Strafrecht overig
Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in nieuwe ontnemingsvordering, ingediend binnen tweejaarstermijn van…
ECLI:NL:GHSHE:2026:1827 · Gerechtshof 's-Hertogenbosch · 9 juli 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/gerechtshof-s-hertogenbosch/strafrecht/strafrecht-overig/hoger-beroep/ecli-nl-ghshe-2026-1827
Zaakgegevens
Op 9 juli 2026 heeft het Gerechtshof 's-Hertogenbosch in hoger beroep uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Gerechtshof 's-HertogenboschGerechtshofDe rechter in hoger beroep in civiele zaken, strafzaken en belastingzaken. Nederland heeft vier gerechtshoven.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 9 juli 2026
- Datum publicatie
- 14 juli 2026
- Zaaknummer
- 20-003227-24 OWV
- Rechtsgebied
- Strafrecht Strafrecht overig
- Procedure
- Hoger beroepHoger beroepEen hogere rechter behandelt de zaak opnieuw, zowel de feiten als het recht, omdat een partij het niet eens is met de eerste uitspraak.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:GHSHE:2026:1827
Samenvatting
Ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in nieuwe ontnemingsvordering, ingediend binnen tweejaarstermijn van artikel 511b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering nadat beslissing tot niet-ontvankelijkverklaring van officier van justitie in ontnemingsvordering onherroepelijk is geworden. Geen schending van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (ECLI:NL:HR:2009:BG4258, r.o. 2.5). Geen schending van het vertrouwensbeginsel.
Uitspraak
Inhoudsopgave
Parketnummer : 20-003227-24 OWV
Uitspraak : 9 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof
's-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 2 december 2024 op de vordering ex artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, in de zaak met parketnummer 01-860000-22 tegen:
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1972,
wonende te [adres] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep is het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 115.948,67 en is aan de veroordeelde de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Namens de veroordeelde is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de veroordeelde naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.
De verdediging heeft bepleit dat het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk zal verklaren in de ontnemingsvordering.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie
Bij vonnis van 15 juni 2022 heeft de rechtbank in de onderliggende strafzaak de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Bij vonnis van dezelfde datum in de ontnemingsprocedure heeft de rechtbank de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard in de ontnemingsvordering. Er is door het Openbaar Ministerie alleen hoger beroep ingesteld tegen het vonnis in de strafzaak. Namens de veroordeelde is zowel in de strafzaak als in de ontnemingsprocedure geen hoger beroep ingesteld. Dat betekent dat de beslissing van de rechtbank bij vonnis van 15 juni 2022 tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de ontnemingsvordering onherroepelijk is geworden. Bij arrest van 15 november 2023 heeft dit hof het vonnis van de rechtbank van 15 juni 2022 in de strafzaak vernietigd en opnieuw rechtdoende, de officier van justitie ontvankelijk verklaard in de strafvervolging van de verdachte en de strafzaak teruggewezen naar de rechtbank, teneinde recht te doen met inachtneming van het arrest van het hof. Het Openbaar Ministerie heeft op 11 september 2024 een ontnemingsvordering aangebracht, die op 29 oktober 2024 aan de veroordeelde in persoon is betekend. Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op deze vordering beslist zoals hiervoor onder het kopje ‘Hoger beroep’ is vermeld.
Ter terechtzitting in hoger beroep van 25 juni 2026 heeft de raadsman van de veroordeelde de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering bepleit. Daartoe is – op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – in de kern aangevoerd dat het aanbrengen van een ontnemingsvordering door het Openbaar Ministerie nadat de officier van justitie bij onherroepelijke rechterlijke beslissing niet-ontvankelijk is verklaard in de eerdere ontnemingsvordering, in strijd is met artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (ne bis in idem). Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel nu de veroordeelde erop mocht vertrouwen dat het Openbaar Ministerie niet opnieuw een ontnemingsvordering jegens hem zou aanbrengen. Daartoe is een beroep gedaan op (kennelijke) uitlatingen van advocaat-generaal mr. [getuige] tijdens de behandeling van het hoger beroep bij dit hof tegen het vonnis van de rechtbank van 15 juni 2022 in de strafzaak. Mr. [getuige] zou toen hebben gezegd dat, nu er van de zijde van het Openbaar Ministerie geen hoger beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in de ontnemingsvordering, de ontnemingsprocedure wat hem betreft onherroepelijk is afgedaan.
Het hof overweegt dienaangaande als volgt.
In HR 17 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG4258, r.o. 2.5 overweegt de Hoge Raad:
Opmerking verdient nog dat in een geval als het onderhavige waarin de ontnemingsvordering is afgedaan zonder dat ten gronde over de vordering is beslist, art. 68 Sr niet eraan in de weg staat dat de vordering - binnen de in art. 511b, eerste lid, Sv bedoelde termijn - opnieuw wordt ingediend nu art. 68 Sr alleen betrekking heeft op onherroepelijke rechterlijke beslissingen waarbij door middel van een einduitspraak in de zin van art. 350-352 Sv over de vervolging in de hoofdzaak is beslist en de ontnemingsprocedure als een onderdeel van die vervolging moet worden gezien.
Het hof legt dit aldus uit dat zolang de strafzaak waaraan de ontnemingszaak is gebonden niet onherroepelijk is afgedaan, artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht er niet aan in de weg staat dat ondanks een eerdere einduitspraak op de ontnemingsvordering waarin niet ten gronde over de vordering is beslist – bijvoorbeeld in deze zaak de niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie – de ontnemingszaak door het Openbaar Ministerie bij nieuwe vordering opnieuw aan de rechter wordt voorgelegd. De enige voorwaarde is dat die nieuwe vordering binnen de tweejaarstermijn van artikel 511b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering wordt gedaan. Het hof stelt vast dat daar in deze zaak aan wordt voldaan. Voor zover wordt verzocht het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering niet-ontvankelijk te verklaren wegens schending van artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht wordt dit gelet op het voorgaande verworpen.
Het verweer van de verdediging strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering wegens schending van het vertrouwensbeginsel treft evenmin doel. Een bij een verdachte op grond van een mededeling van het Openbaar Ministerie opgewekt vertrouwen dat hij in een bepaalde zaak niet verder zal worden vervolgd, zal alleen dan kunnen leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging indien dat vertrouwen in de gegeven omstandigheden gerechtvaardigd is (o.m. HR 6 oktober 2015, ECLI:NL:HR:2015:2982, r.o. 2.3). Van een dergelijk gerechtvaardigd vertrouwen is in dit geval geen sprake. Mr. [getuige] trad ter terechtzitting van het hof weliswaar op als vertegenwoordiger van het Openbaar Ministerie maar (uiteraard) wordt het vervolgingsbeleid van deze instantie niet alleen door mr. [getuige] bepaald, hetgeen ook tot uitdrukking komt in zijn (kennelijke) woorden: ‘wat mij betreft’. Dat maakt dat het hof eveneens voorbij gaat aan het voorwaardelijke verzoek van de verdediging tot het horen van mr. [getuige] als getuige.
Gelet op het voorgaande verwerpt het hof het tot niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen. Hetgeen de verdediging meer of anders heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis zal worden vernietigd omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.
Vordering
De schriftelijke vordering van de officier van justitie van 11 september 2024 strekt tot het opleggen van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 134.324,42 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Op de terechtzitting in eerste aanleg van 18 november 2024 heeft de officier van justitie de vordering gewijzigd in die zin dat de vordering wordt gematigd tot een bedrag van
€ 39.275,00.
Door het hof gebruikte bewijsmiddelen
Indien tegen dit verkort arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen opgenomen in een aanvulling op het verkort arrest.
Deze aanvulling wordt dan aan het verkort arrest gehecht.
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
De veroordeelde is bij arrest van dit hof van heden (parketnummer 20-003339-24) veroordeeld ter zake van diefstal, meermalen gepleegd (feit 1 primair) en verduistering gepleegd door hem die het goed uit hoofde van zijn persoonlijke dienstbetrekking of van zijn beroep onder zich heeft, meermalen gepleegd (feit 1 subsidiair en feit 2).
Het hof ontleent aan de inhoud van voormelde bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft genoten en had en dat dit voordeel als volgt moet worden geschat.
Berekening
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat ter zake van feit 1 primair en subsidiair, feit 2 en feit 3 vastgesteld op (€ 15.139,12 + € 108.692,93 =) € 123.832,05. Het hof verenigt zich met deze schatting voor zover die betrekking heeft op het wederrechtelijk verkregen voordeel ter zake van feit 1 primair en subsidiair en feit 2.
Bij arrest van heden in de onderliggende strafzaak heeft het hof het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard ten aanzien van hetgeen onder feit 3 primair is tenlastegelegd en heeft het hof de veroordeelde vrijgesproken van de onder feit 3 subsidiair tenlastegelegde verduistering van een geldbedrag van € 50.000,00. Gelet op deze vrijspraak in de onderliggende strafzaak acht het hof dat, gelet op de geldende Geerings-jurisprudentie, het bedrag van € 50.000,00 niet in aanmerking kan komen als wederrechtelijk verkregen voordeel uit dit strafbare feit.
Het hof stelt derhalve het wederrechtelijk verkregen voordeel vast op het geldbedrag dat in de onderliggende strafzaak in hoger beroep is bewezenverklaard, namelijk (€ 123.832,05 -/-
€ 50.000,00 =) € 73.832,05.
Door de veroordeelde is reeds een bedrag van € 7.883,38 terugbetaald aan de slachtoffers. Dit bedrag zal het hof in mindering brengen op het genoten voordeel.
Het geschatte wederrechtelijk verkregen voordeel is dan (€ 73.832,05 -/- € 7.883,38 =)
€ 65.948,67.
Op te leggen betalingsverplichting
Het hof zal aan de veroordeelde de verplichting opleggen tot betaling van na te melden bedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Gijzeling
Met ingang van 1 januari 2020 heeft het nieuwe elfde lid van artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht kracht van wet gekregen. Het hof zal daarom bij het opleggen van de ontnemingsmaatregel tevens de duur van de gijzeling bepalen die met toepassing van artikel 6:6:25 van het Wetboek van Strafvordering in de onderhavige zaak ten hoogste kan worden gevorderd indien volledig verhaal niet mogelijk blijkt.
Het hof hanteert, overeenkomstig de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde uitgangspunten, bij de berekening van de duur van deze gijzeling voor elke € 100,00 van de betalingsverplichting één volle dag. De maximale duur van de gijzeling bedraagt ingevolge artikel 36e, elfde lid, van het Wetboek van Strafrecht drie jaren.
Gelet op de hoogte van de op te leggen betalingsverplichting zal het hof mitsdien de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd hierna bepalen op 659 dagen.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht, zoals dat luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.
BESLISSING
Het hof:
vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
stelt het bedrag waarop het door de veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 65.948,67 (vijfenzestigduizend negenhonderdachtenveertig euro en zevenenzestig cent);
legt de veroordeelde de verplichting op tot betaling aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 65.948,67 (vijfenzestigduizend negenhonderdachtenveertig euro en zevenenzestig cent);
bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 659 dagen.
Aldus gewezen door:
mr. C.A. van Roosmalen, voorzitter,
mr. C.P.J. Scheele en mr. G.M. Goes, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. C.J.G. Streutjes, griffier,
en op 9 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.