Strafrecht overig
Veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en het gezamenlijk valselijk opmaken van…
Rechtbank Rotterdam, 17 februari 2026
ECLI:NL:RBROT:2026:7054 · Rechtbank Rotterdam · 17 februari 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-rotterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbrot-2026-7054
Zaakgegevens
Op 17 februari 2026 heeft de Rechtbank Rotterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank RotterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Dordrecht
- Datum uitspraak
- 17 februari 2026
- Datum publicatie
- 18 juni 2026
- Zaaknummer
- 10-041041-22
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBROT:2026:7054
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Veroordeling voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie en het gezamenlijk valselijk opmaken van een geldleningsovereenkomst. Vrijspraak van het witwassen van contante geldbedragen. Voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden en een taakstraf van 80 uren.
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam
Zittingsplaats Dordrecht
Meervoudige kamer strafzaken
Parketnummer: 10-041041-22
Datum uitspraak: 17 februari 2026
Datum zitting: 3 februari 2026
Tegenspraak
Verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1983 in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] , [postcode] [woonplaats] .
Advocaat van de verdachte: mr. R. Tetteroo,
officier van justitie: mr. R.K. Nanhkoesingh.
Kern van het vonnis
De verdachte wordt veroordeeld voor het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld voor het gezamenlijk valselijk opmaken van een geldleningsovereenkomst. Hij wordt vrijgesproken van het witwassen van contante geldbedragen. De rechtbank legt aan de verdachte een voorwaardelijke gevangenisstraf op voor de duur van vier maanden, en een taakstraf voor de duur van tachtig uren.
1 Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad, en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van meerdere geldbedragen en het gezamenlijk valselijk opmaken van een geldleningsovereenkomst. De volledige tenlastelegging (beschuldiging) houdt in dat:
1
hij op of omstreeks 15 februari 2022,
te Rotterdam,
althans in Nederland,
een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º jo artikel 2, lid 1, categorie III, onder
1º van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een pistool van het merk/type “Walther P22”, kaliber .22 mm,
en/of
munitie in de zin van artikel 1, onder 4º jo artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet
wapens en munitie, te weten:
- zeven (7) kogelpatronen van het merk/type S&B, kaliber 7.65 mm,
voorhanden heeft gehad;
2
hij op of omstreeks 15 februari 2022,
te Rotterdam,
althans in Nederland,
één of meerdere voorwerpen
(contante geldbedragen ad in totaal (ongeveer) Eur 15.915,00*),
voorhanden heeft gehad,
terwijl hij wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,
dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen,
geheel en/of gedeeltelijk,
onmiddellijk en/of middellijk,
afkomstig was/waren uit enig misdrijf en/of uit enig eigen misdrijf;
*
ZD, pag. 86/58 (contant geldbedrag in vest-/jaszak ad in totaal Eur 8.700,00)
ZD, pag. 86/58 (contant geldbedrag in crèmekleurige zak ad in totaal Eur 2.245,00)
ZD, pag. 85/57 (contant geldbedrag in ING-zak ad in totaal Eur 4.970,00);
3
hij op of omstreeks in de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2021,
te Rotterdam,
althans in Nederland,
één of meerdere voorwerpen
(contante geldbedragen ad in totaal (ongeveer) Eur 73.330,00*),
heeft verworven en/of heeft overgedragen en/of heeft omgezet en/of daarvan
gebruik heeft gemaakt en/of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij wist,
althans redelijkerwijs moest vermoeden,
dat dit voorwerp c.q. die voorwerpen,
geheel en/of gedeeltelijk,
onmiddellijk en/of middellijk,
afkomstig was/waren uit enig misdrijf en/of uit enig eigen misdrijf;
*
ZD, pag. 608/580;
4
hij op of omstreeks in de periode van 29 december 2021 tot en met 31 december
2021,
te Rotterdam,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met een ander of anderen,
althans alleen,
een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
een geldleningsovereenkomst tussen hem, verdachte, als schuldenaar en de heer
[persoon A] als schuldeiser,
valselijk heeft opgemaakt en/of heeft vervalst,
immers heeft/hebben verdachte en/of zijn mededader(s),
valselijk in strijd met de waarheid,
in die geldleningsovereenkomst vermeld dat:
- [persoon A] hem, verdachte, een geldlening van Eur 40.000 had verstrekt en/of
- dat bedrag door hem, verdachte, in leen en per kas was aanvaard en/of
- de geldleningsovereenkomst was opgemaakt en ondertekend op 30-8-2017,
zulks met het oogmerk om dit geschrift als echt en onvervalst te gebruiken of door
anderen te doen gebruiken.
2 Bewijs / vrijspraak
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld voor de vier ten laste gelegde feiten.
Conclusie van de verdediging
De verdediging heeft volledige vrijspraak bepleit .
Oordeel van de rechtbank
Bewezenverklaring en bewijsmiddelen
Bewezen is dat de verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden heeft gehad. Daarnaast is bewezen dat hij met anderen een geldleningsovereenkomst valselijk heeft opgemaakt. De volledige bewezenverklaring is vermeld in paragraaf 2.3.3.
De bewezenverklaring van de feiten is gebaseerd op de hieronder opgenomen inhoud van de bewijsmiddelen en de onderstaande bewijsmotivering.
Feit 1 (voorhanden hebben van vuurwapen en munitie)
1. Proces-verbaal van de politie
Tijdens een doorzoeking op 15 februari 2022 in de woning van [verdachte] aan de [adres] te Rotterdam treft de politie een vuurwapen aan.
2. Proces-verbaal van de politie
De patroonhouder van het aangetroffen vuurwapen was gevuld met patronen.
3. Proces-verbaal van de politie
Op dinsdag 15 februari 2022 zijn de volgende goederen inbeslaggenomen.
Vuurwapenomschrijving 13
Goednummer: [beslagnummer 1]
Object: Vuurwapen (Pistool)
Merk/type: Walther P22
Kaliber: 7.65 mm
Dit pistool is een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2, lid 1 categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie
Wapenomschrijving 14
Goednummer: [beslagnummer 2]
Object: Vuurwapen (patroonhouder)
Merk/type: Walther P22
Kaliber: .22
Bijzonderheden: patroonmagazijn Walther P22
Dit patroonmagazijn is een onderdeel van een vuurwapen in de zin van
artikel 3 onder l van de WWM de bepalingen met betrekking tot een vuurwapen in de zin van artikel 1 onder 3, gelet op artikel 2 lid 1 Categorie III onder 1 van de Wet wapens en munitie
Munitieomschrijving 15
Goednummer: [beslagnummer 3]
Object: Munitie (Kogelpatroon)
Aantal/eenheid: 7 stuks
Merk/type: S&B 7,65 mm
Kaliber: 7.65 mm
Het betreft kogelpatronen van het kaliber 7.65mm. Dit is munitie in de zin van artikel 1 onder 4 gelet op artikel 2 lid 2 categorie III van de Wet wapens en munitie
4. Verklaring verdachte
Het wapen lag op de [adres] in een trui in mijn inloopkledingkast. Ik heb het vuurwapen uit de doos gehaald en in een trui gestopt die ik niet meer droeg. Hij is gevonden in een hele oude trui. Ik heb hem niet verstopt maar ben deze gewoon vergeten. Het vuurwapen lag op dezelfde plek als die ik had aangegeven waar mijn geld lag.
Feit 4 (valselijk opmaken van een geschrift)
1. Verklaring van de verdachte
U vraagt mij naar de geldleningsovereenkomst van veertigduizend euro tussen [persoon A] en mij waarop staat dat deze is opgemaakt en ondertekend op 30 augustus 2017. Deze is opgesteld door mijn boekhouder. Dat is mijn handtekening op de overeenkomst. De datum klopt niet, de overeenkomst is niet opgemaakt in 2017. Er is nooit afgelost en ik heb die veertigduizend euro nooit terugbetaald. Het was eigenlijk geen lening.
2. Schriftelijk stuk
Geldleningsovereenkomst van € 40.000,00 (veertigduizend euro) verstrekt in leen en per kas aanvaard tussen [persoon A] en [verdachte] . Opgemaakt en ondertekend op 30 augustus 2017.
3. Proces-verbaal van bevindingen
De verdachte had een Whatsapp-chatgesprek met [persoon A] . In de chat vraagt de verdachte op 29 december 2021 aan [persoon A] om de geldleningsovereenkomst te tekenen die [verdachte] bij een bank moet aanleveren voor 4 januari 2022.
ln een chat tussen de verdachte en ‘ [persoon B] ’, zendt [persoon B] op 31 december 2021 een door [persoon A] ondertekende overeenkomst aan [verdachte] . Deze lening is gedateerd 30 augustus 2017 en komt overeen met de eerder aangetroffen overeenkomst in de van de boekhouder verkregen administratie van [naam parfumerie] .
4. Proces-verbaal van bevindingen
Op 3 januari 2022 is de geldleningsovereenkomst van 30 augustus 2017 aan ING Bank toegezonden.
Bewijsmotivering
Feit 1 (voorhanden hebben van wapen en munitie)
De rechtbank stelt voorop dat voor een veroordeling wegens het voorhanden hebben van een wapen (of munitie) in de zin van artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie vereist is dat de verdachte een wapen bewust aanwezig heeft gehad. Niet is vereist dat de verdachte het wapen voortdurend actief in gedachten had. Verder is voor een bewezenverklaring nodig dat de verdachte feitelijke macht over het wapen heeft kunnen uitoefenen in de zin dat hij daarover heeft kunnen beschikken.
Op 15 februari 2022 is in de woning van de verdachte een vuurwapen met munitie aangetroffen, samen met contant geld in een vestzak in een inloopkledingkast. De verdachte heeft ter zitting verklaard dat dit geld afkomstig was van de verkoop van parfums in zijn zaak, en dat hij het had gespaard om later te kunnen storten. Dat betekent dat het geld in de vestzak is gestopt in de periode vanaf sinds 2019, toen de zaak naar de verdachte heeft verklaard voor het eerst omzet heeft gedraaid. De verdachte heeft verder bij de politie verklaard dat het vuurwapen meerdere malen is meeverhuisd, waarbij hij het vest iedere keer met andere kleding in een verhuistas deed.
Uit de hiervoor genoemde omstandigheden volgt dat de verdachte het vest met daarin het wapen in de jaren vóór de tenlastegelegde periode meerdere keren in zijn handen heeft gehad. Naar het oordeel van de rechtbank volgt daaruit dat hij zich bewust is geweest van de aanwezigheid van het wapen. Dat de verdachte stelt dat hij het wapen daarna op enig moment is vergeten maakt dit niet anders. Dat doet immers niet af aan de eerdere bewustheid van de aanwezigheid. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat het wapen met munitie gedurende de gehele periode onder het bereik van verdachte is gebleven.
Feit 4 (valselijk opmaken van een geldleningsovereenkomst)
De verdediging heeft bepleit dat het opstellen van de leningsovereenkomst was bedoeld om transparantie te verschaffen aan de ING Bank, niet om te verhullen. [persoon A] had in 2017 namelijk daadwerkelijk een contant geldbedrag aan de verdachte gegeven, zoals opgenomen in de overeenkomst. Daarom het oogmerk tot misleiding niet worden bewezen, aldus de verdediging.
De rechtbank stelt vast dat in de geldleningsovereenkomst (hierna ‘overeenkomst’) was opgenomen dat [persoon A] de verdachte een geldlening van veertigduizend euro had versterkt. Verder stond in de overeenkomst vermeld dat het bedrag ‘in leen en per kas was aanvaard’, en dat de overeenkomst op 30 augustus 2017 was opgemaakt en ondertekend.
Vaststaat dat de overeenkomst niet is opgemaakt en ondertekend op de datum die op het document is vermeld. De verdachte heeft verder verklaard dat er nooit is afgelost en nooit rente is betaald, en dat het bedrag dat hij had gekregen eigenlijk geen lening was.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte, door de overeenkomst aan ING Bank te sturen, een valse voorstelling van zaken aan ING Bank verstrekt over de achtergrond van het contante bedrag. Hij deed dat nadat de bank vragen over het bedrag had gesteld en had aangekondigd de rekeningen van de verdachte te gaan sluiten. Hij had het oogmerk om de overeenkomst als echt en onvervalst te gebruiken, namelijk om bij de bank de indruk te wekken dat het geld afkomstig was van een lening. De rechtbank verwerpt dan ook het verweer van de verdediging.
Volledige bewezenverklaring
Bewezen is dat:
1
hij op 15 februari 2022,
te Rotterdam,
althans in Nederland,
een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3º jo artikel 2, lid 1, categorie III, onder
1º van de Wet wapens en munitie, te weten:
- een pistool van het merk/type “Walther P22”, kaliber .22 mm,
en
munitie in de zin van artikel 1, onder 4º jo artikel 2, lid 2, categorie III van de Wet
wapens en munitie, te weten:
- zeven (7) kogelpatronen van het merk/type S&B, kaliber 7.65 mm,
voorhanden heeft gehad;
4
hij omstreeks de periode van 29 december 2021 tot en met 31 december
2021,
te Rotterdam,
althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
een geschrift dat bestemd was om tot bewijs van enig feit te dienen, te weten:
een geldleningsovereenkomst tussen hem, verdachte, als schuldenaar en de heer
[persoon A] als schuldeiser,
valselijk heeft opgemaakt,
immers hebben verdachte en zijn mededaders,
valselijk in strijd met de waarheid,
in die geldleningsovereenkomst vermeld dat:
- [persoon A] hem, verdachte, een geldlening van Eur 40.000 had verstrekt en
- dat bedrag door hem, verdachte, in leen en per kas was aanvaard en
- de geldleningsovereenkomst was opgemaakt en ondertekend op 30-8-2017,
zulks met het oogmerk om dit geschrift als echt en onvervalst te gebruiken.
Vrijspraak
Feit 2 (witwassen € 15.915,00)
Voor een bewezenverklaring van witwassen van een voorwerp (art. 420bis Sr) is vereist dat vast komt te staan dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Als op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, kan witwassen toch bewezen worden geacht, als het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is.
Als het openbaar ministerie feiten en omstandigheden heeft aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is.
Als de verdachte zo'n verklaring heeft gegeven, ligt het op de weg van het openbaar ministerie nader onderzoek te doen naar die verklaring.
In het kader van een drugsonderzoek heeft op 15 februari 2022 een doorzoeking plaatsgevonden in de woning van de verdachte. Tijdens de doorzoeking zijn een vuurwapen, munitie, horloges en contante geldbedragen van in totaal € 15.915,00 aangetroffen. De contante gelden bevonden zich in een vestzak, een crèmekleurige zak en in een ING-zak.
Uit onderzoek van de politie is verder gebleken dat de verdachte over een beperkt legaal inkomen beschikte. Op grond van voorgaande feiten en omstandigheden is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat sprake is geweest van een gerechtvaardigd vermoeden van witwassen.
De verdachte heeft bij de politie over de herkomst van de contante geldbedragen verklaard dat het buffer- en spaargeld betrof. Ter terechtzitting is de verdachte bij die verklaring gebleven en heeft hij verder verklaard dat hij wel eens geld kreeg van zijn opa en oma. Daarnaast heef hij over de herkomst van het contante geld verklaard dat dit mede afkomstig was van de contante opbrengst van parfums die hij in consignatie verkocht, maar pas werd afgedragen nadat een hele in consignatie gegeven voorraad was verkocht.
Gezien de contante bedragen die in de zaak van verdachte omgingen en de hier voornoemde verklaring van de verdachte ter terechtzitting is de rechtbank van oordeel dat de verdachte daarmee een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat het contante geld niet van misdrijf afkomstig is. Het had op de weg van het openbaar ministerie gelegen om daar verder onderzoek naar te doen. Omdat dat niet is gebeurd, is de rechtbank van oordeel dat de verklaring van de verdachte omtrent de alternatieve herkomst van de contante geldbedragen door het openbaar ministerie onvoldoende is weerlegd, zodat niet met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat het aangetroffen contante geld een legale herkomst heeft. Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde contante geldbedrag van € 15.915,00 heeft witgewassen, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken. Overigens is in het procesdossier geen verhoor van verdachte terug te vinden over dit specifieke feit, zodat hem ook niet valt te verwijten dat hij pas op de zitting met een verklaring is gekomen over de aard en de bestemming van dat geld.
Feit 3 (witwassen € 73.330,00)
De rechtbank stelt op basis van het dossier vast dat in de ten laste gelegde periode meer contante stortingen zijn gedaan op de bankrekeningen van de verdachte en van zijn bedrijf, dan konden worden verklaard uit de geregistreerde contante verkopen van de onderneming. Het verschil betreft een geldbedrag van in totaal € 73.330,00.
In het procesdossier bevindt zich geen verhoor van verdachte specifiek over dit feit.
Ter zitting heeft hij daar wel over verklaard. Het merendeel was volgens de verdachte afkomstig van [persoon A] . Verder verklaarde de verdachte dat de veertigduizend euro, die genoemd is in de geldleningsovereenkomst van 30 augustus 2017, onderdeel is van voornoemde € 73.330,00 euro en overigens dat hij ook geld heeft gehad van zijn grootouders. De verklaring die [persoon A] erover bij de rechter-commissaris heeft afgelegd is weliswaar inconsistent en roept een hoop vraagtekens op, maar sluit ook niet uit dat verdachte geld van hem heeft ontvangen, wat mogelijk vervolgens deels via de bankrekening zichtbaar is geworden.
De rechtbank is van oordeel dat de verdachte daarmee een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven dat de € 73.330,00 euro niet van misdrijf afkomstig is geweest. De uitleg van de verdachte zou het gestorte geldbedrag (deels) kunnen verklaren. Het openbaar ministerie had nader onderzoek naar die verklaring en de herkomst van dit geld kunnen verrichten, bijvoorbeeld door verdachte te horen over de schenkingen die hem door zijn grootouders zouden zijn gedaan, en eventuele familieleden die bekend kunnen zijn met de financiële handel en wandel van die grootouders te horen.
Echter, omdat nader onderzoek naar de herkomst van dit geld door het openbaar ministerie achterwege is gebleven, kan niet worden geoordeeld dat het niet anders kan zijn dan dat het ten laste gelegde contante geldbedrag van in totaal € 73.330,00 uit enig misdrijf afkomstig is. Dit betekent dat niet is bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde contante geldbedrag van € 73.330,00 heeft witgewassen, zodat hij hiervan moet worden vrijgesproken.
In dit verband zij nog vermeld dat er TCI-informatie in het dossier is gevoegd waaruit naar voren komt dat verdachte omging met personen die actief zouden zijn in de drugshandel en dat uit een proces-verbaal naar voren komt dat hij met die personen naar Spanje is geweest alsmede heeft geholpen bij de planning van die reis en met die personen een NN-persoon heeft ontmoet. De personen in kwestie zijn echter familieleden, zodat zijn omgang daarmee op zich niet verdacht is. Concrete aanwijzingen dat hij zich (structureel) met drugshandel zou inlaten zijn er niet, en evenmin dat hij rondom de reis naar Spanje daar op de een of andere manier bij betrokken zou zijn.
3 Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
Feit 1
de eendaadse samenloop van
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit
begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
en
handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;
Feit 4
medeplegen van valsheid in geschrift.
Strafbaarheid van de feiten en van de verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
4 Straffen
Eis van de officier van justitie
De verdachte moet voor de ten laste gelegde feiten worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met aftrek van reeds ondergaan voorarrest, met een proeftijd van 2 jaren en een werkstraf van 240 uren met een vervangende hechtenis voor de duur van 120 dagen.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht om aan de verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan meerdere strafbare feiten. De verdachte heeft in zijn woning een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van wapens en munitie brengt een onaanvaardbaar risico voor de veiligheid van personen met zich mee. De ervaring leert dat vuurwapenbezit meer dan eens leidt tot het gebruik ervan. Daar komt nog eens bij dat het vuurwapen in een woning lag waar ook de partner en het kind van de verdachte woonden. Hiermee is een groot gevaar voor de andere bewoners van de woning veroorzaakt, in het bijzonder voor een kind. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Daarnaast heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van valsheid in geschrift. De verdachte heeft samen met een ander valselijk een overeenkomst opgemaakt. De overeenkomst had een bewijsbestemming voor de ING Bank. De integriteit van het financiële en economische verkeer staat of valt met het vertrouwen dat gesteld wordt en gesteld moet kunnen worden in de juistheid van stukken die tot enig bewijs dienen. Door zo te handelen heeft de verdachte het vertrouwen dat anderen in de juistheid van geschriften moeten kunnen stellen ernstig beschaamd.
Persoon en persoonlijke omstandigheden
Strafblad
Uit het strafblad (uittreksel justitiële documentatie) van 30 december 2025 blijkt dat de verdachte recentelijk niet is veroordeeld voor strafbare feiten. Het strafblad van de verdachte leidt niet tot een hogere straf.
Redelijke termijn
De verdachte moet binnen een redelijke termijn worden berecht. De redelijke termijn is in dit geval gestart op 15 februari 2022, omdat de verdachte toen in verzekering is gesteld. Tot aan dit vonnis is een periode van ruim vier jaar verstreken. Omdat geen sprake is van bijzondere omstandigheden, is de redelijke termijn in deze zaak twee jaar. Dat betekent dat de redelijke termijn is geschonden. Dit heeft gevolgen in het voordeel van de verdachte voor de op te leggen straf.
Oplegging straf
Gelet op de ernst van de strafbare feiten is een gevangenisstraf noodzakelijk. Het opleggen van een ander soort straf is niet passend. Bij het bepalen van die strafsoort en de duur daarvan houdt de rechtbank rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Hierbij is ook rekening gehouden met de LOVS oriëntatiepunten. Deze oriëntatiepunten zijn binnen de rechtspraak ontwikkeld om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen en vormen een vertrekpunt bij het bepalen van de straf.
De rechtbank stelt vast dat het feit inmiddels lange tijd geleden is gepleegd en de redelijke termijn is geschonden. Alles overziend acht de rechtbank een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden passend.
De gevangenisstraf wordt geheel voorwaardelijk opgelegd. De voorwaardelijke straf heeft als doel te voorkomen dat de verdachte in de toekomst opnieuw een strafbaar feit pleegt.
Gelet op de ernst van het strafbare feiten is daarnaast een taakstraf passend. Bij het bepalen van de duur van de taakstraf houdt de rechtbank ook rekening met straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. Daarom wordt een taakstraf van 80 (tachtig) uren opgelegd.
5 Wettelijke voorschriften
De oplegging van deze straffen zijn gebaseerd op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 47, 55, 225 van het Wetboek van Strafrecht en het artikel 26 van de Wet wapens en munitie.
6 Beslissingen
De rechtbank:
verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 2 en 3 heeft gepleegd en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart bewezen dat de verdachte de feiten, zoals in hoofdstuk 2 is omschreven, heeft gepleegd;
stelt vast dat het bewezenverklaarde oplevert de in hoofdstuk 3 vermelde strafbare feiten;
verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 4 (vier) maanden;
veroordeelt de verdachte tot een taakstraf van 80 (tachtig) uur, waarbij de reclassering bepaalt uit welke werkzaamheden deze taakstraf zal bestaan;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering is doorgebracht, in mindering wordt gebracht op de taakstraf volgens de maatstaf van twee uur per dag, zodat 72 (tweeënzeventig) uur taakstraf moet worden verricht;
beveelt dat, voor het geval de verdachte de taakstraf niet (goed) verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 36 (zesendertig) dagen;
bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders beslist;
verbindt hieraan een proeftijd, die wordt gesteld op 2 (twee) jaar, waarbij tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijke gedeelte van de straf kan worden beslist als de verdachte de onderstaande voorwaarde niet naleeft;
stelt als algemene voorwaarde dat:
- de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet aan een strafbaar feit schuldig maakt;
heft op het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte; deze voorlopige hechtenis is eerder geschorst.
7 Samenstelling rechtbank en ondertekening
Dit vonnis is gewezen door:
mr. A.P. Hameete, voorzitter,
en mrs. D.M. Douwes en J. Langeveld, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. J. Loggen, griffier,
en uitgesproken op de openbare zitting van deze rechtbank op 17 februari 2026.
Mrs. D.M. Douwes en J. Langeveld zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.