Vreemdelingenrecht
AA Syrië. De algemene veiligheidssituatie in Syrië. De humanitaire situatie in Syrië. Het beroep is gegrond
Rechtbank Den Haag, 5 november 2026
ECLI:NL:RBDHA:2026:32754 · Rechtbank Den Haag · 5 november 2026
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-den-haag/bestuursrecht/vreemdelingenrecht/eerste-aanleg-enkelvoudig/ecli-nl-rbdha-2026-32754
Zaakgegevens
Op 5 november 2026 heeft de Rechtbank Den Haag in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over vreemdelingenrecht.
- Instantie
- Rechtbank Den HaagRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Amsterdam
- Datum uitspraak
- 5 november 2026
- Datum publicatie
- 6 november 2026
- Zaaknummer
- NL23.33826
- Rechtsgebied
- Bestuursrecht » Vreemdelingenrecht
- Procedure
- Eerste aanleg - enkelvoudigEnkelvoudige kamerDe zaak is behandeld door één rechter.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBDHA:2026:32754
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
AA Syrië. De algemene veiligheidssituatie in Syrië. De humanitaire situatie in Syrië. Het beroep is gegrond
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL23.33826
V-nummer: [V-nummer]
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 1990, van Syrische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. A.H.A Kessels),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: [gemachtigde] ).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
Eiser heeft op 16 september 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 10 oktober 2023 afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank.
Tijdens de beroepsfase is het landenbeleid inzake Syrië gewijzigd. Op 23 april 2025 heeft de minister eiser opnieuw aanvullend gehoord. De minister heeft op 19 december 2025 een aanvullend besluit genomen en is daarbij gebleven bij de afwijzing van de aanvraag. Eiser heeft op 9 oktober 2026 aanvullende gronden ingediend.
De minister heeft op 16 oktober een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 26 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van de minister en K. Youssef als tolk in de taal Syrisch-Arabisch. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.
Beoordeling door de rechtbank
Asielrelaas
2. Eiser heeft tijdens zijn eerste gehoor in 2023 verklaard door het Assad-regime en door de Koerden te worden gezocht voor de militaire dienst. Ook heeft hij verklaard tussen 2015 en 2021 drie keer naar zijn dorp te zijn teruggekeerd nadat hij naar Turkije is gereisd om te werken. In het aanvullende gehoor in 2025 heeft hij verklaard problemen te hebben gehad tijdens zijn laatste illegale uitreis uit Syrië in februari/maart 2021. Eiser heeft verklaard te zijn aangehouden, twee dagen te zijn vastgezet en daarbij te zijn gemarteld door de groep Al-Amshat. Hij is uiteindelijk vrijgekomen door het betalen van een geldsom. Hij stelt dat deze groep nu de macht heeft in zijn dorp. Verder stelt eiser dat zijn dorp nog steeds aan het front met de Koerden ligt. Hij vreest voor ontvoering, moord en een algeheel gebrek aan veiligheid. Dit is te relateren aan de algemene situatie in Syrië.
Besluitvorming
3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
-
identiteit, nationaliteit en herkomst;
-
problemen bij terugkeer met betrekking tot verplichting militaire dienst;
-
algemene situatie in Syrië; en,
-
aanhouding en mishandeling door Al-Amshat in 2021.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig.
De problemen bij terugkeer in verband met de militaire dienstplicht en de algemene situatie in Syrië heeft de minister in zijn besluit van 19 december 2025 niet beoordeeld op geloofwaardigheid. Gelet op de gewijzigde situatie in Syrië ziet dit namelijk op (toekomstige) vrees, wat niet als zodanig op geloofwaardigheid kan worden beoordeeld. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser deze vrees evenmin aannemelijk heeft gemaakt.
De aanhouding en mishandeling door Al-Amshat in 2021 acht de minister niet geloofwaardig, omdat eiser hierover niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard.
Volgens de minister is eiser geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. Het feit dat eiser uit Syrië komt is op zichzelf namelijk niet genoeg om een vluchteling te zijn. Ook is het feit dat hij uit Syrië komt op zichzelf niet genoeg om een risico op ernstige schade aan te nemen. De minister neemt voor Syrië een relatief lager niveau van willekeurig geweld aan. Dit geldt dus ook voor de provincie Aleppo waar eiser vandaan komt. Om die reden moet eiser persoonlijke omstandigheden aanvoeren waaruit volgt dat hij een hoger risico loopt om slachtoffer te worden van dit geweld. Eiser is hierin niet geslaagd, nu hij zijn stelling dat hij vanwege zijn langdurige verblijf in Europa een hoger risico loopt, niet heeft onderbouwd.
Met betrekking tot de humanitaire omstandigheden in Syrië heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat deze omstandigheden kunnen worden meegewogen bij de vaststelling of al dan niet sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld, maar alleen als deze omstandigheden dan wel direct of indirect voortkomen uit het handelen of nalaten van één van de strijdende partijen. Daarvan is in dit geval volgens de minister geen sprake omdat het regime van Assad, dat grotendeels verantwoordelijk is voor de slechte humanitaire situatie, niet langer betrokken is bij het gewapend conflict. De humanitaire situatie is dus niet in overwegende mate te wijten aan de huidige actoren bij het gewapend conflict en kan dus bij de beoordeling van het niveau van willekeurig geweld geen rol spelen, aldus de minister.
De algehele veiligheidssituatie in Syrië en de humanitaire omstandigheden
4. Eiser betoogt in het kader van de zwaarwegendheid onder meer dat hij bij terugkeer te vrezen heeft voor de algemene veiligheidssituatie in Syrië. Hij stelt dat de minister ten onrechte is uitgegaan van een relatief laag niveau van willekeurig geweld en de humanitaire omstandigheden niet op de juiste wijze heeft meegewogen bij zijn artikel 15c-beoordeling. Eiser verwijst daarbij onder meer naar een recente uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 september 2026.
5. Deze beroepsgrond slaagt en de rechtbank overweegt daartoe als volgt.
Op 11 september 2026 heeft de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Syrië op dit moment sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld. De rechtbank is namelijk tot de conclusie gekomen dat de minister onvoldoende heeft onderbouwd waarom voor heel Syrië wordt uitgegaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. De situatie is na de val van Assad nog steeds fragiel en diffuus en van een stabiele en bestendig verbeterde veiligheidssituatie is onvoldoende gebleken. Ook is geoordeeld dat de minister de humanitaire omstandigheden niet op een deugdelijke wijze heeft betrokken bij de beoordeling, en daarmee niet in lijn heeft gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. De minister heeft namelijk ten onrechte niet betrokken dat het huidige conflict in Syrië rechtsreeks voortvloeit uit de jarenlange oorlog tijdens het regime van Assad en dat hoewel de machtsverhouding is gewijzigd, de actoren - met uitzondering van het regime van Assad - niet zijn veranderd. Gelet daarop had de minister de humanitaire situatie in Syrië moeten betrekken bij de vraag welk niveau het willekeurig geweld nu is.
De rechtbank ziet in deze zaak geen aanleiding om af te wijken van het hierboven beschreven oordeel over het standpunt van de minister inzake de veiligheidssituatie en de humanitaire omstandigheden in Syrië. Dit geldt te meer omdat de minister, zowel in zijn verweerschrift van 16 oktober 2026 als op de zitting, niet is gekomen met nieuwe inzichten ten opzichte van wat al bekend was bij het doen van de uitspraken van 11 september 2026, noch met een weerlegging van deze uitspraken. De rechtbank sluit zich dan ook aan bij het oordeel van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats van 11 september 2026 en maakt dat oordeel tot het hare. Dat betekent dat ook voor eiser geldt dat onvoldoende duidelijk is of hij een risico op ernstige schade loopt bij terugkeer naar Syrië. De rechtbank kan zonder een goed gemotiveerd standpunt over de veiligheidssituatie in Syrië ook niet beoordelen welke individuele omstandigheden een reëel risico op ernstige schade kunnen meebrengen.
Dat de minister hoger beroep heeft ingesteld tegen de uitspraak van 11 september 2026, verandert niets aan het voorgaande, omdat er nog geen uitspraak in hoger beroep is gedaan.
Overige beroepsgronden
Eiser heeft in beroep verder nog het een en ander aangevoerd tegen de geloofwaardigheidsbeoordeling van zijn asielrelaas. Nu het beroep gelet op het voorgaande al gegrond is, behoeft hetgeen hij daartoe heeft aangevoerd geen bespreking meer. Wel ziet de rechtbank aanleiding om het verzoek van eiser om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn te beoordelen.
Overschrijding van de redelijke termijn
6. Eiser heeft verzocht om hem een schadevergoeding toe te kennen wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
7. De rechtbank overweegt dat als uitgangspunt in een zaak als deze geldt dat de behandeling van het beroep ten hoogste twee jaar mag duren. De redelijke termijn begint in asielzaken met het instellen van beroep. Als de redelijke termijn is overschreden, bedraagt de schadevergoeding in principe € 500,- per half jaar waarmee de termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond.
De rechtbank stelt vast dat in de zaak van eiser de redelijke termijn is aangevangen met het indienen van zijn beroepschrift op 15 oktober 2023 en eindigt met de uitspraak van de rechtbank die vandaag wordt gedaan. Dit betekent dat de procedure 3 jaar en 1 maand heeft geduurd. Daarmee is de redelijke behandelingsduur van het beroep van twee jaar met 1 jaar en 1 maand (dertien maanden) overschreden. Niet is gebleken dat sprake is van bijzondere omstandigheden die een langere behandelduur rechtvaardigen. Eiser heeft daarom recht op een immateriële schadevergoeding. Uitgaande van het bedrag van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond, bedraagt het aan eiser toe te kennen bedrag € 1.500,-.
De volgende vraag die moet worden beantwoord is aan wie deze overschrijding moet worden toegerekend. De rechtbank is van oordeel dat de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan de minister is toe te rekenen, en overweegt daartoe als volgt. Het beroep is ingesteld op 15 oktober 2023. In de beroepsfase is het onderzoek op 20 februari 2025 geschorst en het beroep aangehouden in afwachting van een nieuw besluit. De beslissing van de rechtbank om het onderzoek te schorsen en het beroep aan te houden, wordt gelijkgesteld met een tussenuitspraak. Als in een zaak een tussenuitspraak is gedaan, wordt de overschrijding van de redelijke termijn in beginsel volledig toegerekend aan het bestuursorgaan, tenzij in de rechterlijke fase de redelijke behandelingsduur is overschreden. De redelijke behandelingsduur in beroep is niet overschreden als deze niet langer dan anderhalf jaar vanaf het instellen van het beroep heeft geduurd. Bij een tussenuitspraak is de redelijke behandelingsduur in beroep niet overschreden als een tussenuitspraak is gedaan binnen anderhalf jaar vanaf het instellen van het beroep én binnen één jaar na de mededeling van het bestuursorgaan over de wijze waarop het gebrek is hersteld einduitspraak heeft gedaan. Na het instellen van het beroep op 15 oktober 2023 heeft de rechtbank het onderzoek binnen anderhalf jaar, namelijk op 20 februari 2025, geschorst en het beroep aangehouden. De minister heeft op 19 december 2025 een aanvullend besluit genomen. Vervolgens is, gelet op de datum van de uitspraak van vandaag, binnen één jaar na het aanvullende besluit einduitspraak gedaan. De redelijke behandelingsduur in de rechterlijke fase is dus niet overschreden. Dit maakt dat de overschrijding van de redelijke termijn volledig wordt toegerekend aan de minister.
Conclusie en gevolgen
8. De rechtbank is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de minister de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen als ongegrond. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom hij uitgaat van het laagste niveau van willekeurig geweld in Syrië. Het beroep is dus gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor een termijn van zes weken.
De rechtbank wijst het verzoek om immateriële schadevergoeding toe en bepaalt dat de minister een bedrag van € 1.500,- aan eiseres betaalt.
Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1). Voor het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn bedraagt deze vergoeding € 467,- (1 punt van € 934 met een wegingsfactor van 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Dat betekent dat de rechtbank de minister veroordeelt in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.335,-.
Beslissing
De rechtbank:
-
verklaart het beroep gegrond;
-
vernietigt het bestreden besluit;
-
draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;
-
veroordeelt de minister tot betaling van € 2.335,-.aan proceskosten aan eiser; en,
-
veroordeelt de minister tot betaling aan eiser van vergoeding van de schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot een bedrag van € 1.500,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Moussaoui., rechter, in aanwezigheid van mr. H. El Ouahabi, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.