Strafrecht overig
Een 40-jarige man is veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf. Op 20 april 2025 had hij namelijk een verhitte…
Rechtbank Amsterdam, 27 oktober 2026
ECLI:NL:RBAMS:2026:10573 · Rechtbank Amsterdam · 27 oktober 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-amsterdam/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbams-2026-10573
Zaakgegevens
Op 27 oktober 2026 heeft de Rechtbank Amsterdam in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank AmsterdamRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 27 oktober 2026
- Datum publicatie
- 27 oktober 2026
- Zaaknummer
- 13/119072-26
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBAMS:2026:10573
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
Een 40-jarige man is veroordeeld tot 6 jaar gevangenisstraf. Op 20 april 2025 had hij namelijk een verhitte discussie met een man die uitmondde in een worsteling op de openbare weg in Amsterdam-West waarbij hij het slachtoffer in zijn buik schoot met een (omgebouwd) vuurwapen. Ook moet hij ruim 16.500 euro schadevergoeding betalen.
Uitspraak
[afbeelding niet beschikbaar]vonnis
RECHTBANK AMSTERDAM
Parketnummer: 13.119072.26 [verdachte]
Afdeling Publiekrecht
Teams Strafrecht
Parketnummer: 13/119072-26
Datum uitspraak: 27 oktober 2026
Vonnis van de rechtbank Amsterdam, meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken, in de zaak tegen:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1986,
wonende op het adres: [adres] ,
thans gedetineerd te: [verblijfsplaats]
1 Het onderzoek ter terechtzitting
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van 31 juli 2026 en 13 oktober 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie, mr. B.S. Selier, en van wat verdachte en zijn raadsvrouw, mr. M.J.R. Roethof, naar voren hebben gebracht. Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van wat de advocaat, mr. B. Roodveldt, namens de benadeelde partij [slachtoffer] naar voren heeft gebracht.
2 Tenlastelegging
Aan verdachte is – kort gezegd – ten laste gelegd dat hij zich heeft schuldig gemaakt aan:
Feit 1
Primair
Poging tot moord dan wel doodslag van [slachtoffer] op 20 april 2026 in Amsterdam;
Subsidiair
Poging tot zware mishandeling, al dan niet met voorbedachten rade, van [slachtoffer] op 20 april 2026 in Amsterdam;
Feit 2
Het voorhanden hebben van een categorie III vuurwapen op 20 april 2026 in Amsterdam;
Feit 3
Het voorhanden hebben van categorie III munitie op 20 april 2026 in Amsterdam.
De volledige tenlastelegging is opgenomen in bijlage I die aan dit vonnis is gehecht en geldt als hier ingevoegd.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Verdachte is hierdoor niet in de verdediging geschaad.
3 De waardering van het bewijs
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder feit 1 primair en onder feit 2 en feit 3 ten laste gelegde.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft primair vrijspraak bepleit voor de poging moord dan wel doodslag en de poging zware mishandeling (feit 1 primair en feit 1 subsidiair). De raadsvrouw heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat sprake is van (putatief) noodweer(exces), zodat verdachte dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging. De raadsvrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het bezit van het vuurwapen en munitie (feit 2 en feit 3).
Het oordeel van de rechtbank
Uit de aangifte van aangever volgt dat hij op 20 april 2026 ’s ochtends op zijn fiets onderweg naar zijn werk was, toen hij verdachte zag fietsen op de Rhoneweg in Amsterdam. Er ontstond een verhitte discussie, die uitmondde in een worsteling. Tijdens deze worsteling is er geschoten en is aangever in zijn buik geraakt. De kogel is in het lichaam van de aangever achtergebleven.
Verdachte heeft op de zitting van 13 oktober 2026 onder meer verklaard dat hij op 20 april 2026 de route van aangever naar het werk zou fietsen om te kijken of hij aangever zou tegenkomen. Verdachte had een doorgeladen wapen meegenomen dat op dat moment in zijn jaszak zat. Volgens verdachte is het wapen tijdens de worsteling per ongeluk afgegaan toen zijn hand op de trekker zat. Het vuurwapen, patroonmagazijn en kogelpatroon zijn in beslag genomen en forensisch onderzocht. Uit onderzoek blijkt dat het wapen een start- en alarmpistool is, dat is omgebouwd om scherpe munitie mee af te schieten.
Op basis van de hierboven genoemde bevindingen acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 20 april 2026 aangever in zijn buik heeft geschoten. De rechtbank moet vervolgens beoordelen hoe dit juridisch gekwalificeerd moet worden.
Opzet op de dood
De rechtbank is van oordeel dat er onvoldoende bewijs is om te kunnen concluderen dat verdachte doelbewust in de buik van aangever heeft geschoten, zodat van vol opzet geen sprake is.
Ten aanzien van de vraag of sprake is van voorwaardelijk opzet overweegt de rechtbank dat voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg aanwezig is indien de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans dat dat gevolg zal intreden, heeft aanvaard.
Verdachte heeft aangever met een doorgeladen wapen opgezocht, waarna zij in een worsteling terecht zijn gekomen. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat, tijdens de worsteling met aangever, het voelde alsof zijn (verdachtes) hand op de trekker zat. Bij een worsteling onder die omstandigheden is voorts, naar algemene ervaringsregels, de kans aanmerkelijk te noemen dat een doorgeladen pistool afgaat en dat iemand zodanig geraakt wordt dat hij ten gevolge hiervan komt te overlijden. Er is dan immers geen controle over waar in het lichaam iemand geraakt zou kunnen worden. Verdachte heeft de aanmerkelijke kans op dat gevolg ook bewust aanvaard. Het laden van het pistool met scherpe munitie, het bij zich steken van dat pistool, en het houden van zijn hand op de trekker in een worsteling zijn gedragingen die kunnen worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg, namelijk het schieten in de richting van een ander met mogelijk dodelijke afloop, dat verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is niet gebleken.
Geen voorbedachte rade
De rechtbank stelt voorop dat voor een bewezenverklaring van het bestanddeel 'voorbedachte raad' moet komen vast te staan, dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Bij de beoordeling of sprake is van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ acht de rechtbank in het bijzonder het volgende van belang.
Verdachte heeft na zijn aanhouding op het politiebureau met zijn zus gebeld, terwijl de verbalisant ernaast bleef staan. In dit gesprek heeft hij gezegd dat hij vijfentwintig jaar de gevangenis in ging en gisteravond al wilde bellen om vaarwel te zeggen. Hij vertelde dat hij haar wilde vertellen wat hij van plan was die dag. Vervolgens vertelde verdachte over ‘het conflict’ tussen hem en [voornaam slachtoffer] en dat [voornaam slachtoffer] geluk heeft dat hij niet dood is. Uit het onderzoek aan de telefoon van verdachte blijkt verder dat verdachte op de avond voor het incident dertien keer heeft opgezocht “hoeveel jaar gevangenisstraf voor moord”.
Verdachte heeft over het telefoongesprek met zijn zus verklaard dat ‘het plan’ waar hij over spreekt niet zag op het doden van aangever maar op het afspreken met [voornaam slachtoffer] om een batch terug te krijgen. Over de zoekopdracht heeft hij verklaard dat hij een discussie had met een collega die zei dat de straf voor moord levenslang is en dat hij zich afvroeg of dat klopte.
Hoewel in het telefoongesprek tussen verdachte en zijn zus en het onderzoek aan de telefoon van verdachte aanwijzingen kunnen worden gevonden voor enig vooropgezet plan, acht de rechtbank – mede gelet op de omstandigheid dat verdachte niet direct bij de ontmoeting of later in het gesprek gericht op aangever heeft geschoten – niet overtuigend bewezen dat verdachte tevoren daadwerkelijk het plan had opgevat om het slachtoffer van het leven te beroven. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van de poging tot moord.
Gelet op bovenstaande acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot doodslag en het voorhanden hebben van een vuurwapen met munitie van categorie III.
4 Bewezenverklaring
De rechtbank acht op grond van de in bijlage II opgenomen bewijsmiddelen bewezen dat verdachte:
Feit 1
op 20 april 2026 te Amsterdam, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] van het leven te beroven, met een vuurwapen in de buik van die [slachtoffer] heeft geschoten, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
Feit 2
op 20 april 2026 te Amsterdam, een wapen van categorie III, onder 1 van de Wet wapens en munitie, te weten een pistool (getransformeerd), van het merk Blow, model Mini 9, kaliber (gewijzigd) 9mm PAK met stalen kogel, zijnde een vuurwapen in de vorm van een pistool voorhanden heeft gehad;
Feit 3
op 20 april 2026 te Amsterdam, munitie van categorie III van de Wet wapens en munitie, te weten vijf patronen, van het merk Umarex, kaliber 9mm PAK (met stalen kogel) voorhanden heeft gehad.
5 De strafbaarheid van het feit
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte een beroep toekomt op noodweer. Zij heeft hiertoe aangevoerd dat verdachte door aangever werd bedreigd en in een nekklem werd gehouden. De rechtbank is van oordeel dat deze stelling onvoldoende concreet is onderbouwd en dat niet aannemelijk is geworden dat sprake was van een onmiddellijk dreigend gevaar voor een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed. De bewezen geachte feiten zijn volgens de wet strafbaar.
6 De strafbaarheid van verdachte
Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsvrouw bepleit dat verdachte een beroep toekomt op noodweerexces dan wel putatief noodweer. De rechtbank heeft in het voorgaande vastgesteld dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie zodat ook het beroep op noodweerexces niet kan slagen. De rechtbank is van oordeel dat ook niet aannemelijk is geworden dat verdachte in de gegeven omstandigheden verschoonbaar heeft kunnen menen dat daarvan sprake was. Verdachte is dan ook strafbaar.
7 Motivering van de straffen
De eis van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte voor de door hem bewezen geachte feiten zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van negen jaar, met aftrek van het voorarrest.
Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft de rechtbank verzocht om, bij een veroordeling, een lagere straf op te leggen dan de door de officier van justitie geëiste straf. Hiertoe heeft zij aangevoerd dat verdachte niet eerder voor een soortgelijk feit is veroordeeld en dat er in vergelijkbare zaken lagere straffen worden opgelegd.
Het oordeel van de rechtbank
De hierna te noemen strafoplegging is in overeenstemming met de ernst van het bewezen geachte, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte, zoals van een en ander ter terechtzitting is gebleken.
De rechtbank heeft bij de keuze tot het opleggen van een vrijheidsbenemende straf en bij de vaststelling van de duur daarvan in het bijzonder het volgende laten meewegen.
De ernst van het feit
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot doodslag met gebruik van een (omgebouwd) vuurwapen. Verdachte is op pad gegaan met een doorgeladen vuurwapen in zijn jaszak. Vervolgens heeft hij aangever op de openbare weg opgezocht en hem in zijn buik geschoten, waarbij andere personen in de directe omgeving aanwezig waren. Dergelijke feiten versterken de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving. Uit de letselinterpretatie blijkt bovendien dat aangever van geluk mag spreken dat de kogel geen vitale organen heeft geraakt. Bovendien leeft bij aangever de vrees dat de kogel op langere termijn door het lichaam gaat zwerven, en moet hij een jaarlijkse controle ondergaan om dit risico te monitoren.
Daarnaast heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie.
De persoon van verdachte
De rechtbank heeft acht geslagen op het reclasseringsadvies van 7 oktober 2026. Hieruit blijkt dat de reclassering een (deels) voorwaardelijke straf met bijzondere voorwaarden adviseert, zodat kan worden ingezet op het voorkomen van nieuwe escalaties en het versterken van zijn coping- en oplossingsvaardigheden. De rechtbank ziet echter vanwege de ernst van het feit geen aanknopingspunten voor een (deels) voorwaardelijke straf en de rechtbank wijst er op dat dergelijke bijzondere voorwaarden in het traject van de voorwaardelijke invrijheidstelling kunnen worden opgestart. Dan kan opnieuw worden gekeken naar de invulling daarvan en zodoende kan maatwerk worden geboden.
De op te leggen straf
Nu de rechtbank de verdachte vrijspreekt van poging tot moord ziet de rechtbank aanleiding om bij de straftoemeting af te wijken van wat de officier van justitie heeft gevorderd.
Gelet op de hierboven genoemde omstandigheden komt de rechtbank tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.
8 Beslag
Onder verdachte zijn de volgende voorwerpen in beslag genomen:
1: 1 STK Holster (goednummer: G6803455);
2: 2 STK Patroon (goednummer: G6803452);
3: 1 STK Pistool (goednummer: G6803251);
4: 1 STK Patroonhouder (goednummer: G6803253);
5: 1 STK Patroon (goednummer: G6803259);
6: 1 STK Huls (goednummer: G6803261);
7: 1 STK Jas (goednummer: G6803270);
8: 1 STK Niet te definiëren goederen (goednummer: G6803272, schietmouw);
9: 1 STK Jas (goednummer: G6803264);
10: 1 STK Telefoontoestel (goednummer: G6803192).
De officier van justitie heeft de onttrekking aan het verkeer gevorderd van de voorwerpen 1 tot en met 6 en 8, en teruggave aan de rechthebbende van de voorwerpen 7, 9 en 10.
De raadsvrouw heeft geen opmerkingen gemaakt over het beslag.
De rechtbank gelast de teruggave aan de rechthebbende van de voorwerpen 1, 7, 8, 9 en 10, omdat geen relatie kan worden vastgesteld tussen de bewezenverklaarde feiten en deze voorwerpen. Bovendien zijn deze niet van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang. De voorwerpen 2 tot en met 6 worden onttrokken aan het verkeer, aangezien met betrekking tot deze voorwerpen het bewezenverklaarde is begaan en deze van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of het algemeen belang.
9 De vordering van de benadeelde partij
De benadeelde partij [slachtoffer] vordert vergoeding van materiële schade van € 985,42 voor de kosten van de ambulance, € 532, - voor daggeldvergoeding en € 50, - voor beschadigde kleding (in totaal € 1.567,42). Daarnaast vordert de benadeelde partij € 25.000, - aan vergoeding van immateriële schade, waarbij aansluiting is gezocht bij de Rotterdamse Schaal onder ‘borstletsel’. Dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.1.1. Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht de vordering tot schadevergoeding in zijn geheel toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.
9.1.2. Het standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vordering, omdat de raadsvrouw van mening is dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsvrouw heeft subsidiair aangevoerd over de gevorderde immateriële schade dat de categorie middelzwaar borstletsel uit de Rotterdamse Schaal niet van toepassing is maar dat eerder moet worden gekeken naar de categorie minder ernstig borstletsel zodat een fors lager bedrag moet worden toegewezen. Ten aanzien van de materiële schade heeft de raadsvrouw geen opmerkingen als de rechtbank tot een bewezenverklaring komt.
9.1.3. Het oordeel van de rechtbank
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezen verklaarde rechtstreeks materiële schade is toegebracht.
Vast staat dat aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde rechtstreeks immateriële schade is toegebracht. De benadeelde partij heeft op grond van artikel 6:106, eerste lid aanhef en onder b eerste en derde onderdeel Burgerlijk Wetboek (BW) recht op schadevergoeding aangezien de benadeelde partij lichamelijk letsel is toegebracht.
De ‘Rotterdamse Schaal’ is een ordening van smartengeldbedragen bij lichamelijk letsel en andere persoonsaantastingen. Het vormt een hulpmiddel voor de rechtbank bij de vaststelling van de omvang van smartengeld in concrete gevallen. De Rotterdamse Schaal bevat echter geen specifieke richtlijnen voor smartengeldbedragen bij buikletsel. Ook de richtlijn voor borstletsel, waarbij veelal wordt uitgegaan van letsel aan de longen, biedt in dit geval geen aanknopingspunt. De rechtbank maakt daarom gebruik van haar schattingsbevoegdheid. De rechtbank heeft hierbij in het bijzonder rekening gehouden met de aard en ernst van het letsel, waaronder de intensiteit van het letsel en de duur van het herstel. De benadeelde partij is in de buik geschoten en de kogel is dichtbij vitale organen terechtgekomen, waardoor het te gevaarlijk was om deze operatief te verwijderen. De benadeelde partij vreest dat de kogel in het lichaam gaat zwerven en wordt door jaarlijkse controles met dit (op zich kleine) risico geconfronteerd. De rechtbank oordeelt dat het gevorderde bedrag tot € 15.000, - billijk is en verklaart de benadeelde partij voor het overige gedeelte niet-ontvankelijk in zijn vordering.
De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 16.567,42, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf het moment van het ontstaan van de schade, zijnde 20 april 2026, en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering.
10 Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen 36b, 36c, 36f, 45, 57 en 287 van het Wetboek van Strafrecht en op de artikelen 26 en 55 van de Wet wapens en munitie.
11 Beslissing
De rechtbank komt op grond van het voorgaande tot de volgende beslissing.
Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan zoals hiervoor in rubriek 4 is vermeld.
Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor is bewezen verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij.
Het bewezen verklaarde levert op:
Feit 1 primair:
Poging tot doodslag
Feit 2:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie, begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III
Feit 3:
Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
Verklaart het bewezene strafbaar.
Verklaart verdachte, [verdachte], daarvoor strafbaar.
Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (zes) jaren.
Beveelt dat de tijd die door veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van die straf in mindering gebracht zal worden.
Verklaart onttrokken aan het verkeer:
2: 2 STK Patroon (goednummer: G6803452);
3: 1 STK Pistool (goednummer: G6803251);
4: 1 STK Patroonhouder (goednummer: G6803253);
5: 1 STK Patroon (goednummer: G6803259);
6: 1 STK Huls (goednummer: G6803261).
Gelast de teruggave aan de rechthebbende van:
1: 1 STK Holster (goednummer: G6803455);
7: 1 STK Jas (goednummer: G6803270);
8: 1 STK Niet te definiëren goederen (goednummer: G6803272, Schietmouw);
9: 1 STK Jas (goednummer: G6803264);
10: 1 STK Telefoontoestel (goednummer: G6803192).
Wijst de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] toe tot een bedrag van € 1.567,42 (duizend vijfhonderdzevenenzestig euro en tweeënveertig cent) aan vergoeding van materiële schade en € 15.000, - (vijftienduizend euro) aan vergoeding van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 april 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening.
Veroordeelt verdachte tot betaling van het toegewezen bedrag aan [slachtoffer] voornoemd.
Veroordeelt verdachte voorts in de kosten door de benadeelde partij gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog te maken, tot op heden begroot op nihil.
Bepaalt dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering is.
Legt verdachte de verplichting op ten behoeve van [slachtoffer] aan de Staat € 16.567,42 (zestienduizend vijfhonderdzevenenzestig euro en tweeënveertig cent) te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf het moment van het ontstaan van de schade (20 april 2026) tot aan de dag van de algehele voldoening. Bij gebreke van betaling en verhaal kan gijzeling worden toegepast voor de duur van 107 (honderdzeven) dagen. De toepassing van die gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Bepaalt dat, indien en voor zover verdachte aan een van de genoemde betalingsverplichtingen heeft voldaan, daarmee de andere is vervallen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M. Vaandrager, voorzitter,
mrs. G. Oldekamp en M. Bakhuis, rechters,
in tegenwoordigheid van mr. L.D. de Vries, griffier,
en uitgesproken op de openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 oktober 2026.