Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:28773

Op 7 September 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is NL26.44336, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:28773. De plaats van zitting was Utrecht.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
NL26.44336
Datum uitspraak:
7 September 2026
Datum publicatie:
29 September 2026

Indicatie

AMB België. Beroep gegrond, onzorgvuldige voorbereiding en motiveringsgebrek, opvang niet-kwetsbare alleenstaande mannen, geen sprake van effectieve rechtsbescherming, besluit vernietigd, pkv.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.44336

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. M.Y. Hodak),

en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. H.H.M. van Dooren).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. De minister heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

Procesverloop

3. Eiser heeft op 25 juni 2026 een asielaanvraag als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 3 augustus 2026 deze aanvraag niet in behandeling genomen.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.

6. De rechtbank heeft het beroep op 25 augustus 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld voor de zitting.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

Totstandkoming van het besluit

7. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1968.

8. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMB-verordening) die op 12 juni 2026 in werking is getreden. Op grond van de AMB-verordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 1)

9. In dit geval heeft Nederland bij België een verzoek om kennisgeving inzake terugname gedaan. België heeft de kennisgeving bevestigd.

Kan de minister ten aanzien van België uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel?

Structurele tekortkomingen in de asielopvang

10. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende zorgvuldig heeft onderzocht en onvoldoende deugdelijk heeft gemotiveerd dat eiser na overdracht aan België daadwerkelijk toegang zal hebben tot adequate opvang en niet zal worden blootgesteld aan een situatie die in strijd komt met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 EVRM. Verder voert eiser aan dat de minister onvoldoende betekenis heeft toegekend aan de actuele informatie over de opvangsituatie in België. Eiser verwijst hierbij onder meer naar het AIDA Country Report Belgium, Update on 2025 (juli 2026) en naar de recente rechtspraak over de opvangsituatie in België, waaronder het arrest van het EHRM van 9 april 2026 in de zaak M.V. and Others v. Belgium. (Voetnoot 2) Daarnaast voert eiser aan dat de minister het interstatelijk vertrouwensbeginsel en artikel 16, derde lid, AMVB onjuist heeft toegepast, nu de minister volgens eiser onvoldoende heeft gemotiveerd dat de eerder vastgestelde tekortkomingen in de opvang in België inmiddels duurzaam en structureel zijn weggenomen.

11. De minister stelt zich op het standpunt dat de opvangsituatie in België sinds de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 23 juli 2025 (Voetnoot 3) is gewijzigd. In die uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers niet langer aan België mochten worden overgedragen, omdat niet kon worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van de opvangvoorzieningen in België. Volgens de minister blijkt uit nieuwe informatie van het Federaal agentschap voor de opvang van asielzoekers (Fedasil) dat de opvangsituatie inmiddels zodanig is verbeterd dat deze conclusie niet langer geldt. De minister verwijst daarbij naar de brief van Fedasil van 5 februari 2026, die als bijlage is opgenomen bij Informatiebericht 2026/8. (Voetnoot 4) Op basis van deze informatie stelt de minister zich op het standpunt dat de opvang voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers weer voldoende op orde is en dat voor iedere alleenstaande mannelijke Dublinclaimant daadwerkelijk (nood)opvang beschikbaar is.

12. De minister wijst erop dat het aantal alleenstaande mannen op de doorstroomlijst voor een plaats in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil al langere tijd afneemt. Volgens de minister is in ruim een half jaar tijd sprake geweest van een aanzienlijke daling: op 30 september 2025 stonden nog 1.945 personen op de doorstroomlijst, terwijl dit aantal op 1 mei 2026 was gedaald naar 1.126 personen en per 1 juni 2026 naar 1.043 personen was gedaald. Volgens de minister laat deze ontwikkeling zien dat sprake is van een structurele en voortdurende afname van het aantal personen dat nog wacht op doorstroom naar het reguliere opvangnetwerk. Hierdoor neemt de beschikbaarheid van (nood)opvangplekken volgens de minister steeds verder toe. Op grond hiervan stelt de minister zich op het standpunt dat opnieuw van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België kan worden uitgegaan.

13. De rechtbank is van oordeel dat onvoldoende is gebleken van een aanzienlijke en structurele verbetering van de opvangsituatie voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen in België sinds de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025. De rechtbank verwijst in dit verband allereerst naar de motivering van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht van 2 juni 2026 (Voetnoot 5), 14 juli 2026 (Voetnoot 6) en 21 augustus 2026 (Voetnoot 7) Uit deze uitspraken volgt dat weliswaar sprake is van een daling van het aantal alleenstaande mannelijke verzoekers om internationale bescherming op de zogenoemde doorstroomlijst en dat dit aantal inmiddels structureel lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 humanitaire opvangplaatsen, maar dat hieruit niet zonder meer kan worden geconcludeerd dat voor iedere niet-kwetsbare alleenstaande man daadwerkelijk een opvangplaats beschikbaar is. Daarbij is van belang dat de genoemde 2.000 opvangplaatsen niet uitsluitend zijn bedoeld voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen, maar ook worden ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Daarnaast bestaat deze capaciteit uit 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen specifiek voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, waardoor onduidelijk blijft hoeveel plaatsen feitelijk beschikbaar zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Het enkele feit dat het aantal personen op de doorstroomlijst afneemt, biedt daarom onvoldoende grond voor de conclusie dat voor deze groep een opvangplaats is gegarandeerd. Evenmin is gebleken dat het aantal plaatsen in de reguliere opvang voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen sinds de Afdelingsuitspraak van 23 juli 2025 is toegenomen.

14. Daar komt bij dat de minister ten onrechte onvoldoende betekenis heeft toegekend aan de meest recente informatie over de opvangsituatie in België. Uit het Uit het AIDA Country Report Belgium, Update on 2025 (juli 2026) volgt dat alleenstaande mannelijke asielzoekers nog steeds systematisch worden uitgesloten van het reguliere opvangnetwerk. De overheid financiert weliswaar 2.000 plekken in het Brusselse daklozenopvangnetwerk, maar personen op de wacht- of doorstroomlijst worden niet automatisch op deze plekken geplaatst. Het AIDA-rapport vermeldt bovendien dat er in de praktijk voor verzoekers om internationale bescherming aanzienlijke drempels bestaan om toegang te krijgen tot de opvang. Zo en moeten zij zichzelf, telefonisch en in een taal die zij niet beheersen, aanmelden voor plaatsing op een wacht-of doorstroomlijst. (Voetnoot 8) Daarbij blijkt ook uit het AIDA-rapport dat de nood- en daklozenopvang niet zonder meer voor deze groep beschikbaar is. (Voetnoot 9) Zoals AIDA vermeldt, leidt het tekort aan beschikbare opvang er in de praktijk toe dat alleenstaande mannelijke asielzoekers op straat terechtkomen.

15. De rechtbank vindt voornoemde informatie van belang, nu de minister zijn standpunt dat eiser toegang zal hebben tot noodopvang mede heeft gebaseerd op de beschikbaarheid van 2.000 plaatsen. De enkele verwijzing naar de beschikbaarheid van deze plaatsen is, gelet op de hiervoor beschreven feitelijke toegangsbelemmeringen onvoldoende om aan te nemen dat eiser na overdracht daadwerkelijk toegang tot opvang zal hebben. Dit is temeer van belang nu het EHRM in zijn arrest van 9 april 2026 in de zaak M.V. and Others v. Belgium (Voetnoot 10) een schending van artikel 3 EVRM heeft vastgesteld wegens de omstandigheden waarin asielzoekers gedurende langere tijd zonder opvang en materiële ondersteuning verbleven. Tegen deze achtergrond kon de minister niet volstaan met de enkele verwijzing naar de brief van Fedasil. De rechtbank betrekt daarbij ook dat de minister tijdens de zitting geen nader standpunt heeft ingenomen over de betekenis van het AIDA-rapport en de waarde die aan de brief van Fedasil kan worden gehecht.

16. Naar het oordeel van de rechtbank is bij deze stand van zaken nog steeds sprake van structurele tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in België en bereiken deze tekortkomingen de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid als bedoeld in het arrest Jawo. (Voetnoot 11) Het bestreden besluit bevat geen nadere motivering waaruit blijkt waarom in het geval van eiser, in afwijking van de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats Utrecht, van 2 juni 2026, 14 juli 2026 en 21 augustus 2026, en in weerwil van de informatie in het AIDA Country Report Belgium, Update on 2025 (juli 2026), toch van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De rechtbank komt daardoor wederom tot de conclusie dat de minister nader onderzoek had moeten verrichten naar de opvangsituatie in België. De beroepsgrond slaagt.

Effectieve rechtsbescherming

17. Op de zitting is ook aan de orde gesteld of in België sprake is van effectieve rechtsbescherming. Daarnaast is de houding van de Belgische autoriteiten aan de orde gesteld. De minister heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat uit het ‘AIDA Landenrapport België – 2024 Update’ blijkt dat het mogelijk is om te klagen bij de Ombudsman. Daarnaast verwijst de minister ook naar het ‘AIDA Landenrapport België – 2025 Update’ waaruit volgt dat een asielzoeker succesvol zou hebben geklaagd bij de Belgische autoriteiten.

17. De Afdeling heeft in de uitspraak van 23 juli 2025 (Voetnoot 12) geoordeeld dat asielzoekers in België, doordat de Belgische autoriteiten rechterlijke uitspraken niet naleven en dwangsommen niet betalen, ook geen toegang hebben tot effectieve rechtsbescherming van hun recht op opvang. Daarom is de Afdeling van oordeel dat in België ook op het gebied van rechtsbescherming sprake is van structurele tekortkomingen, die maken dat niet-kwetsbare alleenstaande mannen de geconstateerde tekortkomingen in de opvangvoorzieningen niet effectief bij de Belgische rechter kunnen afdwingen.

19. De rechtbank is niet gebleken van nieuwe informatie op grond waarvan kan worden geoordeeld dat in België nu wel sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang. De door de minister genoemde AIDA-rapporten leiden niet tot een ander oordeel. Naar het oordeel van de rechtbank blijkt uit deze rapporten niet expliciet van een verbetering van de effectieve rechtsbescherming op het gebied van het verkrijgen van opvang. Daarnaast heeft de minister geen andere informatie overgelegd waaruit blijkt dat de situatie op het gebied van effectieve rechtsbescherming na de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025 is verbeterd.

19. Het beroep is reeds om bovenstaande reden gegrond. De overige beroepsgronden behoeven daarom geen bespreking meer.

Conclusie en gevolgen

21. Gelet op het voorgaande kon de minister niet zonder nader onderzoek concluderen dat eiser niet terechtkomt in een toestand van zeer verregaande materiële deprivatie, zoals bedoeld in het Jawo-arrest. (Voetnoot 13) Ook mocht de minister er niet van uitgaan dat voor eiser in België sprake is van effectieve rechtsbescherming als het gaat om het verkrijgen van opvang. De minister mocht dan ook niet zonder nader onderzoek uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank oordeelt dat de minister in strijd met artikel 3:2 en artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het bestreden besluit niet zorgvuldig heeft voorbereid en onvoldoende heeft gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.

22. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.

23. Omdat het beroep gegrond is, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 3 augustus 2026;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 934- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M.M. Heppe, rechter, in aanwezigheid van mr. N.B. Tool, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 7 september 2026

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Dit staat in artikel 30, eerste lid, van de Vw 2000.

Voetnoot 2

52836/22.

Voetnoot 3

ECLI:NL:RVS:2025:3305.

Voetnoot 4

IB 2026/8 Dublin België: hervatten beslissen alleenstaande niet-kwetsbare mannen.

Voetnoot 5

ECLI:NL:RBDHA:2026:14893, rechtsoverweging 7.1 en 7.2.

Voetnoot 6

NL26.30244 (niet gepubliceerd), rechtsoverweging 7 en 8.

Voetnoot 7

ECLI:NL:RBDHA:2026:25066.

Voetnoot 8

AIDA Country Report Belgium, Update on 2025 (juli 2026), p. 110-112.

Voetnoot 9

AIDA Country Report Belgium, Update on 2025 (juli 2026), p. 111-112.

Voetnoot 10

52836/22.

Voetnoot 11

ECLI:EU:C:2018.

Voetnoot 12

ECLI:NL:RVS:2025:3305, overweging 5.3.3.

Voetnoot 13

ECLI:EU:C:2018, punten 91-93.