Vreemdelingenrecht
Art. 3 EVRM, art. 4 Handvest, art. 17 Dvo, indirect refoulement
Rechtbank Den Haag, 16 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:31460 · Rechtbank Den Haag · 16 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-31460
Zaakgegevens
Op 16 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Den Haag
- Datum uitspraak
- 16 oktober 2026
- Datum publicatie
- 26 oktober 2026
- Zaaknummer
- NL26.32741 en NL26.32742
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:31460
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Art. 3 EVRM, art. 4 Handvest, art. 17 Dvo, indirect refoulement
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL26.32741 en NL26.32742
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser/verzoeker (hierna: eiser)
(gemachtigde: mr. M. Drenth),
en
de minister van Asiel en Migratie, verweerder (hierna: de minister)
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De voorzieningenrechter beoordeelt in deze uitspraak het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 9 juni 2026 niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
Beoordeling door de rechtbank
Geen zitting
2. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. Het beroep is namelijk kennelijk ongegrond. Hieronder legt de rechtbank dit uit.
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1992 te zijn geboren. De minister heeft de asielaanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de behandeling daarvan.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Allereerst stelt eiser dat de inhoud van alle genoemde processtukken als overgenomen en toegevoegd dient te worden beschouwd. Eiser stelt dat overdracht naar Frankrijk in strijd is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Verder beroept eiser zich op artikel 17 van de Dublinverordening. Volgens eiser is rechtsbijstand in Frankrijk niet gegarandeerd en is hij de taal niet machtig. Eiser stelt dat hij veel stress ervaart vanwege zijn onzekere toekomst en dat hij als alleenstaande jonge man als kwetsbaar is te noemen. Tot slot vreest eiser dat hij bij terugkeer naar Frankrijk zonder opvang zal raken en teruggestuurd zal worden naar Somalië. Ook vreest eiser in Frankrijk in vreemdelingenbewaring terecht te komen.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de procedure naar voren heeft gebracht, kan de rechtbank niet afleiden waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
6. De rechtbank stelt vast dat verweerder in beginsel ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit mag gaan. Dit is door de Afdelinghet meest recent bevestigd in de uitspraken van 20 augustus 2026 en 31 juli 2025. Dit betekent dat ervan mag worden uitgegaan dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Het is aan eiser om aannemelijk te maken dat er dusdanige tekortkomingen zijn in het asiel- en opvangsysteem dat hier niet langer vanuit kan worden gegaan. Door enkel te stellen - en niet te onderbouwen - dat rechtsbijstand niet is gegarandeerd en hij vreest dat hij in Frankrijk zonder opvang zal geraken heeft eiser dit niet gedaan. Dit betekent dat er vanuit mag worden gegaan dat Frankrijk bij de behandeling van asielzoekers zijn internationale verplichtingen zal nakomen.
7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister ook geen aanleiding hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd is niet gebleken van zodanige bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Frankrijk van onevenredig hardheid getuigt. De minister is in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op wat eiser heeft verklaard over zijn persoonlijke situatie in Frankrijk. Mocht eiser in Frankrijk problemen ervaren, dan dient hij zich hiervoor te wenden tot de (hogere) Franse autoriteiten. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit voor hem niet mogelijk is of dat de Franse autoriteiten hem niet zouden kunnen of willen helpen.
8. Voor zover eiser vreest na overdracht aan Frankrijk teruggestuurd te worden naar zijn land van herkomst, overweegt de rechtbank dat de Afdeling in de uitspraak van 12 juni 2024, als gevolg van het arrest van het Hof van 30 november 2023, heeft geoordeeld dat binnen de kaders van onderhavige procedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan ten aanzien van het betreffende land. Zoals hiervoor overwogen is dat niet het geval.
Conclusie en gevolgen
9. De beroepsgronden slagen niet. De rechtbank twijfelt hier niet over. Daarom is het beroep kennelijk ongegrond.
10. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit, wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
11. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. D.C. Laagland, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van M. Ramdihal, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak op het beroep, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.