Strafrecht overig
Het hof schat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op ruim € 300.000. Betrokkene is…
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 29 juli 2026
ECLI:NL:GHARL:2026:4917 · Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden · 29 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-gharl-2026-4917
Zaakgegevens
Op 29 juli 2026 heeft het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof Arnhem-LeeuwardenGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Arnhem
- Datum uitspraak
- 29 juli 2026
- Datum publicatie
- 28 juli 2026
- Zaaknummer
- 21-000420-19
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHARL:2026:4917
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Het hof schat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel op ruim € 300.000. Betrokkene is veroordeeld in verband met deelname aan een criminele organisatie die het oogmerk had op het plegen van hennepgerelateerde misdrijven, zoals het opzetten van diverse hennepkwekerijen. Gezien de leidinggevende rol van verdachte binnen die organisatie schat het hof dat, na aftrek van 5% personeelskosten, 95% van het voordeel uit een paar kwekerijen aan hem toekwam. Het hof stelt de verplichting tot betaling aan de Staat vast op een lager bedrag, na aftrek van een verbeurdverklaard bedrag en 10% matiging in verband met de aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.
Uitspraak
Afdeling strafrecht
Parketnummer: 21-000420-19
Uitspraakdatum: 29 juli 2026
TEGENSPRAAK
ONTNEMINGSZAAK
Beslissing van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 21 januari 2019 met parketnummer 05-882010-15 op de ontnemingsvordering, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1971 in [geboorteplaats] ( [land van herkomst] ),
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland.
Onderzoek van de zaak
Het hof heeft bij de beslissing betrokken hetgeen besproken is op de zittingen van het hof van 1 november 2022 en 1 juli 2026 en op de zitting bij de rechtbank. Ook heeft het hof kennisgenomen van de schriftelijke conclusie van mr. M.J. Crombach d.d. 30 november 2022 en het schriftelijke standpunt van het openbaar ministerie d.d. 20 januari 2023.
Het hof heeft verder kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overhandigd. Verder heeft het hof kennisgenomen van wat namens betrokkene door zijn raadsman, mr. A.D. Kloosterman, is aangevoerd.
Beslissing waarvan beroep
De rechtbank heeft het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 670.058,86. De rechtbank heeft de verplichting tot betaling aan de Staat vastgesteld op datzelfde bedrag en niets bepaald over de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering kan worden gevorderd.
Het hof komt tot een andere beslissing over de hoogte van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel en de daarmee samenhangende verplichting tot betaling aan de Staat dan de rechtbank. Het hof vernietigt daarom de beslissing en doet opnieuw recht.
Ontnemingsvordering
Het openbaar ministerie heeft schriftelijk gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 694.149,90. Het openbaar ministerie heeft ter zitting bij de rechtbank gevorderd dat het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op € 674.149,90. Daarnaast is gevorderd dat aan betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
In hoger beroep heeft het openbaar ministerie gevorderd dat het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat op € 345.629,32 en dat betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van datzelfde bedrag.
Grondslag van de ontneming
Betrokkene is bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 juli 2017 onder parketnummer 05-882010-15 veroordeeld (voor zover van belang) voor: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en vijfde lid van de Opiumwet, begaan in de periode van 28 juni 2011 tot en met 28 juni 2016 (feit 1 primair) terwijl verdachte binnen die organisatie een leidinggevende rol vervulde.
In de in het veroordelende vonnis gehanteerde bewijsoverwegingen zijn specifieke hennepkwekerijen genoemd. Deze kwekerijen kunnen worden toegerekend aan de criminele organisatie van betrokkene. Ten aanzien van deze kwekerijen neemt het hof voorgaand onherroepelijke strafvonnis als grondslag voor de ontnemingsvordering. Opbrengsten uit deze kwekerijen zullen, indien en voorzover aanwezig, aan betrokkene, als de leidende en leidinggevende figuur van die organisatie, worden toegerekend. De opbrengsten kunnen worden aangemerkt als voordeel in de zin van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
Het tweede lid van artikel 36e Sr biedt daarnaast een grondslag voor het ontnemen van voordeel dat is verkregen uit andere strafbare feiten waarvoor geldt dat er voldoende aanwijzingen zijn dat zij door de betrokkene zijn begaan.
Tot 1 juli 2011 luidde de tekst van het tweede lid van artikel 36e Sr:
De verplichting kan worden opgelegd aan de in het eerste lid bedoelde persoon die voordeel heeft verkregen door middel van of uit de baten van het daar bedoelde strafbare feit of soortgelijke feiten of feiten waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door hem zijn begaan.
Ten aanzien van de niet in het vonnis genoemde hennepkwekerijen zal het hof bezien of deze kunnen worden toegerekend aan genoemde criminele organisatie gedurende de bewezenverklaarde periode dan wel (buiten de bewezenverklaarde periode) of er voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene voor die kwekerijen strafrechtelijk verantwoordelijk kan worden gehouden dan wel of sprake is van soortgelijke en/of andere strafbare feiten waarvoor geldt dat er voldoende aanwijzingen zijn dat zij door betrokkene zijn begaan. De opbrengst daarvan kan ook worden aangemerkt als voordeel in de zin van artikel 36e Sr.
Uit het strafdossier en de behandeling van de vordering op de zitting in hoger beroep blijkt dat betrokkene uit de strafbare feiten waarvoor hij veroordeeld is én uit soortgelijke en/of andere strafbare feiten financieel voordeel heeft behaald. Gelet hierop is sprake van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e, tweede lid, Sr.
Vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het hof is van oordeel dat aannemelijk is dat betrokkene wederrechtelijk voordeel heeft genoten. Het hof zal per (door het openbaar ministerie aan betrokkene toegeschreven) hennepkwekerij de inhoud van de standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging bespreken, en daarna het oordeel van het hof. Na bespreking van alle kwekerijen gaat het hof in op de toe te passen verdeelsleutel, eveneens na bespreking van de standpunten van het openbaar ministerie en de verdediging.
Op grond van wettige bewijsmiddelen schat het hof het wederrechtelijk door betrokkene verkregen voordeel op een bedrag van € 306.333,-. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
[locatie 1]
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 32.871,22, uitgaande van een eerder geripte oogst. De ontnemingsbeslissing van de rechtbank is hierbij het uitgangspunt. Ten aanzien van de huurpenningen geldt echter dat niet één maand maar drie maanden aan huurpenningen moet worden afgetrokken van de opbrengst.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op nihil omdat er sprake is geweest van slechts één oogst die geript is. Voorafgaand aan die geripte oogst was er geen andere oogst en gezien de tijdspanne was zo’n eerdere winstgevende oogst ook niet mogelijk. Voor zover het hof dit anders ziet, moeten de huurpenningen in drievoud worden afgetrokken wat leidt tot een schatting van het voordeel van € 32.871,34.
Oordeel van het hof
Op 4 januari 2016 is een verbalisant naar aanleiding van een anonieme melding naar de woning gegaan. De melder had waargenomen dat meerdere mensen lege grijze plastic bloembakken de woning in brachten vanuit een auto. In de tuin trof de verbalisant meerdere goederen aan waardoor hij de indruk kreeg dat er mogelijk een hennepkwekerij werd opgebouwd, namelijk: een gebruikte bus purschuim, drie grijze bloempotten en twee gesloten zakken tuinaarde. Er werd geen hennepgeur geroken. Een wijkbeheerder is begin februari 2016 aangesproken door buren van de woning die het vermoeden hadden dat er een kwekerij was. Op 31 mei 2016 is in de woning een in werking zijnde kwekerij met 407 planten aangetroffen.
Het dossier bevat, gelet op het verplaatsen/aantreffen van bloempotten, tuinaarde en purschuim, voldoende aanwijzingen dat de kwekerij vanaf januari 2016 werd opgebouwd.
Wat betreft het openbaar ministerie en de verdediging staat niet ter discussie dat er sprake is geweest van een geripte oogst. Het hof sluit zich hierbij aan. Derhalve stelt het hof vast dat na afronding van de opbouw op enig moment sprake is geweest van een inwerking zijnde hennepkwekerij, waarbij één oogst is geript.
Het dossier biedt onvoldoende duidelijkheid over wanneer de opbouw van de kwekerij precies was afgerond en de kwekerij daadwerkelijk in werking trad. Gezien een gemiddelde kweekcyclus van tien weken, die ook geldt voor de geripte oogst, zijn er onvoldoende aanwijzingen van een eerdere succesvolle kweek en oogst vóórafgaand aan de geripte oogst.
Om die reden kan het hof niet vaststellen dat betrokkene enig financieel voordeel heeft genoten uit de aangetroffen kwekerij. Het hof zal derhalve het wederrechtelijk verkregen voordeel uit de kwekerij aan de [locatie 1] schatten op nihil.
[locatie 2]
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 250,-, gelijk aan de beloning die betrokkene kreeg voor het afleveren van vijfhonderd stekjes. Het gaat het openbaar ministerie te ver om deze kwekerij en een uit die kwekerij verkregen wederrechtelijk voordeel volledig toe te schrijven aan het criminele samenwerkingsverband van betrokkene.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel conform de verklaring van betrokkene moet worden geschat op € 250,-, gelijk aan de beloning die betrokkene kreeg voor het afleveren van stekjes.
Oordeel van het hof
Op 2 maart 2011 werd een in werking zijnde hennepkwekerij met daarin 531 hennepstekken aangetroffen aan de [locatie 2] . De woning stond op naam van (onder andere) [naam] . In de woonkamer werd een brief aangetroffen waaruit kon worden opgemaakt dat [naam] vanaf l oktober 2009 de overstap heeft gemaakt van de [energieleverancier] naar de [energieleverancier] . [naam] stond (op 2 februari 2011) nog geregistreerd als contractant bij energiebedrijf [energieleverancier] . Ook werd een huurovereenkomst aangetroffen tussen [naam] en [naam] , welke geldig zou zijn van 1 mei 2009 tot met 30 april 2010. [naam] verbleef echter sinds mei 2009 in een gesloten psychiatrische inrichting, zodat het de verbalisant onwaarschijnlijk leek dat hij in 2009 en in december 2010 een huurovereenkomst had getekend.
Getuige [getuige 1] heeft op 4 maart 2011 verklaard dat de familie [naam] 2,5 jaar daarvoor waren gescheiden, dat [naam] toen uit de woning is vertrokken en dat ongeveer twee jaar voor het getuigenverhoor de overige gezinsleden vertrokken, waarna drie Turkse mannen bij de woning kwamen. Een aantal weken daarna werden er materialen uitgeladen, zoals zilverkleurige buizen en kappen. [getuige 1] zag dat deze buizen en kappen de woning weer uitgingen, nadat de politie was gekomen.
In het veroordelend vonnis heeft de rechtbank overwogen dat door gebruik te maken van hun zwakke en kwetsbare positie, met name (al dan niet financieel) zwakkere en kwetsbare personen, door de criminele organisatie toe zijn gebracht om mee te werken aan, of gelegenheid te verschaffen tot, het plaatsen van een hennepplantage door hen voor te spiegelen dat zij daarmee makkelijk geld konden verdienen.
[medeverdachte 3] heeft verklaard dat [verdachte] , [naam] , [naam] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [naam] al 10 à 15 jaar betrokken zijn bij hennepkwekerijen.
Betrokkene heeft op 13 oktober 2011 bij de politie verklaard dat hij in de hennepkwekerij in [locatie 2] is geweest en dat de huiseigenaar [naam] de politie alles kan vertellen. Betrokkene wist dat de hennepkwekerij “boven” was en dat die kwekerij van [naam] was. Volgens betrokkene was [naam] een goede jongen. Nadat betrokkene wordt geconfronteerd met het aantreffen van zijn DNA in de kwekerij op de eerste verdieping verklaart betrokkene dat hij vijfhonderd hennepstekjes vanuit [plaats] naar de woning in [locatie 2] “naar boven” heeft gebracht en dat hij die stekken heeft gezien. Betrokkene heeft hiervoor € 250,- ontvangen.
Het hof is van oordeel dat gezien het voorgaande, voldoende aanwijzingen bestaan dat betrokkene wist dat hij hennepstekjes afleverde in de kweekruimte en dat betrokkene zodoende betrokken was bij het opzetten van een (nieuwe) teelt van 500 hennepplanten in de woning in [locatie 2] .
Uit de genoemde bewijsmiddelen blijkt bovendien dat bij deze kwekerij gebruik is gemaakt van tenminste één zwakker of kwetsbaar persoon. Dat past bij de handelswijze van de criminele organisatie waaraan betrokkene in elk geval vanaf 28 juni 2011 leidinggaf.
Het door de rechtbank beschreven en bewezenverklaarde samenwerkingsverband waarbinnen betrokkene vanaf 28 juni 2011 een leidinggevende rol vervulde, had het plegen van hennepgerelateerde misdrijven, waaronder de opbouw van kwekerijen, als oogmerk.
Om die reden kan op grond van artikel 36e, tweede lid, Sr ook wederrechtelijk voordeel worden ontnomen dat betrokkene heeft verkregen uit een feit dat soortgelijk is aan het feit waarvoor betrokkene is veroordeeld.
Aangezien het openbaar ministerie en de verdediging het eens zijn over het aan betrokkene toegekomen voordeel en het dossier geen aanwijzingen voor het tegendeel bevat, zal het hof het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel van betrokkene schatten op € 250,-.
[locatie 3]
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 122.147,76. De ontnemingsbeslissing van de rechtbank is hierbij het uitgangspunt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel conform de verklaring van betrokkene moet worden geschat op € 100.000,-, dat wil zeggen: twee oogsten met elk een opbrengst van € 50.000,-.
Oordeel van het hof
In het veroordelend vonnis heeft de rechtbank deze hennepkwekerij in haar bewijsconstructie gebruikt en bewezenverklaard dat deze hennepkwekerij in [locatie 3] werd gedreven vanuit het bewezenverklaarde criminele samenwerkingsverband. Deze kwekerij werd geëxploiteerd door de criminele organisatie waaraan betrokkene leidinggaf.
Betrokkene heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat er aan de [locatie 3] twee keer is geoogst voor een opbrengst van € 50.000,- per oogst. Betrokkene spreekt over twee oogsten terwijl in het rapport berekening wederrechtelijk voordeel is uitgegaan van één oogst. Betrokkene geeft – aldus het hof - openheid daar waar hij er ook voor had kunnen kiezen om aan te sluiten bij dit rapport waar wordt uitgegaan van slechts één oogst. Dit maakt dat het hof de verklaring van betrokkenen aannemelijk acht.
Het hof zal derhalve in het voordeel van betrokkene zijn verklaring als uitgangspunt nemen en het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel van deze kwekerij schatten op € 100.000,-.
[locatie 4]
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 182.981,66. De ontnemingsbeslissing van de rechtbank is hierbij het uitgangspunt. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt dat in alle drie ruimtes is geoogst.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 52.689,35, gebaseerd op opbrengst van € 70.389,64. Het is slechts aannemelijk dat in een van de drie aangetroffen ruimtes sprake is geweest van een eerdere oogst.
Oordeel van het hof
Op 24 april 2012 werd in een loods bij een woning aan de [locatie 4] een zeer grote en professionele hennepkwekerij aangetroffen. Er werden 2.285 planten aangetroffen. De verbalisant heeft gesteld dat zeker één keer eerder is geoogst. In de verslaglegging van [netbeheerder] is opgenomen dat deze aanname van een eerdere oogst is gebaseerd op: vervuiling van koolstoffilters, gevonden knipschaartjes met hennepresten, gevonden afvalzakken met hennepresten van eerdere oogsten, stofresten op armaturen, ventilatoren, voorschakelapparatuur en overige elektra, verkleuring van gebruikt houtwerk en kalkaanslag op potten en grondzeil. Binnen de kwekerij werden sporen veiliggesteld. Op een van die sporen werd het DNA van betrokkene aangetroffen.
De verhuurder van het pand, de heer [naam] heeft verklaard dat het pand sinds november 2011 aan [naam] is verhuurd. Aan het begin heeft [naam] een compagnon gezien bij [naam] . Deze compagnon was [omschrijving verdachte] . Getuige [getuige 2] heeft betrokkene (onder andere) omschreven als zijnde [omschrijving verdachte] .
[naam] , eveneens als verdachte veroordeeld ter zake van deelname aan dezelfde criminele organisatie, heeft verklaard dat betrokkene (een keer) samen met [naam] en [naam] in het pand is geweest.
Bij de kwekerij is een rode Mercedes-Benz aangetroffen, welke auto op naam van betrokkene stond. [naam] wilde (op 26 april 2012) niet zeggen op wiens naam de rode Mercedes stond. Volgens hem stond die auto er al twee maanden.
Betrokkene heeft ter zitting in hoger beroep verklaard dat er aan de [locatie 4] eenmaal is geoogst.
Gelet op bovenstaande bewijsmiddelen is het hof van oordeel dat voldoende aannemelijk is dat deze kwekerij werd geëxploiteerd door de criminele organisatie waaraan betrokkene leidinggaf. Het dossier bevat voldoende aanwijzingen dat de kwekerij aan de [locatie 4] onderdeel was van de het criminele samenwerkingsverband van betrokkene.
In november 2011 is het pand verhuurd aan de criminele organisatie, waarbij [naam] als lid van die organisatie optrad als huurder. De kwekerij met 2.285 planten verspreid over drie ruimtes is vervolgens op 24 april 2012 door de politie aangetroffen. Gelet op voorgaande tijdspanne is er voldoende tijd geweest om de kwekerij op te bouwen en in ieder geval in elke door de politie aangetroffen ruimte minimaal één eerdere oogst te hebben gehad. Het bestaan van een eerdere oogst wordt ondersteund door de in de loods aangetroffen aanwijzingen, namelijk de vervuilde koolstoffilters, gevonden knipschaartjes met hennepresten, gevonden afvalzakken met hennepresten, stofresten op armaturen, ventilatoren, voorschakelapparatuur en overige elektra, verkleuring van gebruikt houtwerk en kalkaanslag op potten en grondzeil. Bovendien heeft betrokkene zelf verklaard dat er eenmaal is geoogst.
De door de raadsman aangevoerde omstandigheid dat de planten in ruimtes A en B acht weken oud waren en de planten in ruimte C vier weken, doet aan voorgaand oordeel niets af. Het is op grond van de leeftijd van de aangetroffen planten aannemelijk dat de kweek in de verschillende ruimtes op verschillende momenten is aangevangen, maar gelet op de tijdspanne verandert dit niets aan de aannemelijkheid dat ook in ruimte A en B een eerdere oogst heeft plaatsgehad. Bovendien is door betrokkene niet concreet verklaard over de opbouw van de kwekerij en dat slechts in een of minder dan de aangetroffen ruimtes een eerdere oogst had plaatsgehad. Het dossier bevat daarvoor verder ook geen aanwijzingen. Nu bij de ontdekking 2.285 planten zijn aangetroffen, en van de zijde van betrokkene geen andere concrete informatie is verstrekt, gaat het hof ervan uit dat de eerdere oogst een zelfde aantal planten – verspreid over de drie kweekruimtes – betrof.
Het hof volgt de in het rapport opgenomen berekening (inclusief de verwijzing naar het rapport BOOM) over de opbrengst (28,2 gram per plant, € 3,28 opbrengst per gram hennep) tot een bedrag van € 211.353,36 (28,2 gram per plant x 2.285 planten x € 3,28 opbrengst per gram hennep).
1n het voordeel van betrokkene zal het hof dezelfde kosten als de rechtbank meenemen, en wel tot een totaal van € 28.372,30 (€ 14.121,30 kosten per plant (€ 2,85 en € 3,33 kosten per plant x 2.285 planten), € 8.481,- huisvestingskosten, € 1.200,- afschrijvingskosten, € 4.570,- knipkosten).
Het hof schat het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel van deze kwekerij derhalve op € 182.981,06.
[locatie 5]
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gesteld dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden geschat op € 33.948,48. De ontnemingsbeslissing van de rechtbank is hierbij het uitgangspunt.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft geen verweer gevoerd tegen de berekening en vaststelling van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit deze kwekerij.
Oordeel van het hof
In het veroordelend vonnis heeft de rechtbank deze hennepkwekerij in haar bewijsconstructie gebruikt en bewezenverklaard dat deze hennepkwekerij in [locatie 5] werd gedreven vanuit het bewezenverklaarde criminele samenwerkingsverband. Deze kwekerij werd geëxploiteerd door de criminele organisatie waaraan betrokkene leidinggaf.
Over deze kwekerij is een rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel opgesteld. Het hof neemt de in het rapport opgenomen berekening van de opbrengst en kosten van deze kwekerij van één oogst als uitgangspunt tot een totaalbedrag van € 36.292,48 aan voordeel.
Het hof zal de door het openbaar ministerie gestelde bijkomende kosten van de kwekerij van in totaal in totaal € 2.344,- in mindering brengen. Het is aannemelijk dat voor deze locatie huurgelden zijn betaald en dat er kosten zijn gemaakt voor knippers, gelet op het aantreffen van meerdere knipschaartjes. Ook omdat in het dossier vaker sprake was van het inzetten van personeel om te knippen.
Het totaal aan wederrechtelijk verkregen voordeel van deze kwekerij wordt dan ook geschat op € 33.948,48.
Tussenconclusie
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, komt het hof tot de volgende berekening wat betreft het totaalbedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel dat kan worden toegerekend aan de criminele organisatie van betrokkene.
[locatie 2] € 250,-
[locatie 3] € 100.000,-
[locatie 4] € 182.981,06
[locatie 5] € 33.948,48 +/+
Totaalbedrag € 317.179,54
Verdeelsleutel
Standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft gesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat anderen hebben gedeeld in de opbrengst. Voor zover het hof dit anders ziet, zou enkel [medeverdachte 3] in aanmerking komen als winstdeler.
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft het volgende aangevoerd wat betreft de verschillende hennepkwekerijen.
Ten aanzien van [locatie 2] heeft betrokkene € 250,- ontvangen.
Ten aanzien van [locatie 3] dient 95% van de opbrengst te worden verdeeld over betrokkene en de vier medebetrokkenen bij de organisatie ( [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [naam] en [naam] ), en dus tot een door betrokkene ontvangen voordeel van € 19.000,-.
Ten aanzien van [locatie 4] heeft betrokkene € 6.000,- ontvangen. Subsidiair moet het totaalbedrag worden verdeeld over betrokkene en de vier medebetrokkenen ( [naam] , [medeverdachte 3] , [naam] en [naam] ) bij de organisatie, en dus tot een door betrokkene ontvangen voordeel van € 10.537,87.
Ten aanzien van [locatie 5] moet 95% van de opbrengst worden verdeeld over betrokkene en de vier medebetrokkenen bij de organisatie, en dus tot een door betrokkene ontvangen voordeel van € 6.450,21.
Oordeel van het hof
Betrokkene is aangemerkt als leidende figuur en leidinggevende van de criminele organisatie. Opbrengsten van deze organisatie kunnen dan ook in eerste instantie worden toegerekend aan betrokkene. Naar het oordeel van het hof volgt uit het dossier dat betrokkene zeggenschap had over het geld van de organisatie. Daartoe wijst het hof op de volgende tapgesprekken.
Het gesprek op 21 mei 2016 tussen [verdachte] en [naam] :
“ [naam] : Ze hebben per persoon 150 lira afgesproken.
[verdachte] : per dag?
[naam] : Ja.
[verdachte] : Hoe veel mensen zijn er gekomen?
[naam] : Er zijn 5 mensen gekomen. 400... [naam] had 400 Lira. Ik heb alle 400 aan hen gegeven. Ik zei; doe maar dinges... maandag komen nog 3 andere mensen. De aarde, we zijn eer ook nog, dus 5 mensen. Alleen zo nog dinges...
[verdachte] : Euhhhh.. Ik betaal we als ik kom. Ik kom donderdag of vrijdag.
[naam] : Moeten ze op jou wachten?
[verdachte] : (stilte) eeuuh.. er is geen ander geld.”
Het gesprek op 21 mei 2016 om 18:04:48 tussen [verdachte] en [naam] :
“ [naam] zegt dat de moeder van (ntv) boos is omdat de kosten voor brandstof niet zijn betaald [naam] legt uit dat voor 5 mensen 400 euro is betaald. Die vrouw vraagt dus waar de brandstofkosten blijven.
[verdachte] zegt dat hij 'hen' zal betalen wanneer hij er is. (…)
[verdachte] zegt dat die mensen maar brandstof moeten kopen en dat hij het zal betalen wanneer hij er is. (…)
[verdachte] zegt dat [naam] tegen hen moet zeggen ‘als hij komt, hij is in Turkije, jullie geld is geen probleem’. (…)
[verdachte] zegt dat hij het ook druk is. Als zij vraagt wat hij in Turkije doet zegt hij dat hij uitrust. Ze vraagt of hij aan het renoveren is. Hij geeft hier geen antwoord op. Ze zegt dat hij veel geld heeft. Hij zegt dat hij ‘daar’ veel stress had. (…)
[verdachte] zegt dat hij gisteren naar het huis van [medeverdachte 3] is geweest. [verdachte] zegt dat hij eigenlijk een van diens appartementen zou afpakken. [verdachte] zegt dat zijn mensen hiertegen zijn.”
Het gesprek op 22 mei 2016 om 17:00:37 tussen [verdachte] en [naam] :
“(…) [verdachte] zegt dat hij zal betalen wanneer hij over een paar dagen komt. (…) [naam] zegt dat ze tegen die mensen heeft gezegd hij komt misschien al in het weekend, jullie geld zal niet verloren gaan. [naam] zegt dat die mensen toch aan het einde van de dag hun geld willen hebben.
[naam] : Wat moet ik gaan zeggen?
[verdachte] : Zeg maar: de baas zegt, ik *scheldwoord*
[naam] vraagt of ze moet gaan zeggen dat de baas zegt als ik kom zal ik iedereen geven wat hem/haar toekomt?
[verdachte] : Hmm, ik moet die wel betalen. (…) [verdachte] zegt dat hij geen benzinekosten kan betalen. [naam] vraagt wat ze nu moet doen.
[verdachte] :10 lira uurprijs, 100 lira reiskosten. Als ze gaan werken dan doen ze dat en als ze dat niet doen, dan moeten ze maar niet komen. Ik zal donderdag de man sturen. [medeverdachte 3] komt vrijdag. (…) Als hij vrijdag gekomen is dan zal hij het oplossen/regelen. (…)”
Het gesprek op 25 mei 2016 tussen [naam] en [verdachte]
“(…) [naam] : Oke. Jij.. Jij bent aan hel zonnebaden in [plaats] , wij zijn hier aan het zwelen. [verdachte] : Ik… Jullie verdienen natuurlijk van mijn. (…)”
Het gesprek op 30 mei 2016 tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] :
“(…) [verdachte] zegt dat hij ze allemaal zal komen neerschieten als ze het geld aan [naam] zouden geven. (…)
[medeverdachte 2] : ik zal het geven aan wie jij zegt dat ik het moet geven. (…)
[verdachte] : Doe het werk. (…)”
Het gesprek op 26 juni 2016 tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] :
“ [medeverdachte 1] : Vanmorgen euhh... had ik van (ntv) te krijgen. Hij zei: “kom maar naar een bepaalde plek”. Ik ging daar naar toe. Hij was niet gekomen... Ik kwam er aan. Die van jou speelde daar.
[verdachte] : Hmm... Speelt hij?
[medeverdachte 1] : hmm
[verdachte] : Eee??
[medeverdachte 1] : [medeverdachte 2]
[verdachte] : hmm. Hij moet maar spelen man. Die man zit toch niet met het geld? Euuhh.. mijn geld.”
Uit het strafvonnis en het voorgaande blijkt voldoende dat betrokkene vanaf 28 juni 2011 als leidinggevende de opbrengsten uit de hennepteelt en -handel ontving en invloed had op de besteding daarvan. Het dossier bevat, anders dan de abstracte verklaring van betrokkene zelf, geen aanwijzingen dat de winst gelijk verdeeld werd onder de leden van de organisatie. De verklaringen die getuige [naam] in hoger beroep in deze ontnemingsprocedure bij de raadsheer-commissaris heeft afgelegd, maakt dat niet anders. Getuige [naam] heeft weliswaar zowel betrokkene als [medeverdachte 3] aangewezen als “voorzitter” en verklaard dat betrokkene en [medeverdachte 3] het “samen deden”, maar van enige concrete onderbouwing hoe dat “samen” er dan in financieel opzicht uit zag, is deze bepaald abstracte verklaring niet voorzien. Bovendien heeft getuige [naam] in die verklaring verklaard dat hij en de anderen niets gekregen hebben en zijn gebruikt. Dat is in tegenspraak met de stelling van de verdediging dat de opbrengsten van de kwekerijen werden verdeeld over vijf personen. Bovendien heeft [medeverdachte 3] die ook als getuige is gehoord bij de raadsheer-commissaris in deze ontnemingsprocedure, verklaard dat hij niet heeft gedeeld in de opbrengsten en dat betrokkene alles regelde.
De verdediging heeft het verweer dat een aantal opbrengsten zouden moeten verdeeld over vijf personen waaronder betrokkene, ook niet concreet onderbouwd en het dossier bevat voor dat verweer geen steun. Wel wijzen elementen in het dossier erop dat betrokkene kosten moest maken voor het ingeschakelde personeel, waaronder de medebetrokkenen bij de organisatie. Het hof acht het daarom aannemelijk dat anderen uit de organisatie een deel van de opbrengst ontvingen als vergoeding voor hun werkzaamheden. Het hof kan zich vinden in de matiging die de advocaat-generaal voor deze personeelskosten heeft voorgesteld ten aanzien van de kwekerij in [locatie 5] , te weten een matiging van 5% op het geschatte wederrechtelijk voordeel.
Omdat betrokkene deze personeelskosten op geen enkele wijze heeft geconcretiseerd, schat het hof in navolging van het standpunt van de advocaat-generaal dat 95% van het voordeel – gezien zijn leidinggevende rol – aan betrokkene toekwam.
Nu uit de verklaring van betrokkene ten aanzien van zijn verdiensten uit de kwekerij te [locatie 2] blijkt dat hij een bedrag van € 250,- netto heeft ontvangen voor leveren van de stekjes ten behoeve van de kwekerij, zal het hof de aftrek van 5% wegens geschatte personeelskosten niet toepassen op dat bedrag.
Nu uit de verklaring van betrokkene ten aanzien van zijn verdiensten uit de kwekerij te [locatie 3] blijkt dat hij het bedrag van € 100.000,- netto heeft ontvangen, zal het hof de aftrek van 5% wegens geschatte personeelskosten ook niet toepassen bij het voordeel toegeschreven aan die kwekerij.
Ten aanzien van de kwekerijen te [locatie 4] en [locatie 5] komt het hof op € 206.083,06 (95% van (€ 182.981,06 + € 33.948,48)) aan wederrechtelijk door betrokkene verkregen voordeel.
Conclusie
Dit brengt het hof tot de volgende berekening:
[locatie 2] € 250,-
[locatie 3] € 100.000,-
95% [locatie 4] + [locatie 5] € 206.083,06 +/+
Totaalbedrag € 306.333,06
Derhalve schat het hof het totaal aan wederrechtelijk door betrokkene verkregen voordeel op (afgerond) € 306.333,-.
Verplichting tot betaling aan de Staat
Het hof stelt de verplichting tot betaling aan de Staat vast op een bedrag van € 267.910,-. Hiertoe overweegt het hof als volgt.
Conservatoir beslag
Het hof stelt vast dat in de zaak van betrokkene door de rechter-commissaris een machtiging is verleend voor conservatoir beslag en dat daarna beslag is gelegd op meerdere vermogenscomponenten.
Het bedrag van € 8.655,-, waarop conservatoir beslag was gelegd, is bij onherroepelijk vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Gelderland, zittingsplaats Zutphen, van 18 juli 2017 onder parketnummer 05882010-15 verbeurd verklaard.
Het hof vermindert de verplichting tot betaling aan de Staat met dat bedrag (€ 306.333,- minus € 8.655,- = € 297.678,-).
Redelijke termijn
In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van de betrokkene gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling moet zijn afgerond met een einduitspraak binnen twee jaar nadat hoger beroep is ingesteld, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden.
Van schending van de redelijke termijn in eerste aanleg is het hof niet gebleken, en het is ook niet bepleit. Dat is anders als het gaat om de ontnemingsprocedure in hoger beroep. Namens de verdediging is het verweer gevoerd dat in hoger beroep de redelijke termijn is overschreden met vijf en een half jaren en om matiging verzocht van 20% van de betalingsverplichting. Ook de advocaat-generaal heeft om die reden om matiging verzocht, maar ter hoogte van een bedrag van € 10.000,-.
Betrokkene heeft op 28 januari 2019 hoger beroep ingesteld en deze beslissing wordt gewezen op 29 juli 2026. Daarmee is in hoger beroep sprake van een schending van de redelijke termijn van vijf en een half jaren. Deze aanzienlijke overschrijding van de redelijke termijn waarbij geen sprake is van enige bijzondere omstandigheid die deze overschrijding verklaart, en veel minder nog rechtvaardigt, maakt dat het hof aanleiding ziet om de betalingsverplichting te matigen. Derhalve zal het hof het bedrag van de betalingsverplichting groot € 297.678,- verminderen met 10%, welk bedrag vervolgens wordt afgerond op € 267.910,-.
Duur gijzeling
Bij het opleggen van een ontnemingsmaatregel bepaalt de rechter op grond van artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht de duur van de gijzeling die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering ten hoogste kan worden gevorderd. Hierbij wordt voor elke volle € 100,- van het opgelegde bedrag één dag gerekend, tot een maximum van 1080 dagen voor feiten gepleegd vóór 25 juli 2020. Het hof bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Wetsartikelen
De maatregel is gebaseerd op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
Dit voorschrift is toegepast (zoals het gold op het moment van het bewezenverklaarde / zoals het gold op het moment van het wijzen van deze beslissing).
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt de beslissing waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 306.333,- (driehonderdzesduizend driehonderddrieëndertig euro).
Legt betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 267.910,- (tweehonderdzevenenzestigduizend negenhonderdtien euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 1080 dagen.
Aldus gewezen door
mr. C.H. Zuur, voorzitter,
mr. Th.C.M. Willemse en mr. I.C.E. Draisma, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A.S. Janssen, griffier,
en op 29 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.