van hem was maar aan zijn ouders toebehoorde en dat voor de BMW X5 hetzelfde geldt. Dit vindt ook steun in het dossier. De verdediging kan zich vinden in de subsidiaire vordering van de advocaat-generaal, te weten een betalingsverplichting van € 32.020,-, waarbij rekening is gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn.
Beoordeling hof
Bewijsmiddelen
Indien in de hierna te melden bewijsmiddelen wordt verwezen naar een proces-verbaal, dan wordt daarmee verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, genummerd 2016264196, rechercheonderzoek NN3R01676-Mierleeuw, gesloten en getekend op 18 december 2017 door verbalisant [verbalisant] .
1. De verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 11 november 2025, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U vraagt me of ik [bijnaam] ben. Ja, dat beken ik volmondig. Zo word ik genoemd (…) De post-its stonden voor wat klanten op transport mee wilden geven. U vraagt me of het een soort agenda was. Dat klopt. (…). U vraagt me of ook anderen een sleutel van mijn kantoor hadden. Nee.
2. De inhoud van het arrest van de meervoudige kamer van dit hof van 22 december 2025, inhoudende een bevestiging van het vonnis van de rechtbank waarin een bewezenverklaring, een bewijsmotivering en redengevende wettelijke bewijsmiddelen zijn vermeld die ten grondslag liggen aan de voordeelsberekening.
3. Het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel kasopstelling (als bijlage op pagina 1870 van het proces-verbaal).
4. Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen in beslag genomen goederen [plaats] (als bijlage op pagina 1306 van het proces-verbaal).
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Op grond van de hierboven opgesomde wettige bewijsmiddelen schat het hof het voordeel op een bedrag van € 45.020,-. Daarbij is het volgende van belang.
Grond voor vaststelling wederrechtelijk verkregen voordeel
Betrokkene is (in de hoofdzaak) bij arrest van dit hof van 22 december 2025, in de zaak met parketnummer 21-004949-20, veroordeeld voor het aanwezig hebben van grote hoeveelheden harddrugs en softdrugs (handelen in strijd met artikel 2 onder C en 3 onder C van de Opiumwet). Betrokkene beschikte over hennep, amfetamine en MDMA. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat het onvoldoende aannemelijk is geworden dat betrokkene eigenaar was van de aangetroffen drugs en dat hij het zelf was die de drugs heeft ingekocht. Het hof gaat uit van de verklaring van betrokkene op de zitting van het hof dat hij slechts verantwoordelijk was voor de opslag van de middelen om deze vervolgens klaar te maken voor transport, waarvoor betrokkene betaald kreeg.
Uit het strafdossier en bij de behandeling van de vordering ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken dat betrokkene uit het bewezenverklaarde handelen, te weten het plegen van - samengevat - Opiumwetdelicten, financieel voordeel heeft genoten. Gelet hierop is om te beginnen sprake van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr.
Het hof is daarnaast van oordeel dat op basis van het dossier voldoende aannemelijk is dat betrokkene ook ‘op enigerlei wijze wederrechtelijk voordeel heeft genoten’ uit andere door hem gepleegde misdrijven’.
Nu betrokkene is veroordeeld voor een misdrijf dat naar de wettelijke omschrijving wordt bedreigd met een geldboete van de vijfde categorie, is aan beide voorwaarden voor het vaststellen van wederrechtelijk voordeel met als grondslag artikel 36e, derde lid, Sr voldaan.
Het hof stelt vast dat daarmee sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede en derde lid, Sr.
Er zijn, zoals hierboven weergegeven, voldoende aanwijzingen in het dossier voorhanden dat betrokkene meerdere soortgelijke strafbare feiten heeft begaan door middel van of uit de baten waarvan hij voordeel heeft verkregen.
Betrokkene heeft ter terechtzitting van het hof verklaard telkens € 50,- per kilo door hem gesealde drugs te hebben ontvangen. Over de bij hem gevonden post-its verklaarde hij dat daarop staat welke transporten zijn klanten wilden. Dit betreffen (ook) transporten waarvan de drugs niet bij betrokkene zijn aangetroffen. Naast de bij hem aangetroffen drugs, waarvoor hij is veroordeeld door dit hof, zijn er dus meerdere transporten geweest waarvoor hij betaald is.
Methode van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof kan niet vaststellen hoeveel kilo betrokkene voorafgaande aan de bewezenverklaarde periode heeft opgeslagen en voor transport klaar heeft gemaakt. Op basis van de verklaring van betrokkene, de aangetroffen post-its in zijn kantoor, waarop de namen van verschillende drugs en geldbedragen stonden geschreven en waarover betrokkene heeft verklaard dat het zijn administratie van de drugstransporten betrof, en het aantreffen van een grote hoeveelheid contant geld en een geldtelmachine is het aannemelijk dat het om grote bedragen ging. Omdat het aan het hof niet is gebleken dat betrokkene de eigenaar van de bij hem aangetroffen verdovende middelen is geweest, hij deze middelen nog niet op transport had gedaan en onduidelijk is of hij daarvoor al betaald heeft gekregen, en deze middelen evenmin een goed beeld geven van de daadwerkelijke omvang van de middelen die in het kader van de drugstransporten door de handen van betrokkene zijn gegaan, zal het hof van die vermoedelijk veel grotere omvang abstraheren en middels een eenvoudige kasopstelling het wederrechtelijk verkregen voordeel vaststellen. Het hof zal daartoe de contante gelden en uitgaven van verdachte afzetten tegen de beschikbare legale gelden van verdachte.
Berekening van het voordeel
Het hof zal het volgende als uitgangspunt nemen bij de berekening:
Beginsaldo
Uit de belastingaangifte van betrokkene blijkt dat hij op de peildatum van 31 december 2016 een bedrag van € 33.960,- aan ‘overige vorderingen en contant geld’ had. Voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt uitgegaan van dit bedrag als beginsaldo. Dit uitgangspunt is ter terechtzitting van het hof niet betwist.
Eindsaldo
Tijdens de doorzoeking werd onder betrokkene in totaal € 68.980,- aan contant geld in beslag genomen. Een bedrag van € 67.220,- werd op het kantoor van betrokkene aangetroffen, waar betrokkene naar eigen zeggen als enige een sleutel van had. Dit bedrag werd aangetroffen in doosjes in een tas. Daarnaast werd een bedrag van € 400,- in een insteekhoesje op het kantoor aangetroffen en een bedrag van € 1.360,- in de jaszak van betrokkene. Het hof acht het niet aannemelijk dat dit bedrag toebehoort aan de ouders van betrokkene dan wel aan zijn bedrijf, mede gelet op het feit dat er in de tas waarin het geld werd aangetroffen ook een deel van de post-its werd aangetroffen. Vier post-its lagen op het geld en waren met de hand beschreven. Op de post-its stonden onder meer bedragen en de namen van drugs. Betrokkene heeft verklaard de administratie van de drugstransporten door middel van dit soort post-its bij te hebben gehouden.
Onder betrokkene is tevens een BMW X5 met kenteken [kenteken] in beslag genomen. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat deze BMW X5 wel degelijk aan betrokkene in eigendom toebehoort. Het hof neemt in dit kader allereerst in aanmerking dat tijdens de observatie van betrokkene is gezien dat hij zelf in de auto reed. Daar komt bij dat het security logboek van betrokkene erin lag, de correspondentie van de verzekering van de auto is gevoerd met het e-mailadres van het bedrijf van betrokkene en hij de boetes (9 stuks) die gereden zijn met een van de auto’s die erop werden ingeruild ook allemaal zelf heeft betaald. Bovendien heeft medeverdachte [medeverdachte] het er in een afgeluisterd telefoongesprek twee dagen na aankoop van de BMW over dat ‘ [bijnaam] ’ een BMW heeft gekocht. Betrokkene heeft verklaard dat hij ‘ [bijnaam] ’ is. Dat een van de ouders van betrokkene de tenaamgestelde van de auto was, maakt het voorgaande niet anders, nu de tenaamstelling van een auto niet hetzelfde is als het eigenaarschap ervan en uit bovengenoemde omstandigheden naar het oordeel van het hof genoegzaam blijkt dat de auto aan betrokkene toebehoort.
Uit de factuur van de auto blijkt dat de BMW is aangeschaft met de inruilwaarde van twee auto’s en met een bedrag van € 10.000,- aan contanten. Het hof zal dat bedrag aan contant geld in de kasopstelling meenemen.
Op basis van het voorgaande komt het hof tot een eindsaldo van € 78.980, bestaande uit het onder betrokkene aangetroffen contante geld en het contante bedrag van € 10.000,- dat voor aanschaf van de BMW is gebruikt.
Dit alles leidt tot de volgende berekening:
Eindsaldo € 78.980,- minus
Beginsaldo: € 33.960,-
Verschil: € 45.020,-
Het hof concludeert dat verdachte een wederrechtelijk verkregen voordeel van € 45.020,- heeft genoten.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Ter terechtzitting is door de advocaat-generaal en de verdediging aangevoerd dat er wegens schending van de redelijke termijn een bedrag van € 3.000,- op het wederrechtelijk verkregen voordeel in mindering gebracht moet worden.
Het hof overweegt als volgt.
De redelijke termijn als bedoeld in artikel 17 van de Grondwet en artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens is in onderhavige zaak in eerste aanleg en in hoger beroep inderdaad overschreden. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Het hof stelt vast dat de redelijke termijn in eerste aanleg op 26 april 2017 is aangevangen. De rechtbank heeft op 9 december 2020 vonnis gewezen. De redelijke termijn is hiermee in eerste aanleg overschreden met een jaar en bijna acht maanden. Verdachte heeft vervolgens op 15 december 2020 hoger beroep ingesteld. Tussen het moment van het instellen van hoger beroep en de uitspraak in hoger beroep op 22 december 2025 zijn ruim 5 jaren verstreken. Dit leidt tot een overschrijding van de redelijke termijn van ruim 3 jaar in hoger beroep.
In ontnemingszaken volstaat volgens de Hoge Raad in bepaalde gevallen de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op artikel 6 lid 1 EVRM, bijvoorbeeld als in de (nagenoeg) gelijktijdig behandelde strafzaak reeds strafvermindering wordt toegepast op grond van overschrijding van de redelijke termijn (HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492). Dat geval doet zich hier voor. Het hof heeft betrokkene als verdachte in de gelijktijdig behandelde strafzaak ruimschoots gecompenseerd voor deze overschrijding in de hoogte van de hem opgelegde gevangenisstraf. Het hof zal gelet daarop de verplichting van het door betrokkene te betalen bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet matigen en stelt deze vast op € 45.020,-.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e, lid 2 en 3 van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast, zoals het gold op het moment van de procedure.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 45.020,00 (vijfenveertigduizend twintig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 45.020,00 (vijfenveertigduizend twintig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 900 dagen.
Dit arrest is gewezen door mr. J.A.M. Kwakman, mr. J. Dolfing en mr. P.S. Bakker, in aanwezigheid van de griffier mr. D. de Jong en is uitgesproken op de openbare zitting van het hof van 22 december 2025.