Rechtbank Den Haag, eerste aanleg - enkelvoudig vreemdelingenrecht

ECLI:NL:RBDHA:2026:22821

Op 13 August 2026 heeft de Rechtbank Den Haag een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van vreemdelingenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 26.29775, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:RBDHA:2026:22821. De plaats van zitting was 's-Hertogenbosch.

Soort procedure:
Instantie:
Zaaknummer(s):
26.29775
Datum uitspraak:
13 August 2026
Datum publicatie:
14 August 2026

Indicatie

De rechtbank is van oordeel dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De brief van Fedasil biedt onvoldoende onderbouwing voor de conclusie dat eiser als niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoeker daadwerkelijk opvang zal krijgen. Bovendien volgt uit de AIDA-rapporten een ander beeld. Hieruit volgt dat er een grote kans bestaat dat eiser maandenlang op straat zal belanden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.29775

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Mercanoglu),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister

(gemachtigde: mr. J. Visschers).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 27 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat België verantwoordelijk is voor de aanvraag.

1.1.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Daarnaast heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen (NL26.29776).

1.2.

De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op 4 augustus 2026 zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, N. Chehade als tolk en de gemachtigde van de minister.

Overwegingen

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden. De rechtbank verklaart het beroep gegrond. Dit betekent dat eiser gelijk krijgt. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Totstandkoming van het besluit

3. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die stonden in de Dublinverordening. (Voetnoot 1) Vanaf 12 juni 2026 geldt niet meer de Dublinverordening maar de Asiel- en migratiebeheerverordening (AMBV). (Voetnoot 2) Omdat de aanvraag in deze zaak is geregistreerd vóór 12 juni 2026 zijn de regels van de AMBV in deze zaak nog niet van toepassing en gelden nog steeds de regels in de Dublinverordening. (Voetnoot 3)

3.1.

Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. (Voetnoot 4) In dit geval heeft Nederland op 18 februari 2026 bij België een verzoek om terugname gedaan op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening. België heeft dit verzoek om terugname op 20 februari 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening aanvaard. Dat betekent dat België in beginsel verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser.

3.2.

De minister heeft met het bestreden besluit de aanvraag van eiser niet in behandeling genomen op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) omdat België hiervoor verantwoordelijk is.

Het standpunt van eiser

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Op wat hij in beroep heeft aangevoerd zal hierna, voor zover van belang, worden ingegaan.

Terugnamegrondslag

5. Eiser betoogt dat de minister stelt dat België verantwoordelijk is omdat eiser eerder in België om internationale bescherming heeft verzocht en België op 20 februari 2026 akkoord is gegaan met het terugnameverzoek. In beide voornemens heeft de minister echter verwezen naar artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, terwijl het claimakkoord volgens het bestreden besluit is gebaseerd op artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Volgens eiser is dit niet louter een technisch verschil, maar raakt het aan de vraag of eisers Belgische procedure is afgewezen of ingetrokken en daarmee ook aan de beoordeling van de positie waarin eiser na overdracht feitelijk terechtkomt, waaronder de toegang tot opvang bij een opvolgende of hervatte procedure.

5.1.

De rechtbank stelt vast dat de minister weliswaar in het voornemen van 23 februari 2026 heeft aangegeven dat België heeft ingestemd met het terugnameverzoek op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder d, van de Dublinverordening, maar dat zowel in het voornemen van 1 april 2026 als in het bestreden besluit artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening wordt vermeld als acceptatiegrond. Dit komt ook overeen met het claimakkoord van 20 februari 2026, waarin de Belgische autoriteiten hebben aangegeven dat zij akkoord gaan met het verzoek om terugname van eiser op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening. Nu zowel het voornemen van 1 april 2026 als het bestreden besluit, in lijn met het claimakkoord, artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening vermelden als acceptatiegrond wordt eiser niet gevolgd in zijn stelling dat de minister uit is gegaan van een onjuiste acceptatiegrond. De beroepsgrond slaagt niet.

Interstatelijk vertrouwensbeginsel

6. Eiser betoogt dat de minister zich bij zijn beroep op het interstatelijk vertrouwensbeginsel baseert en op recente informatie van de Belgische autoriteiten, meer in het bijzonder een brief van 5 februari 2026. Daaruit zou volgen dat de opvangsituatie voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers is verbeterd, dat er noodopvang beschikbaar is en dat de gemiddelde doorstroomtijd voor toegang tot de reguliere opvang 3,5 maand bedraagt. Volgens eiser beantwoordt deze algemene informatie echter niet de vraag welke situatie eiser na overdracht zal aantreffen. Eiser wijst erop dat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)  (Voetnoot 5) heeft geoordeeld dat de minister niet deugdelijk had gemotiveerd dat bij toepassing van de Dublinverordening op niet-kwetsbare alleenstaande mannen ten aanzien van België zonder meer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kon worden uitgegaan. De minister stelt dat latere informatie van de Belgische autoriteiten dat gebrek wegneemt, maar dat standpunt vraagt om een deugdelijke en op de individuele zaak toegesneden motivering. Eiser meent dat de minister die motivering niet heeft gegeven. Eiser verwijst naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 18 maart 2026 (Voetnoot 6). Uit die uitspraak volgt dat bij Dublinterugkeerders naar België, in het bijzonder bij opvolgende aanvragen, serieuze twijfel kan bestaan over toegang tot opvang en effectieve rechtsbescherming. De minister erkent dat deze uitspraak ziet op de problematiek van opvolgende aanvragen, maar schuift haar vervolgens terzijde met algemene verwijzingen naar het AIDA-rapport, update 2024, en de Opvangrichtlijn. Daarmee wordt volgens eiser onvoldoende ingegaan op de concrete vraag of eiser bij terugkeer, mede gelet op het claimakkoord onder artikel 18, eerste lid, aanhef en onder c, van de Dublinverordening, feitelijk onmiddellijk toegang zal hebben tot opvang en noodzakelijke psychische zorg. De motivering dat hij in België kan klagen is volgens eiser ook ontoereikend. Een abstracte verwijzing naar een klachtmogelijkheid volstaat niet wanneer juist is aangevoerd dat bij opvolgende of hervatte procedures problemen bestaan met toegang tot opvang en met de effectiviteit van rechtsmiddelen. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt is door eiser gewezen op twee uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaatsen Utrecht (Voetnoot 7) en Middelburg (Voetnoot 8) van respectievelijk 2 en 4 juni 2026.

6.1.

De minister betoogt dat na de brief van de Belgische autoriteiten van 5 februari 2026 weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van België. Op 5 februari 2026 heeft de directeur-generaal van Fedasil (de Belgische overheidsinstelling die verantwoordelijk is voor de opvang) namelijk een brief gestuurd over de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers. Hieruit volgt dat er al een lange tijd veel minder mannen op de doorstroomlijst staan voor een plek in de regulier opvang. Het aantal personen op deze lijst neemt steeds verder af. De minister wijst erop dat de gemiddelde doorstroomtijd nu 3,5 maand is. Het aantal personen op de doorstroomlijst was ten tijde van de Afdelingsuitspraak 2.513, terwijl er op 1 juni 2026 nog maar 1.043 personen op deze lijst staan. Dit onderstreept volgens de minister het beeld dat sprake is van een structurele (en continuerende) afname. Ook volgt uit deze brief dat er in België een groot netwerk voor nood- en daklozenopvang is. Zo zijn er 2.000 plaatsen in een noodopvang in Brussel, waar mannen op de doorstsroomlijst tijdelijk kunnen verblijven. Alleenstaande mannelijke Dublinclaimanten kunnen dus feitelijk toegang krijgen tot een (nood)opvangplaats in België als ze op de doorstroomlijst staan. Deze mannen krijgen daarbij genoeg basishulp die nodig is om te kunnen leven. Uit de brief volgt dat de Belgische autoriteiten veel moeite doen om de problemen in de opvang op te lossen. Er is dus geen sprake meer van tekortkomingen in de opvangvoorzieningen in België zoals ten tijde van de uitspraak van de Afdeling. Nu de opvangsituatie in België verbeterd is, zijn de problemen met betrekking tot het aanwenden van een effectief rechtsmiddel niet meer van belang. Tijdens de zitting verwijst de minister in aanvulling hierop naar het arrest N.H. e.a. tegen Frankrijk (Voetnoot 9) van het EHRM (Voetnoot 10). De minister betoogt hierbij dat zelfs al zou sprake zijn van tekortkomingen in de opvang in België, dan volgt uit dit arrest dat dit niet leidt tot een gebrek die de hoge drempel van het arrest Jawo (Voetnoot 11) haalt.

6.2.

De rechtbank begrijpt het beroep van eiser zo dat hij ook betwist dat in zijn algemeenheid ten aanzien van België van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan met betrekking tot niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke asielzoekers. Dit is door eiser ter zitting bevestigd. De rechtbank zal eerst deze grond bespreken.

6.3.

De rechtbank stelt voorop dat eisers asielaanvraag bij terugkeer naar België – gelet op de acceptatiegrond van het terugnameverzoek – door de Belgische autoriteiten waarschijnlijk niet zal worden aangemerkt als opvolgende aanvraag. De minister heeft dit ter zitting bevestigd.

6.4.

Het uitgangspunt is dat er op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel vanuit wordt gegaan dat de lidstaten van de Europese Unie hun unierechtelijke en internationale verplichtingen tegenover asielzoekers nakomen. De Afdeling is bij uitspraak van 23 juli 2025 in zoverre teruggekomen van haar eerdere oordeel in de uitspraak van 13 maart 2024. (Voetnoot 12) Volgens de Afdeling kan voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen niet langer uitgegaan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van België. De Afdeling heeft daarbij onder andere betekenis toegekend aan de langdurige opvangproblemen in België en de omstandigheid dat voor deze groep geen effectief rechtsmiddel beschikbaar was. Gelet op de conclusie van de Afdeling in deze uitspraak is de rechtbank van oordeel dat het in eerste instantie aan de minister is om te onderbouwen en aannemelijk te maken dat inmiddels voor niet-kwetsbare alleenstaande mannen weer kan worden uitgegaan van het interstatelijke vertrouwensbeginsel ten aanzien van België.

6.5.

In dit kader verwijst de minister naar de brief van Fedasil van 5 februari 2026, die als bijlage is opgenomen bij Informatiebericht (IB) 2026/8. Hierin staat, voor zover relevant, het volgende:

In zijn huidige vorm voorziet het samenwerkingsakkoord in 2.000 humanitaire opvangplaatsen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, waarvan 1.800 generieke plaatsen en 200 plaatsen voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Binnen dit totaal gaat het om 600 structurele opvangplaatsen en 1.400 bufferplaatsen die flexibel kunnen worden naargelang de opvangnoden. Deze capaciteit is niet exclusief bestemd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en wordt ook ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.

In de reguliere federale opvang verbleven op 23 januari 2026 in totaal 9.742 alleenstaande mannen. Fedasil beschikt niet over een volledig overzicht van alle nood- en daklozenopvangplaatsen in België, aangezien dit geen federale bevoegdheid is.

Alleenstaande mannelijke verzoekers die niet onmiddellijk kunnen instromen in het reguliere federale opvangnetwerk van Fedasil, kunnen tijdelijk gebruikmaken van de opvangplaatsen in het kader van het samenwerkingsakkoord met het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het gaat hierbij om personen die op de zogenaamde “wachtlijst” staan, die in de praktijk een “doorstroomlijst” is: gemiddeld stromen zij na ongeveer 3,5 maanden na indiening van het verzoek om internationale bescherming door naar het reguliere federale opvangnetwerk. Het aantal personen op deze lijst is op 1 jaar tijd bijna gehalveerd en zakte op 2 juni 2025 voor het eerst onder de 2.000. Op 27 januari 2026 stonden nog 1.535 personen op de lijst, met een dalende trend die zich structureel verderzet.

Aangezien het aantal personen op deze “doorstroomlijst” reeds geruime tijd structureel en significant lager ligt dan de beschikbare capaciteit van 2.000 plaatsen met een verder dalende trend, kan worden vastgesteld dat alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats kunnen beschikken.

6.6.

De rechtbank is allereerst van oordeel dat uit deze brief niet duidelijk blijkt dat na de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2025 door de Belgische autoriteiten iets is gedaan voor de opvang van niet-kwetsbare alleenstaande mannen. Er zouden weliswaar 2.000 humanitaire opvangplaatsen zijn gerealiseerd via het samenwerkingsakkoord, maar het is voor de rechtbank onduidelijk of deze opvangplaatsen zijn gerealiseerd na deze uitspraak van de Afdeling. Immers, in het AIDA Country Report van juni 2025 (Voetnoot 13) en juli 2026 (Voetnoot 14) wordt gesproken over 2.000 extra opvangplaatsen in het Brusselse Gewest als gevolg van de zogenaamde ‘Brusselse Deal’. Deze plaatsen zijn echter al in 2022 (dus ruim voor de uitspraak van de Afdeling) gerealiseerd. Uit de brief van Fedasil van 5 februari 2026 volgt niet wanneer deze plaatsen zijn gerealiseerd. Het lijkt erop dat dit dezelfde plaatsen zijn als genoemd in de AIDA-rapporten. Dit betekent dat deze plaatsen dus niet zijn gerealiseerd na de uitspraak van de Afdeling. De minister heeft dit ter zitting ook met zoveel woorden bevestigd. Dit betekent dat – anders dan de minister lijkt te schetsen – de Belgische autoriteiten na de eerdergenoemde uitspraak van de Afdeling niet meer opvangplaatsen hebben gerealiseerd.

6.7.

Daar komt bij dat de rechtbank van oordeel is dat de minister onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er voor alle niet-kwetsbare alleenstaande mannen een plek is in de opvang. Fedasil concludeert in de eerdergenoemde brief dat er minder personen op de doorstroomlijst staan dan er plekken zijn in de humanitaire opvangplaatsen van het Brusselse Hoofdstedelijk Gewest en dat daarom alle alleenstaande mannelijke verzoekers over een opvangplaats zouden kunnen beschikken. Deze conclusie kan echter niet zonder meer worden gevolgd. Uit de brief volgt dat van deze plaatsen 2.000 plaatsen er 200 plaatsen zijn bedoeld voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. De overige 1.800 plaatsen zijn ook niet exclusief bedoeld voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers. Dit volgt uit de volgende passage van de brief:

Deze capaciteit is niet exclusief bestemd voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers en wordt ook ingezet voor andere doelgroepen, waaronder niet-begeleide minderjarige vreemdelingen.

Deze 1.800 opvangplaatsen kunnen dus ook door anderen dan niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers worden gebruikt. Uit de brief van Fedasil noch uit andere informatie van de minister volgt hoeveel van deze plekken worden benut door anderen dan niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers. Het kan dus zijn dat bijvoorbeeld 1.799 plaatsen worden gebruikt door gezinnen en minderjarigen en slechts één plaats beschikbaar is voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers. In dat geval kunnen niet alle personen op de doorstroomlijst beschikken over een opvangplek in deze noodopvang. Daarbij leidt de rechtbank uit de brief van 5 februari 2025 af dat alle personen op deze doorstroomlijst niet-kwetsbare alleenstaande mannen moeten zijn, nu kwetsbare personen wel direct worden toegelaten tot de reguliere opvang. Uit de brief volgt verder niet dat Fedasil is nagegaan of alle alleenstaande niet-kwetsbare mannelijke verzoekers die op de doorstroomlijst staan daadwerkelijk gebruik kunnen maken van deze noodopvang. Fedasil volstaat immers met de algemene constatering dat er minder mensen op de doorstroomlijst staan dan het aantal plaatsen in de noodopvang, zonder dat daarbij kenbaar rekening wordt gehouden met het feit dat de 1.800 plaatsen niet exclusief beschikbaar zijn voor niet-kwetsbare alleenstaande mannelijke verzoekers. Daardoor is het voor de rechtbank onduidelijk of alle verzoekers die op de doorstroomlijst staan daadwerkelijk gebruik kunnen maken van deze noodopvang plaatsen. Niet is gebleken dat de minister hier nader onderzoek naar heeft gedaan door hierover bijvoorbeeld een vraag te stellen aan Fedasil. Bovendien volgt uit het eerdergenoemde AIDA-rapport dat verzoekers om internationale bescherming geen voorrang krijgen bij deze plaatsen in de noodopvang en dat ondanks deze 2.000 plaatsen in de noodopvang er een groot tekort is in de opvangvoorzieningen. (Voetnoot 15)

6.8.

Nu de minister niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor alle niet-kwetsbare alleenstaande asielzoekers een plek in de opvang is, bestaat er een grote kans dat deze personen verstoken blijven van opvang. Verder geldt dat er een wachttijd is van gemiddeld 3,5 maand voor toegang tot de reguliere opvang. Dit betekent dat een niet-kwetsbare alleenstaande asielzoeker waarvoor geen plek is in de noodopvang waarschijnlijk 3,5 maand op straat belandt. Dit volgt ook uit de eerdergenoemde AIDA-rapporten. Zo volgt hieruit ook dat verzoekers die geen opvang krijgen op straat belanden en in een precaire situatie terechtkomen. (Voetnoot 16) Ook blijkt uit het AIDA-rapport van juli 2026 dat Vluchtelingenwerk Vlaanderen zich fel verzet tegen de conclusie van de Nederlandse autoriteiten dat overdrachten van alleenstaande mannen naar België kunnen worden hervat omdat de Belgische overheid garanties heeft gegeven dat de opvangsituatie is verbeterd. Volgens Vluchtelingenwerk Vlaanderen krijgen niet-kwetsbare alleenstaande mannen gedurende deze wachttijd niet automatisch een opvangplek in Brussel. (Voetnoot 17) De rechtbank is dan ook van oordeel dat ondanks de informatie in de brief van 5 februari 2026 de kern van de kritiek van de Afdeling in rechtsoverweging 5.3 tot en met 5.3.4 en 5.6 van de uitspraak van 25 juli 2025 overeind blijft. Gelet op deze rechtsoverwegingen kan de ter zitting gegeven toelichting van de minister dat er ten tijde van de uitspraak van de Afdeling sprake was van 2.513 personen op de doorstroomlijst, wat de maximale capaciteit van 2.000 oversteeg, en dat er daarom in die periode niet voor iedereen opvang was, geen doel treffen. Ook hieruit blijkt immers niet hoeveel niet-kwetsbare alleenstaande mannen er op dat moment daadwerkelijk gebruik konden maken van de 2.000 humanitaire opvangplaatsen.

6.9.

Bovendien lijkt de informatie in de brief van Fedasil in strijd met de informatie die de minister kennelijk eerder heeft gekregen, zoals ook volgt uit voornoemde uitspraak van de Afdeling (Voetnoot 18). Hierin staat dat uit de reactie die de minister op 23 maart 2025 heeft ontvangen van de Belgische autoriteiten volgt dat zij de ambitie hebben om de opvangcapaciteit geleidelijk af te bouwen. Dit volgt ook uit de eerdergenoemde AIDA-rapporten. (Voetnoot 19) Niet is gebleken dat de minister hier navraag of onderzoek naar heeft gedaan. Daardoor is onduidelijk of er daadwerkelijk sprake is van meer opvangplaatsen en het eerder vastgestelde tekort is verkleind. Uit de AIDA-rapporten lijkt juist te volgen dat er in België inmiddels minder opvangplekken zijn dan er eerder waren en dat er forse bezuinigingen zijn gepland op dit vlak.

6.10.

De rechtbank is gelet op het voorgaande van oordeel dat de brief van Fedasil, en daarmee dus ook de minister omdat die naar deze brief verwijst, (nog) onvoldoende zekerheid en duidelijkheid geeft over de asielopvangcapaciteit van België. De rechtbank kan uit de brief niet opmaken of alle niet-kwetsbare mannelijke asielzoekers in heel België die behoefte hebben aan opvang, daadwerkelijk een opvangplek krijgen. Dit is ook uit de nadere toelichting tijdens de zitting niet gebleken. De brief geeft daarnaast ook geen inzicht in het aantal asielzoekers dat in heel België in de nood- en daklozenopvang zit en het totaal aantal opvangplaatsen en tekorten. Terwijl uit de eerdergenoemde AIDA-rapporten blijkt dat sprake is van structurele tekorten. (Voetnoot 20) Hierdoor blijft er naar het oordeel van de rechtbank te veel onzekerheid bestaan over het aantal beschikbare plekken voor niet-kwetsbare alleenstaande asielzoekers. De rechtbank vindt hierbij van belang dat de Afdeling in haar uitspraak van 23 juli 2025 ook al tot de conclusie kwam dat het onduidelijk was hoeveel plaatsen er daadwerkelijk beschikbaar waren in de nood- en daklozenopvang voor niet-kwetsbare alleenstaande asielzoekers, waardoor het ook onduidelijk was hoeveel niet-kwetsbare alleenstaande asielzoekers daar verbleven. De brief van Fedasil, en daarmee ook de minister die zich daarop baseert ter onderbouwing van zijn standpunt, heeft deze onduidelijkheid niet weggenomen. Het feit dat het aantal personen op de doorstroomlijst afneemt, is onvoldoende.

6.11.

Voor zover de minister zich ter zitting onder verwijzing naar het arrest N.H. e.a. tegen Frankrijk op het standpunt heeft gesteld dat opvangplaatsen niet gegarandeerd moeten zijn, wordt dit door de rechtbank niet gevolgd. Weliswaar volgt uit punt 160 van dit arrest dat een lidstaat niet is gehouden om aan eenieder die onder zijn jurisdictie valt een recht op huisvesting te garanderen, maar een recht op huisvesting is meer omvattend dan opvang gedurende de asielprocedure. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat het EHRM in het door de minister aangehaalde arrest een schending van artikel 3 van het EVRM (Voetnoot 21) heeft aangenomen in het geval van drie alleenstaande mannen, niet zijnde Dublinclaimanten, die in afwachting van het indienen van hun asielaanvraag in België geen aanspraak konden maken op opvang en andere voorzieningen omdat zij niet de status hadden van asielzoeker. Bovendien heeft het EHRM in het arrest van 9 april 2026 (Voetnoot 22) België nog veroordeeld wegens schending van artikel 3 van het EVRM voor onder andere het maandenlang niet verstrekken van opvang aan verzoekers om internationale bescherming. Daar komt nog bij dat uit het arrest Changu (Voetnoot 23) van het HvJ-EU volgt dat er altijd opvang dient te zijn die onvoorwaardelijk is. Voor zover de minister heeft willen betogen dat als asielzoekers een korte tijd verstoken zijn van opvang dit niet leidt tot een situatie als bedoeld in het arrest Jawo, verwijst de rechtbank naar wat is overwogen onder 6.8.

6.12.

Gelet op het voorgaande is met de huidige onderbouwing van het bestreden besluit onvoldoende zeker of ten aanzien van België weer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Het bestreden besluit is daarom onvoldoende gemotiveerd en in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel. De beroepsgrond slaagt.

Conclusie en gevolgen

7. Alleen al op grond van het voorgaande is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Dit betekent dat de overige beroepsgronden geen bespreking behoeven. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen.

7.1.

De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak.

7.2.

Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten.

De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. (Voetnoot 24) Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 27 mei 2026;

- draagt de minister op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van C. van Osch, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 augustus 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Verordening (EU) nr. 604/2013.

Voetnoot 2

Verordening (EU) nr. 2024/1351.

Voetnoot 3

Dit volgt uit artikel 84, tweede lid, van de AMBV.

Voetnoot 4

Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (oud).

Voetnoot 5

Uitspraak van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3305.

Voetnoot 6

ECLI:NL:RBDHA:2026:5885.

Voetnoot 7

ECLI:NL:RBDHA:2026:14893.

Voetnoot 8

Eiser heeft hiervan geen ECLI-nummer vermeld.

Voetnoot 9

Arrest van 2 juli 2020, ECLI:CE:ECHR:2020:0702JUD002882013.

Voetnoot 10

Europese Hof voor de Rechten van de Mens.

Voetnoot 11

Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218.

Voetnoot 12

ECLI:NL:RVS:2024:896.

Voetnoot 13

P. 117.

Voetnoot 14

P. 111.

Voetnoot 15

Zie de pagina’s 117 van het rapport van juni 2025 en 111 van het rapport van juli 2026.

Voetnoot 16

Zie de pagina’s 116 van het rapport van juni 2025 en 112 van het rapport van juli 2026.

Voetnoot 17

Zie pagina 64 van het rapport van juli 2026.

Voetnoot 18

In rechtsoverweging 5.3.2.

Voetnoot 19

Zie de pagina’s 145 van het rapport van juni 2025 en 111 van het rapport van juli 2026.

Voetnoot 20

Zie de pagina’s 145 van het rapport van juni 2025 en 108 en 110 van het rapport van juli 2026.

Voetnoot 21

Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.

Voetnoot 22

Nr. 52836/22.

Voetnoot 23

ECLI:EU:C:2024:748, rechtsoverwegingen 76 t/m 78.

Voetnoot 24

Eiser krijgt hiervoor 2 punten, met een waarde per punt van € 934,-, met wegingsfactor 1.