Vreemdelingenrecht
Vw 2000. AMBV, Dublinverordening. Frankrijk. Discretionaire bevoegdheid. De rechtbank is van oordeel dat de…
Rechtbank Den Haag, 30 oktober 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:32357 · Rechtbank Den Haag · 30 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-32357
Zaakgegevens
Op 30 oktober 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- 's-Hertogenbosch
- Datum uitspraak
- 30 oktober 2026
- Datum publicatie
- 4 november 2026
- Zaaknummer
- 26.37547
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:32357
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Vw 2000. AMBV, Dublinverordening. Frankrijk. Discretionaire bevoegdheid.
De rechtbank is van oordeel dat de minister ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Verder is de rechtbank van oordeel dat eiser ook een beroep toekomt op artikel 17 Dublinverordening. De minister heeft hierover ten onrechte geen standpunt ingenomen, zodat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd.
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats ’s-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.37547
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [nummer], eiser
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigden: mr. J.J.F.M. van Raak en mr. W. van Hoof).
Samenvatting
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag door de minister. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is. De reden daarvoor is dat de minister zijn standpunt omtrent de discretionaire bevoegdheid – meer in het bijzonder de vraag of sprake is van een onevenredige hardheid in het geval van een overdracht van eiser aan Frankrijk – niet heeft gemotiveerd. Eiser krijgt dus gelijk. Het bestreden besluit wordt vernietigd en de rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag van eiser.
Procesverloop
Met het besluit van 30 juni 2026 heeft de minister asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen en eiser – onder toepassing van de Asiel- en migratiebeheerverordening (Verordening EU nr. 2024/1351) – een overdrachtsbesluit voor Frankrijk opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 30 juni 2026 (hierna: het bestreden besluit). Daarbij heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen (NL26.37548).
Eiser heeft op 16 juli 2026 beroepsgronden en op 28 september 2026 aanvullende beroepsgronden ingediend. Op 29 september 2026 heeft eiser een pleitnota ingediend.
De rechtbank heeft de zaken in eerste instantie op 29 september 2026 op zitting gepland. Tijdens deze zitting zijn verschenen mr. M. van den Boom-Ulyashina, kantoorgenoot van eisers gemachtigde en de gemachtigde van de minister, mr. J.J.F.M. van Raak. Eiser is niet verschenen, omdat hij per ongeluk naar Heerhugowaard is gereisd voor de rechtbankzitting, zo is namens eiser toegelicht. Namens eiser is verzocht om de zaak op een nieuwe zitting te plannen.
De zaken zijn vervolgens op de zitting op 29 oktober 2026 behandeld. Eiser is hier opnieuw niet verschenen. Verschenen zijn mr. M. van den Boom-Ulyashina, kantoorgenoot van eisers gemachtigde, de gemachtigde van de minister (mr. W. van Hoof) en de tolk, mw. A. Suz Daltseva (tolkennummer 1922)
Beoordeling door de rechtbank
Feiten en omstandigheden
1. Eiser heeft de Russische nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1987. Hij heeft op 4 mei 2026 bij de minister een asielaanvraag ingediend. De minister heeft naar aanleiding van die asielaanvraag onderzoek in – onder meer – Eurodac verricht. Hieruit bleek onder meer dat eiser eerder in Frankrijk verzoeken om internationale bescherming heeft ingediend. Daarop heeft de minister bij de Franse autoriteiten een claim gelegd, die op 17 juni 2026 is geaccordeerd op grond van artikel 18, eerste lid, onder d, van de Dublinverordening.
2. De minister heeft een aanmeldgehoor gehouden met eiser op 3 juni 2026. Tijdens dit gehoor heeft eiser – voor zover hier van belang – het volgende verklaard. Eiser is eerder in de situatie geweest dat hij naar Frankrijk werd overgedragen (vanuit Polen). Vervolgens was hij in Frankrijk een dakloos persoon; zonder gezin krijg je geen dak boven je hoofd. Eiser moest op straat slapen tussen de verslaafden, in de nacht was dat levensgevaarlijk. Eiser heeft in Frankrijk een negatieve beschikking ontvangen en heeft een inreisverbod gekregen. Eiser wil graag in Nederland zijn vanwege de mensenrechten. Hij wil de Nederlandse taal leren en een normaal leven leiden.
Het bestreden besluit
3. Nadat de minister daartoe op 5 juni 2026 een voornemen heeft uitgebracht heeft hij met het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen en eiser – onder toepassing van de Asiel- en Migratiebeheerverordening (hierna: AMBV) – een overdrachtsbesluit voor Frankrijk opgelegd. De minister stelt zich op het standpunt dat Frankrijk verantwoordelijk is voor de asielaanvraag en dat het claimakkoord juist en volledig is. Verder vindt de minister dat hij ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan uitgaan. De minister wijst op een aantal uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) waarin dat is overwogen. Er is volgens de minister geen reden om aan te nemen dat in Frankrijk sprake is van structurele tekortkomingen in de asielprocedure en opvangvoorzieningen die de bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid halen, zoals bedoeld in het arrest Jawo van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ-EU) van 19 maart 2019 (ECLI:EU:C:2019:218). Eiser heeft niet met stukken aannemelijk gemaakt dat de situatie in Frankrijk door die ondergrens zakt. Alleen zijn verklaringen zijn daartoe onvoldoende. Dat eisers asielaanvraag in Frankrijk is afgewezen, dat hij een inreisverbod heeft gekregen en dat hij op straat heeft geleefd, betekent niet dat Frankrijk zich niet aan de regels houdt. Verder stelt de minister dat Frankrijk met het claimakkoord heeft beloofd om eisers asielaanvraag inhoudelijk in behandeling te nemen. Mocht eiser problemen ervaren in Frankrijk, dan ligt het op zijn weg om daarover te klagen bij de autoriteiten. Niet is gebleken dat dit niet mogelijk is voor eiser.
Standpunt eiser
4. Eiser heeft op de hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Beoordeling rechtbank
5. De rechtbank beoordeelt of de minister het bestreden besluit terecht heeft genomen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden (de argumenten) van eiser.
Toepasselijk recht
6. Eiser voert aan dat in het bestreden besluit ten onrechte de AMBV is toegepast. Eiser heeft op 4 mei 2026 asiel aangevraagd, en daarom had de asielaanvraag volgens eiser moeten worden afgedaan onder de Dublinverordening. Frankrijk heeft het terugnameverzoek ook aanvaard op grond van artikel 18, eerste lid, onder d van de Dublinverordening. Eiser stelt zich daarom op het standpunt dat de minister niet de voor eiser nadelige gevolgen van de AMBV kan toepassen.
7. Artikel 84, tweede lid, van de AMBV bepaalt dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een vóór 12 juni 2026 ingediend verzoek om internationale bescherming, wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria.
8. Op grond van artikel IX van de Uitvoerings- en implementatiewet Asiel- en migratiepact 2026 blijven op aanvragen tot het verlenen van een asielvergunning ingediend vóór 12 juni 2026 – voor zover hier relevant – de voorschriften gesteld bij of krachtens de Vreemdelingenwet 2000 van vóór 12 juni 2026 van toepassing.
9. Het verzoek van eiser om internationale bescherming is ingediend vóór 12 juni 2026. Dat betekent dat de vraag welke lidstaat verantwoordelijk is, op grond van het overgangsrecht wordt bepaald volgens de in de Dublinverordening vastgelegde criteria. De rechtbank neemt aan dat hiermee in elk geval de verantwoordelijkheidscriteria uit hoofdstuk III van de Dublinverordening (artikel 7 tot en met 15), de bepalingen over afhankelijke personen en discretionaire bepalingen uit hoofdstuk IV (artikel 16 en 17) alsmede enkele procedure bepalingen (artikel 29) van de Dublinverordening worden bedoeld. En om effectieve rechtsbescherming te kunnen waarborgen zal de rechtbank niet de beperking van de draagwijdte van het rechtsmiddel toepassen als bedoeld in artikel 43 van de AMBV. De rechtbank ziet zich daarbij gesteund in de uitspraak van de Afdeling van 7 oktober 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:5867) waarin is geoordeeld dat, in afwachting van de gestelde prejudiciële vragen aan het Hof, voorlopig een ruime uitleg wordt gegeven aan de rechtsbescherming van betrokkenen in het kader van het AMBV-overgangsrecht.
10. Het voorgaande heeft concreet tot gevolg dat de rechtbank verderop in deze uitspraak wél zal kunnen ingaan op het betoog van eiser dat ten onrechte geen toepassing is gegeven aan de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening en de daarop gebaseerde beleidsregels.
11. Voor het overige heeft de minister het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank terecht gebaseerd op de AMBV. Eiser heeft ook niet concreet onderbouwd waarom dit niet zou mogen, dan wel waarom de gevolgen hiervan onrechtmatig zouden zijn.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel; opvangsituatie Frankrijk
12. Eiser voert aan dat door de minister onvoldoende is gemotiveerd dat ten aanzien van eiser van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. In Frankrijk is eisers aanvraag eerder afgewezen en is hij op straat terecht gekomen. Hij beschikt niet over familie, een sociaal netwerk of een opvangadres. Eiser wijst erop dat in het AIDA-rapport (update 2025) is opgenomen dat de steun en ondersteuning voor Dublinterugkeerders in Frankrijk ingewikkeld blijft en dat zij bij aankomst zelfstandig naar de prefectuur moeten reizen. Eiser wijst er ook op dat in dit rapport staat vermeld dat eind 2025 slechts 20.2% van de Dublinterugkeerders opvang kregen in Frankrijk. Eiser verwijst in dit verband voorts naar een uitspraak van deze rechtbank zittingsplaats Zwolle, van 20 juli 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:20279).
13. Uitgangspunt is dat de minister, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, ervan mag uitgaan dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser nakomt. Het vermoeden dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen is weerlegbaar. Het ligt daarbij in de eerste plaats op de weg van eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Frankrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Franse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het EU-Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daartoe kan hij objectieve (landen)informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk overleggen en/of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen met het asiel- en opvangsysteem in Frankrijk. Van een schending van artikel 4 van het EU-Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, als eiser aannemelijk maakt dat sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, pas sprake zijn indien die tekortkomingen een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken. Bij voornoemde beoordeling is de in aanmerking te nemen situatie die waarin de
betrokkene – die als ‘Dublinclaimant’ (tegenwoordig: AMBV-claimant) wordt overgedragen – zich bij of na de overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat zou bevinden. De rechtbank verwijst daarbij naar het arrest X van het HvJ-EU van 29 februari 2024
14. De Afdeling heeft in – onder meer – de uitspraken van 31 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:3623), 9 oktober 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:4854), 13 februari 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:786) en 20 augustus 2026 (ECLI:NL:RVS:2026:4827) geoordeeld dat de minister ten aanzien van Frankrijk van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Wat betreft het door eiser aangehaalde AIDA-rapport (update 2025) heeft de Afdeling in de voornoemde uitspraak van 20 augustus 2026 overwogen dat dit rapport geen wezenlijk ander beeld schetst over de situatie in Frankrijk dan in eerdere uitspraken is betrokken. De rechtbank heeft geen aanleiding om daarover anders te oordelen dan de Afdeling. Wat betreft de door eiser genoemde opvangproblematiek en het in het AIDA-rapport genoemde percentage verwijst de rechtbank naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 15 september 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:31699). Kort gezegd heeft de rechtbank in die uitspraak overwogen dat uit dit AIDA-rapport volgt dat sprake is van een (lichte) verbetering in de totale aantallen gehuisveste asielzoekers in Frankrijk ten opzichte van het jaar daarvoor, dat de rechtbank het in het rapport genoemde percentage van 20.2% zo leest dat dit betrekking heeft op asielzoekers die in Frankrijk in de Dublinprocedure worden behandeld en niet op Dublinterugkeerders, dat uit het rapport niet blijkt dat de omstandigheden in de verschillende vormen van asielopvang in Frankrijk dusdanig zijn dat moet worden geoordeeld dat redelijkerwijs niet wordt voorzien in de meest elementaire levensbehoeften in de zin van het arrest Jawo en – tot slot – dat uit het rapport blijkt dat de Franse autoriteiten recent pogingen hebben gedaan om meer opvangplekken te creëren, zodat van onverschilligheid van de autoriteiten naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende sprake is. De rechtbank voegt hier nog aan toe dat uit het AIDA-rapport ook niet blijkt dat het voor betrokkenen niet effectief mogelijk is om te klagen bij de autoriteiten of rechterlijke colleges in Frankrijk ten aanzien van vermeende problemen bij het verkrijgen van opvang. De rechtbank onderkent wel dat uit het AIDA-rapport blijkt dat in Frankrijk sprake is van een zorgelijke situatie met tekorten in de opvang, maar vindt dus niet dat uit het meest recente AIDA-rapport blijkt dat de situatie thans door de ondergrens zakt. Veeleer lijkt sprake van enige verbeteringen in de voorbije periode.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel; achtergrond van eiser als Tsjetsjeen
15. Eiser brengt verder naar voren dat de minister heeft volstaan met een algemene verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de formele verantwoordelijkheid van Frankrijk. Hij heeft niet kenbaar beoordeeld waarom in het specifieke geval van eiser, met zijn Tsjetsjeense achtergrond en veelvuldige eerdere procedures, kan worden uitgegaan van een adequate behandeling in Frankrijk. Er wordt in het geheel niet ingegaan op de individuele omstandigheden van eiser.
16. Voor een meer individuele beoordeling van de vraag of in het specifieke geval van eiser – gelet op de door hem genoemde kenmerken van zijn persoon – wel van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag worden uitgegaan, ziet de rechtbank geen aanleiding. Het ligt in de eerste plaats immers op de weg van eiser om objectieve informatie over te leggen waaruit zou volgens dat gezien deze persoonskenmerken de presumptie van interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van de betreffende personen niet op kan gaan. Zo heeft eiser bijvoorbeeld geen concrete informatie ingebracht waaruit volgt dat personen met een Tsjetsjeense herkomst op een bepaalde manier worden behandeld in de asielprocedure in Frankrijk. De verwijzing van eiser naar een artikel uit Le Monde van 31 oktober 2023 (“French interior minister dusts off plan to deport 'dangerous' Chechens”) treft in dit kader geen doel, omdat dit niet gaat over de behandeling van Tsjetsjenen in de asielprocedure. De rechtbank is dan ook van oordeel dat eiser met zijn betoog over zijn positie als Tsjetsjeense asielzoeker, geen concrete aanknopingspunten naar voren heeft gebracht voor het oordeel dat de Franse asielprocedure voor asielzoekers die tot “zijn groep” behoren systeemfouten bevatten in die zin dat hen een onheuse of ondeugdelijke behandeling staat te wachten (vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2133).
17. Gelet op wat hiervoor is overwogen slagen de beroepsgronden met betrekking tot de betwisting van het interstatelijk vertrouwensbeginsel niet.
Indirect refoulement
18. Eiser voert aan dat sprake is van een reëel risico op indirect refoulement als hij wordt overgedragen aan Frankrijk. Eiser verwijst naar een uitspraak van de Afdeling van 4 november 2020 (ECLI:NL:RVS:2020:2592) waaruit volgens hem afgeleid kan worden dat deze beoordeling wel kan worden verricht in de Dublinprocedure. Eiser wijst hierbij op zijn asielrelaas; hij is van Tsjetsjeense afkomst en vreest als aanhanger van een onafhankelijk Tsjetsjenië voor vervolging. Hij is verder ook persoonlijk opgeroepen voor het actualiseren van zijn militaire registratie; hiermee wordt duidelijk dat eiser geregistreerd staat bij de militaire Russische autoriteiten en persoonlijk in beeld is. Gelet op de beschikbare landeninformatie is dit een indicatie dat eiser te vrezen heeft. Eiser acht gezien deze context het besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Eiser heeft een omvangrijke geschiedenis met minstens 10 asielprocedures in verschillende lidstaten, zonder dat hem asiel is verleend. De vele procedures wijzen op een structureel falen van het systeem en een materieel beschermingstekort. Juist gelet hierop had het op de weg van de minister gelegen nader onderzoek te verrichten naar de actuele rechtspositie van eiser in Frankrijk. Hierdoor is onduidelijk of eiser wellicht een reëel risico loopt om door Frankrijk te worden uitgezet naar Rusland. Een kenbare beoordeling van dit refoulementrisico ontbreekt in de besluitvorming. De minister had meer onderzoek naar één en ander moeten doen; eiser verkeert zelf in evidente bewijsnood. Hij verblijft al lang buiten Rusland en heeft geen mogelijkheid officiële documenten uit Rusland te verkrijgen.
19. In de pleitnota – die voorafgaand aan de zitting aan het dossier is toegevoegd – heeft eiser zijn beroep op indirect refoulement verder onderbouwd. Onder verwijzing naar een aantal arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) over uitzettingen van Tsjetsjeense staatsburgers door Frankrijk aan Rusland (de arresten van 30 augustus 2022, nrs. 1348/21 en 49857/20) stelt eiser dat de minister in zijn motivering meer had moeten ingaan op het bijzondere profiel van eiser. Uit die arresten volgt dat het individuele profiel moet worden beoordeeld, met bijzondere aandacht voor personen die tot een risicocategorie behoren. Het risico moet worden beoordeeld aan de hand van alle omstandigheden van het geval en alle voorzienbare gevolgen van terugkeer. Ook heeft eiser zijn vrees bij terugkeer naar Rusland verder geconcretiseerd in de pleitnota. Hierbij wijst hij onder meer op ambtsberichten over Rusland en de Noordelijke Kaukasus. Eiser vreest voor de militaire dienst in Rusland. Hij is persoonlijk opgeroepen om zich bij het militair commissariaat in [stad] te melden en bij niet-verschijnen dreigt vervolging.
20. De rechtbank is van oordeel dat dit betoog van eiser geen doel kan treffen. Daartoe overweegt de rechtbank dat het HvJ-EU zich in het arrest van 30 november 2023 in de gevoegde zaken Ministero dell’Interno (ECLI:EU:C:2023:934) heeft uitgelaten over het toetsingskader van indirect refoulement in het kader van de Dublinprocedure. Hieruit volgt dat de rechtbank niet mag onderzoeken of er in Frankrijk een risico op schending van het beginsel van non-refoulement bestaat, wanneer de rechtbank niet vaststelt dat er in Frankrijk sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Meningsverschillen tussen de lidstaten over de uitlegging van de materiële voorwaarden voor internationale bescherming tonen niet aan dat er sprake is van systeemfouten. De Afdeling heeft dit in de uitspraak van 12 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2359), in navolging van het voornoemde arrest, bevestigd. Daarmee is ook duidelijk dat de benadering uit de door eiser aangehaalde Afdelingsuitspraak van 4 november 2020 niet langer geldt.
21. Het voorgaande betekent ook dat de minister niet meer onderzoek heeft hoeven doen naar de actuele rechtspositie van eiser in Frankrijk dan wel naar de asielmotieven van eiser. De minister mag erop vertrouwen dat Frankrijk zich aan zijn internationale verplichtingen houdt in het kader van de behandeling van het asielverzoek van eiser. De rechtbank zal daarom niet ingaan op het door eiser in deze procedure relatief uitvoerig geschetste asielmotief dat hij als Tsjetsjeen stelt te vrezen in Rusland, en er is als gevolg van het voorgaande evenmin reden voor de minister om eisers Tsjetsjeense profiel meer kenbaar in de beoordeling te betrekken in de hier bestreden besluitvorming. De door eiser in deze procedure ingebrachte inhoudelijke argumenten met betrekking tot zijn asielmotief dient hij dan ook in de Franse asielprocedure naar voren te brengen en zo nodig in beroep tegen een asielbeschikking bij de Franse rechterlijke colleges.
Discretionaire bevoegdheid
22. Eiser voert tot slot aan dat zijn asielaanvraag door Nederland dient te worden behandeld op grond van de discretionaire bevoegdheid van artikel 17 van de Dublinverordening. Dit gelet op het samenstel van omstandigheden, te weten zijn Tsjetsjeense afkomst, zijn gestelde politieke profiel, zijn lange asielproceduregeschiedenis, zijn gestelde vrees in Rusland en het concrete risico op indirect refoulement. Eiser wijst erop dat het hem vrijstaat om alle persoonlijke omstandigheden naar voren te brengen ter onderbouwing van zijn beroep op de discretionaire bevoegdheid (waarbij hij wijst op een uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717). Tijdens de zitting heeft eiser er nog op gewezen dat hij nooit in aanraking is geweest met politie en justitie en dat hij een partner in Nederland heeft. Er is onvoldoende onderzocht en gemotiveerd waarom geen gebruik wordt gemaakt van de discretionaire bevoegdheid.
23. Zoals onder 9 en 10 is overwogen zal de rechtbank wel ingaan op het betoog van eiser omtrent de discretionaire bevoegdheid. De rechtbank zal toetsen aan het beleid van de minister dat hij voerde onder de vigeur van artikel 17 van de Dublinverordening.
24. Op grond van paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc 2000) – zoals dat kort samengevat en voor zover hier van belang luidde tot 12 juni 2026 – maakt de minister terughoudend gebruik van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening, als Nederland daartoe op grond van in de verordening neergelegde criteria niet is verplicht. De minister gebruikt deze bevoegdheid onder meer indien bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van de betrokkene aan de andere lidstaat van een onevenredige hardheid getuigt. De rechtbank duidt de in dit kader door de minister te maken beoordeling hierna aan met de onevenredige hardheid-beoordeling.
25. Op grond van vaste rechtspraak van de Afdeling moet de bestuursrechter de beoordeling van de minister van de noodzaak tot het gebruik maken van de discretionaire bevoegdheid terughoudend toetsen. Deze terughoudende toetsing laat onverlet dat de rechter de besluitvorming moet toetsen aan de eisen die het recht daaraan stelt, met name wat betreft de zorgvuldigheid en kenbaarheid van de motivering (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 21 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1666).
26. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit geen onevenredige hardheid-beoordeling heeft verricht. De minister heeft daarin gemotiveerd dat hij geen gebruik maakt van de discretionaire bevoegdheid. Dit omdat hij dit in de regel niet doet, tenzij dit naar het oordeel van de minister om proceseconomische redenen. Daarvan is in dit geval niet gebleken. Met deze motivering wordt duidelijk dat de minister toepassing heeft gegeven aan het nieuwe, strengere beleid uit par. C2/3.3.6 van de Vc 2000. Omdat de minister gelet op wat eerder in deze uitspraak is overwogen echter een onevenredige hardheid-beoordeling had moeten maken omdat de asielaanvraag van eiser dateert van vóór 12 juni 2026, is het bestreden besluit niet van een deugdelijke motivering voorzien.
27. De rechtbank heeft tijdens de zitting de minister gelegenheid gegeven om een nadere motivering ten aanzien van de onevenredige hardheid te geven, voor het geval de rechtbank – vanwege de onder 9 genoemde Afdelingsuitspraak van 7 oktober 2026 – tot het oordeel zou komen dat artikel 17 van de Dublinverordening van toepassing is in deze zaak. De minister heeft daarop aangegeven dat hij zich hier even op wil beraden, waarna de rechtbank de zitting heeft geschorst om de minister hiertoe gelegenheid te geven. Na hervatting van het onderzoek ter zitting heeft de minister echter aangegeven dat het een principiële kwestie voor hem is en dat hij daarom geen nader standpunt zal innemen omtrent de discretionaire bevoegdheid.
28. Het voorgaande leidt ertoe dat de rechtbank moet oordelen dat het bestreden besluit op het punt van de discretionaire bevoegdheid niet van een draagkrachtige motivering is voorzien. Voor zover de minister subsidiair nog heeft willen verwijzen naar het voornemen waar in algemene zin is aangegeven dat niet gebleken is van een onevenredige hardheid, kan hem dat niet baten. Dit omdat uit het bestreden besluit duidelijk blijkt van een hernieuwd standpunt omtrent de discretionaire bevoegdheid, waarmee het voornemen op dit punt kennelijk is verlaten. Het bestreden besluit acht de rechtbank in dit verband leidend, nu daarmee de rechtsgevolgen definitief in het leven worden geroepen.
Conclusie en gevolgen
29. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit is in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt op om een nieuw besluit op de asielaanvraag moet nemen. De rechtbank kan de zaak niet zelf beslechten, omdat de minister nader dient te motiveren en de minister de gelegenheid die hij in dit verband heeft gekregen in de beroepsfase niet heeft benut.
30. De minister moet de proceskosten van eiser vergoeden. Deze vergoeding bepaalt de rechtbank – met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht – op € 1.868,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1,0; de rechtbank bepaalt dat enkel voor de zitting van 29 oktober 2026 een punt wordt verstrekt, nu de zaak niet daadwerkelijk op de zitting van 29 september 2026 is behandeld vanwege eisers afwezigheid). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 30 juni 2026;
- bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag van eiser met inachtneming van deze uitspraak;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen twee weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.