Civiel recht overig

Kort geding: ontruiming. Huurovereenkomst bepaalde tijd, aanzegplicht. Woonbegeleidingstraject. In…

Rechtbank Noord-Nederland, 22 september 2022

Zaakgegevens

Op 22 september 2022 heeft de Rechtbank Noord-Nederland in een bodemzaak uitspraak gedaan in een zaak over civiel recht.

Instantie
Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak
22 september 2022
Datum publicatie
26 januari 2023
Zaaknummer
10060100
Procedure
Bodemzaak
ECLI
ECLI:NL:RBNNE:2022:5318
E-mail
Inhoud van deze uitspraak

Samenvatting

Kort geding: ontruiming. Huurovereenkomst bepaalde tijd, aanzegplicht. Woonbegeleidingstraject. In redelijkheid geadviseerd om geen rechtstreekse huurovereenkomst aan te gaan.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Privaatrecht

Locatie Groningen

Zaak/rolnummer: 10060100 VV EXPL 22-81

Vonnis van de kantonrechter in kort geding van 22 september 2022

inzake

de stichting

Stichting Mensenwerk Hogeland,

statutair gevestigd te gemeente Aa en Hunze,

eiseres, hierna MWH te noemen,

gemachtigde mr. M. Melsen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

de Gemeente Groningen, handelend onder de naam Groningse Kredietbank, gevestigd te Groningen, in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [onderbewindgestelde], wonende te [woonplaats],

gedaagde, hierna GKB en [onderbewindgestelde] te noemen,

gemachtigde mr. F.H. Kappelhof.

1 Het procesverloop

1.1.

Op de in de inleidende dagvaarding genoemde gronden heeft MWH (zakelijk weergegeven) gevorderd de bewindvoerder van [onderbewindgestelde] q.q., bij wijze van voorlopige voorziening, te veroordelen:

  • om binnen 72 uur na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [woning] te verlaten en te ontruimen, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 75,00 per dag dat daarmee in gebreke wordt gebleven, met een maximum van € 7.500,00;

  • in de kosten van dit geding.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 september 2022. Partijen ([onderbewindgestelde] in persoon en MWH vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger MWH]) en hun gemachtigden (mr. Kappelhof met toestemming van de bewindvoerder) zijn ter zitting verschenen, waar zij hun wederzijdse standpunten (nader) uiteen hebben gezet, mede aan de hand van de door hun gemachtigden opgestelde pleitaantekeningen. Van het verhandelde zijn door de griffier aantekeningen gemaakt.

1.3.

Uitspraak is bepaald op heden.

2 De feiten

2.1.

Het volgende staat tussen partijen vast en acht de kantonrechter van belang.

2.2.

MWH is een stichting die zich inzet voor het welzijn van inwoners van de gemeente Hogeland. Het doel is om inwoners zo zelfstandig mogelijk te laten leven. Op verzoek van de gemeente Hogeland is MWH onlangs een pilot gestart met de naam “Woon-Leer-Werk traject”. In dit traject krijgt een inwoner hulp en begeleiding met als doel om uiteindelijk een woning zelfstandig te kunnen bewonen. Eén van de kandidaten die aan deze pilot mocht deelnemen was [onderbewindgestelde].

2.3.

In het kader van de pilot zijn op 12 augustus 2021 twee huurovereenkomsten tot stand gekomen met betrekking tot de woning aan de [woning] (hierna: de woning). MWH huurt de woning van Wierden en Borgen en MWH onderverhuurt de woning aan [onderbewindgestelde]. Beide overeenkomsten zijn ingegaan op 13 augustus 2021 en hebben een looptijd tot 12 augustus 2022.

2.4.

Daarnaast hebben MWH en [onderbewindgestelde] op 12 augustus 2021 een woonbegeleidingsovereenkomst gesloten. Ook deze overeenkomst loopt van 13 augustus 2021 tot 12 augustus 2022.

2.5.

In artikel 2 van de onder(ver)huurovereenkomst is bepaald dat de bewoner zich dient te realiseren dat MWH deze overeenkomst uitsluitend is aangegaan omdat hij zich heeft verplicht de woonbegeleidingsovereenkomst volledig na te komen.

2.6.

In artikel 4 van de onder(ver)huurovereenkomst is bepaald dat MWH de bewoner begeleidt bij het zelfstandig huren overeenkomstig de woonbegeleidingsovereenkomst.

2.7.

Artikel 6 van de onder(ver)huurovereenkomst luidt als volgt:

“Deze overeenkomst vangt aan op 13-08-2021 en is aangegaan voor de duur van 1 jaar en eindigt derhalve op 12-08-2022 . Twee maanden voor het verstrijken van de einddatum wordt in overleg met MWH, Wierden en Borgen en bewoner, door de woningbouwvereniging besloten of deze onder(ver)huurovereenkomst overgezet wordt in een huurovereenkomst tussen bewoner en de betreffende woningbouwvereniging.”

2.8.

In artikel 1 van de woonbegeleidingsovereenkomst is onder meer bepaald dat het doel van de woonbegeleiding is de bewoner in staat te stellen zelfstandig en als goed huurder te leren wonen en dat, indien de bewoner de door MWH beschikbaar gestelde begeleiding met goed gevolg afrondt en gedurende 1 jaar goed huurderschap heeft getoond, de onder(ver)huurovereenkomst zal worden overgezet op naam van de bewoner.

2.9.

In artikel 2 van de woonbegeleidingsovereenkomst is onder meer vastgelegd dat MWH na acht maanden het initiatief neemt tot een (tussentijdse) evaluatie met de bewoner en dat deze evaluatie leidt tot een afspraak tussen MWH, bewoner en Wierden en Borgen over de verdere voortgang.

2.10.

[onderbewindgestelde] heeft een huurachterstand laten ontstaan.

2.11.

Op 11 februari 2022 heeft de kantonrechter te Groningen vanaf 12 februari 2022 een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van [onderbewindgestelde] en daarbij bepaald dat inschrijving in het daartoe bestemde register dient plaats te vinden, met benoeming van de gemeente Groningen h.o.d.n. Groningse Krediet Bank te Groningen tot bewindvoerder.

2.12.

Op 1 maart 2022 heeft een halfjaarlijkse evaluatie plaatsgevonden. In het daarvan opgemaakte verslag is opgenomen dat [onderbewindgestelde] zicht heeft op vast werk waardoor er een stabiel inkomen zal zijn en daardoor meer ruimte om met [onderbewindgestelde] aan de overige leerdoelen te werken zodat hij over 6 maanden zelfstandig kan gaan wonen. Verder is in het verslag opgenomen dat er bij Wierden en Borgen zorgen bestaan of [onderbewindgestelde] na het woon-leer-werktraject in staat zal zijn de huur tijdig te betalen. Omdat de situatie in het tweede deel van het jaar lijkt te verbeteren, en MHW [onderbewindgestelde] - die heel gemotiveerd en welwillend is - een kans wil geven hierin te slagen, heeft MWH voorgesteld de situatie over drie maanden nogmaals te evalueren.

2.13.

Op 1 juni 2022 heeft een 9-maandsevaluatie plaatsgevonden. In het daarvan opgemaakte verslag staat onder meer dat de financiële situatie iets is gestabiliseerd, maar nog niet volledig stabiel is. Verder is de begeleidbaarheid van [onderbewindgestelde] volgens MWH afgenomen. Vervolgens staat in het verslag:

“ Conclusie

Wierden en Borgen en Mensenwerk Hogeland zijn samen overeengekomen dat we het traject na de einddatum niet gaan voortzetten en dat [onderbewindgestelde] het huurcontract niet op eigen naam gaat krijgen. Het tijdelijk huurcontract wordt dan ook per 12 augustus 2022 door Wierden en Borgen opgezegd.

Op het moment van deze eindevaluatie is er onvoldoende voortgang zichtbaar na de vorige tussenevaluatie, zowel op het gebied van de huurachterstand als op het gebied van de begeleiding en de gemaakte afspraken.

Wierden en Borgen vindt het risico te groot en kan het huurcontract op eigen naam niet verantwoorden. Daarnaast is het juridisch onmogelijk het proefwonen contract te verlengen. De begeleider van Mensenwerk Hogeland concludeert dat [onderbewindgestelde] onvoldoende baat heeft gehad bij dit traject en andere, meer gespecialiseerde hulp nodig heeft.

Vervolg

Op 12 augustus 2022 lopen de contracten van [onderbewindgestelde] af en zal de woning leeg worden opgeleverd. Mensenwerk Hogeland blijft betrokken tot het moment dat er een andere vorm van wonen en begeleiding gevonden is, ook in de periode na 12 augustus, indien nodig.”

2.14.

Op 7 juni 2021 hebben MWH en [onderbewindgestelde] nogmaals met elkaar gesproken. Tijdens dit gesprek is [onderbewindgestelde] nogmaals meegedeeld dat hij de woning dient te verlaten omdat de onder(ver)huurovereenkomst eindigt op 12 augustus 2022. Diezelfde dag heeft [onderbewindgestelde] contact gehad met Wierden en Borgen in een poging alsnog per 12 augustus 2022 rechtstreeks van Wierden en Borgen te mogen huren. Dit heeft niet tot het door [onderbewindgestelde] gewenste resultaat geleid.

2.15.

Bij brief van 15 juni 2022 heeft Wierden en Borgen aan MWH meegedeeld dat de huurovereenkomst van rechtswege eindigt op 12 augustus 2022 en is aangezegd dat het gehuurde op die datum dient te zijn ontruimd.

2.16.

Bij e-mailbericht van 27 juni 2022 heeft MWH het verslag van de 9-maandelijkse evaluatie aan [onderbewindgestelde] gezonden.

2.17.

Bij e-mailbericht van 1 juli 2022 heeft MWH een kopie van zijn dossier aan [onderbewindgestelde] verstrekt alsmede een begeleidingsverslag. In dit verslag staat onder meer dat [onderbewindgestelde] de woning op 12 augustus 2022 zal moeten verlaten.

2.18.

[onderbewindgestelde] heeft de woning niet verlaten, waarna MWH de onderhavige procedure aanhangig heeft gemaakt.

3 Het geschil

3.1.

Het geschil spitst zich toe op de vraag of [onderbewindgestelde] de woning aan de [woning] uiterlijk op 12 augustus 2022 had moeten verlaten en ontruimen.

3.2.

De kantonrechter zal hierna bij de beoordeling, voor zover van belang voor de uitkomst van deze zaak, nader ingaan op hetgeen partijen ter onderbouwing van hun stellingen naar voren hebben gebracht en aan stukken hebben overgelegd.

4 De beoordeling

4.1.

Naar het oordeel van de kantonrechter heeft MWH, gelet op het feit dat Wierden en Borgen de huurovereenkomst niet wenst voort te zetten, voldoende aannemelijk gemaakt dat zij een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorzieningen, zodat zij in zoverre ontvankelijk is in haar vorderingen.

4.2.

In dit kort geding moet aan de hand van de door partijen gepresenteerde feiten, zonder nader onderzoek, beoordeeld worden of de vordering in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen heeft, dat vooruitlopend daarop toewijzing nu al gerechtvaardigd is.

4.3.

Tussen MWH en [onderbewindgestelde] is op 12 augustus 2021 een onder(ver)huurovereenkomst voor de duur van 1 jaar tot stand gekomen. Deze overeenkomst is een huurovereenkomst voor bepaalde tijd zoals bedoeld in artikel 7:271 lid 1 tweede volzin van het Burgerlijk Wetboek (BW) waarop artikel 7:228 lid 1 BW van toepassing is. Dit betekent dat die overeenkomst van rechtswege op 12 augustus 2022 is geëindigd, mits MWH niet eerder dan drie maanden maar uiterlijk een maand voordat de bepaalde tijd is verstreken, de huurder over de dag waarop die huur verstrijkt schriftelijk heeft geïnformeerd.

4.4.

Naar het voorlopige oordeel van de kantonrechter heeft MWH, anders dan door [onderbewindgestelde] is bepleit, voldaan aan de aanzegplicht als bedoeld in artikel 7:271 lid 1 BW. Zowel in het verslag van de 9-maandsevaluatie dat op 27 juni 2022 aan [onderbewindgestelde] is gemaild als in het begeleidingsverslag dat op 1 juli 2022 aan [onderbewindgestelde] is gemaild staat ondubbelzinnig dat de onder(ver)huurovereenkomst eindigt per 12 augustus 2022 en dat [onderbewindgestelde] de woning per die datum dient te verlaten. Daar komt bij dat deze boodschap [onderbewindgestelde] - zoals hij ter zitting ook heeft erkend - daadwerkelijk heeft bereikt en dat hij om die reden op 7 juni 2022 rechtstreeks contact heeft opgenomen met Wierden en Borgen.

4.5.

Dit leidt tot het voorlopige oordeel van de kantonrechter dat de huurovereenkomst per 12 augustus 2022 is geëindigd en [onderbewindgestelde] zonder recht of titel in de woning verblijft.

4.6.

[onderbewindgestelde] heeft verder het verweer gevoerd dat hij het woonbegeleidingstraject (hierna: het traject) met goed gevolg heeft doorlopen en een huurovereenkomst aangeboden had moeten krijgen, zodat hij in de woning kon blijven. Uit de halfjaarlijkse evaluatie blijkt dat het op dat moment heel goed met hem ging en MWH daarna ten onrechte aan Wierden en Borgen heeft geadviseerd geen rechtstreekse huurovereenkomst met hem aan te gaan. Met betrekking tot dit verweer overweegt de kantonrechter als volgt.

4.7.

Ter zitting is door en namens [onderbewindgestelde] betoogd dat MWH hem meer hulp had moeten bieden dan zij heeft gedaan, temeer omdat hij - zo blijkt uit de halfjaarlijkse evaluatie - op de goede weg was en MWH bekend was met de beperkingen van [onderbewindgestelde]. Uit het begeleidingsverslag van 9 juni 2022 blijkt, aldus [onderbewindgestelde], dat de persoonlijke problematiek en de onbereikbaarheid tussen 19 mei en 3 juni 2022 als reden wordt gegeven voor het niet slagen van het traject. Dit is evenwel onvoldoende zwaarwegend om te concluderen dat niet aan de verplichtingen uit de woonbegeleidingsovereenkomst is voldaan en dat het traject is mislukt, aldus nog steeds [onderbewindgestelde]. MWH heeft daartegenover aangevoerd dat uit de halfjaarlijkse evaluatie blijkt dat er voor [onderbewindgestelde] nog het nodige te verbeteren viel en dat zij in dat kader niet meer hulp kon bieden dan zij heeft gedaan. Het traject is gericht op de zelfstandigheid van de bewoner, in dit geval [onderbewindgestelde], en vraaggericht. Uit het begeleidingsdossier blijkt dat MWH aan haar verplichtingen heeft voldaan, aldus MWH.

4.8.

Niet in geschil is dat [onderbewindgestelde] alleen aanspraak kon maken op een rechtstreekse huurovereenkomst met Wierden en Borgen als het begeleidingstraject zou slagen. Uit de evaluaties die hebben plaatsgevonden blijkt dat [onderbewindgestelde] moeite heeft om de afspraken die hij met MWH heeft gemaakt na te komen en hulp in te schakelen, terwijl het traject juist vraaggericht is en gericht op zelfstandigheid. Ter zitting heeft [onderbewindgestelde] dit ook erkend. Volgens hem heeft hij, als het te druk wordt in zijn hoofd, de neiging om “zijn kop in het zand te steken”. Dit heeft er onder meer in geresulteerd dat het langer heeft geduurd dan noodzakelijk om zijn onderbewindstelling geregeld te krijgen, maar ook dat [onderbewindgestelde] periodes zeer slecht bereikbaar was of niet thuis was op het afgesproken tijdstip hetgeen de voortgang in het traject heeft bemoeilijkt. Pogingen van MWH om [onderbewindgestelde] op het goede spoor te brengen en te houden zijn onvoldoende gelukt.

4.9.

Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter kon MWH tot de conclusie komen dat het traject was mislukt en heeft zij in redelijkheid aan Wierden en Borgen kunnen adviseren om geen rechtstreekse huurovereenkomst met [onderbewindgestelde] aan te gaan. [onderbewindgestelde] wordt daarbij niet gevolgd in zijn stelling dat zijn persoonlijkheidsproblematiek geen reden kan zijn voor de conclusie dat het traject niet is geslaagd, omdat MWH bekend was met de beperkingen van [onderbewindgestelde]. Weliswaar was de problematiek van [onderbewindgestelde] bij aanvang van het traject bekend, maar het traject is nu juist bedoeld om te onderzoeken of [onderbewindgestelde] met zijn problematiek zelfstandig kan wonen. MWH heeft geconcludeerd dat dat niet het geval is. Dat er goede redenen waren voor de onbereikbaarheid van [onderbewindgestelde] tussen 19 mei en 3 juni 2022, is verder onvoldoende komen vast te staan. Datzelfde geldt ook voor de stelling van [onderbewindgestelde] dat MWH bij de begeleiding haar zorgplicht zou hebben geschonden. Overigens heeft MWH ook na het eindigen van de begeleidingsovereenkomst de handen niet van [onderbewindgestelde] afgetrokken, maar is zij hem behulpzaam bij het vinden van andere, passende woonruimte, wat heeft geresulteerd in een intakegesprek op 22 september 2022.

4.10.

Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat [onderbewindgestelde] sinds 12 augustus 2022 zonder recht of titel in de woning verblijft. De vordering om de woning te verlaten en te ontruimen zal daarom worden toegewezen. De termijn waarbinnen dat moet gebeuren zal worden bepaald op 14 dagen na betekening van dit vonnis.

4.11.

De gevorderde dwangsom zal worden afgewezen. Artikel 556 lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) schrijft voor dat de gedwongen ontruiming geschiedt door een deurwaarder. Die bevoegdheid ontleent hij aan artikel 557 juncto artikel 444 Rv. De prikkel tot nakoming van de veroordeling in de vorm van een dwangsom is daarom niet nodig.

4.12.

[onderbewindgestelde] zal, als de grotendeels in het ongelijk te stellen partij, worden veroordeeld in de kosten van dit geding, begroot op: € 128,00 griffierecht, € 127,43 explootkosten en € 747,00 salaris gemachtigde.

5 De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

5.1.

veroordeelt de GKB in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [onderbewindgestelde] om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis het gehuurde aan de [woning] te ontruimen en te verlaten met al wie en al wat zich daarin van de zijde van [onderbewindgestelde] bevindt en onder afgifte van de sleutels aan MWH op te leveren en ter algehele vrije beschikking aan MWH te stellen en te laten;

5.2.

veroordeelt de GKB in haar hoedanigheid van bewindvoerder over de (toekomstige) goederen van [onderbewindgestelde] in de kosten van het geding, aan de zijde van MWH tot aan deze uitspraak vastgesteld op € 128,00 aan griffierecht, € 127,43 aan explootkosten en € 747,00 voor salaris van de gemachtigde;

5.3.

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. I.F. Clement, kantonrechter, en op 22 september 2022 uitgesproken ter openbare terechtzitting in aanwezigheid van de griffier.

typ: 692