Strafrecht overig
‘Kluisjesroof’bij bank; niet-ontvankelijkheidsverweren afgewezen, openbaar ministerie ontvankelijk…
Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 25 juni 2019
ECLI:NL:RBZWB:2019:2815 · Rechtbank Zeeland-West-Brabant · 25 juni 2019
https://www.uitspraken.nl/uitspraak/rechtbank-zeeland-west-brabant/strafrecht/strafrecht-overig/eerste-aanleg-meervoudig/ecli-nl-rbzwb-2019-2815
Zaakgegevens
Op 25 juni 2019 heeft de Rechtbank Zeeland-West-Brabant in eerste aanleg uitspraak gedaan in een zaak over strafrecht.
- Instantie
- Rechtbank Zeeland-West-BrabantRechtbankDe rechter die de meeste zaken als eerste behandelt: civiele zaken, strafzaken en bestuurszaken.Meer uitleg
- Zittingsplaats
- Breda
- Datum uitspraak
- 25 juni 2019
- Datum publicatie
- 25 juni 2019
- Zaaknummer
- 02-820366-18
- Rechtsgebied
- Strafrecht » Strafrecht overig
- Procedure
- Eerste aanleg - meervoudigMeervoudige kamerDe zaak is behandeld door drie rechters samen, meestal omdat zij ingewikkeld of zwaar is.Meer uitleg
- ECLI
- ECLI:NL:RBZWB:2019:2815
Inhoud van deze uitspraak
Samenvatting
‘Kluisjesroof’bij bank; niet-ontvankelijkheidsverweren afgewezen, openbaar ministerie ontvankelijk; medeplegen gekwalificeerde diefstal wettig en overtuigend bewezen; gevangenisstraf opgelegd van vier jaar; strafoplegging lager dan eis van officier van justitie; vordering benadeelde partij deels toegewezen.
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT
Strafrecht
Zittingsplaats: Breda
parketnummer: 02/820366-18
vonnis van de meervoudige kamer van 25 juni 2019
in de strafzaak tegen
[verdachte]
geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats]
wonende te [adres 1]
thans gedetineerd in P.I. Rijnmond, De Schie te Rotterdam
raadsman mr. Z. Yeral, advocaat te Roosendaal
1 Onderzoek van de zaak
De zaak is inhoudelijk behandeld op de zitting van 21 mei 2019 en 11 juni 2019 waarbij de officier van justitie mr. Van Setten, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.
2 De tenlastelegging
De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 314a van het Wetboek van Strafvordering (hierna te noemen: Sv). Verdachte staat, met inachtneming hiervan, terecht ter zake dat
hij, in of omstreeks de periode van 2 maart 2018 tot en met 5 maart 2018 te Oudenbosch, gemeente Halderberge, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,
de inhoud van 334, in elk geval 211 safeloketten, althans een groot aantal safeloketten, zijnde onder meer geld, sieraden en goud (ter waarde van minimaal 8 miljoen euro), in elk geval enig goed, dat geheel of gedeeltelijk aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan de huurder(s) van de safeloketten bij de [benadeelde partij] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of (een) valse sleutel(s);
subsidiair
een of meer onbekend gebleven dader(s) in of omstreeks de periode van 2 maart 2018 tot en met 5 maart 2018 te Oudenbosch, gemeente Halderberge, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen, de inhoud van 334, in elk geval 211 safeloketten, althans een groot aantal safeloketten, zijnde onder meer geld, sieraden en goud (ter waarde van minimaal 8 miljoen euro), in elk geval enig goed, dat geheel of gedeeltelijk aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan de huurder(s) van de safeloketten bij de [benadeelde partij] , heeft/hebben weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl die onbekend gebleven dader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of (een) valse sleutel(s),
tot en/of bij het plegen van welk misdrijf verdachte, in of omstreeks genoemde periode te Oudenbosch, gemeente Halderberge, samen en in vereniging met een ander(en), althans alleen, opzettelijk behulpzaam is geweest en/of opzettelijk gelegenheid, middelen en/of inlichtingen heeft verschaft door die onbekend gebleven dader(s) – zakelijk weergegeven – de toegang te verschaffen tot die [benadeelde partij] en/of de safeloketten klaar te zetten en/of aanwijzingen te geven in/bij die [benadeelde partij] ;
3 De voorvragen
De geldigheid van de dagvaarding
De dagvaarding is geldig.
De bevoegdheid van de rechtbank
De rechtbank is bevoegd.
De ontvankelijkheid van het openbaar ministerie
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betoogd dat sprake is geweest van onherstelbare vormverzuimen in de zin van artikel 359a lid 1 sub c Sv en dat verdachte geen eerlijk proces heeft gekregen in de zin van artikel 6 EVRM.
Verdachte is ten onrechte op 15 maart 2018 als getuige gehoord in plaats van als verdachte, zodat hij zijn rechten die hem als verdachte toekomen heeft moeten missen. Verder hebben verdachte, zijn vrouw en zijn zoon zich bedreigd en geïntimideerd gevoeld door personen die zich voordeden als gedupeerden en eruit zagen als criminelen, terwijl het hier ging om undercover opsporingsambtenaren. Daarmee is bovendien op ontoelaatbare wijze in strijd gehandeld met artikel 8 EVRM.
De officier van justitie heeft ten onrechte geen melding gemaakt van de inzet van deze opsporingsbevoegdheid.
Er is, gelet op dit alles, sprake geweest van ernstige inbreuken op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekort gedaan, zodat het openbaar ministerie niet ontvankelijk moet worden verklaard, aldus de verdediging.
Het standpunt van het openbaar ministerie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat het openbaar ministerie ontvankelijk is.
Het verhoor van verdachte als getuige op 15 maart 2018 was toegestaan. Het onderzoek van de politie richtte zich in die fase nog op een NN-verdachte.
Ten aanzien van de inzet van de opsporingsbevoegdheid stelselmatige informatie-inwinning stelt de officier van justitie primair dat deze inzet niet heeft geleid tot enig resultaat, ontlastend of belastend, en dat bespreking van de inzet niet nodig is voor beantwoording van de vragen van 348 en 350 Sv. Gelet op alle andere documenten in het dossier was geen sprake van enige verhulling, aldus de officier van justitie. Van een vormverzuim is geen sprake, en enig nadeel is niet ontstaan.
Subsidiair stelt de officier van justitie dat de inzet heeft plaatsgevonden op grond van een bevel, en dat is voldaan aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. Er zijn geen grenzen overschreden, noch is sprake van een ernstige schending noch is er enig rechtens te beschermen belang geschaad dat tot nadeel heeft geleid. Meer subsidiair, ingeval geoordeeld wordt dat sprake is geweest van een bedreiging in strafrechtelijke zin, stelt de officier van justitie zich op het standpunt dat dit slechts gericht is geweest tegen de familie van verdachte, zodat dit de zaak van verdachte niet raakt, rekening houdend met de Schutznorm. Uiterst subsidiair stelt de officier van justitie dat van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie geen sprake kan zijn, nu dit volgens vaste jurisprudentie slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen aan de orde kan zijn.
Met betrekking tot het standpunt dat verdachte ten onrechte als getuige is gehoord stelt de officier van justitie dat niet is gebleken van enige schending of van een daadwerkelijke benadeling.
Het oordeel van de rechtbank
Indien sprake is van een bij het voorbereidend onderzoek begaan onherstelbaar vormverzuim, en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet beoordeeld worden of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg moet worden verbonden en zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij moet rekening gehouden worden met de in artikel 359a, tweede lid Sv genoemde factoren, te weten het belang van het geschonden voorschrift, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.
Het horen van verdachte als getuige:
Op 15 maart 2018 is verdachte als getuige gehoord door de politie. Uit het dossier (pagina 759 ev) blijkt dat op 14 maart 2018 door de politie een aanvraag machtiging ex artikel 125i Sv is gedaan voor een doorzoeking ter vastlegging van gegevens op het hoofdkantoor van [bedrijf 1] , ter verkrijging van de noodzakelijke bewijslast tegen de verdachte. In de toelichting op deze aanvraag heeft de politie beschreven dat men naar aanleiding van getuigenverklaringen van medewerkers van [bedrijf 1] ( [medewerker 1] en [medewerker 2] ) en een medewerker van de [benadeelde partij] ( [getuige 1] ) onder andere wil ontvangen “alle beschikbare informatie (werkroosters, pasgebruik, werkzaamheden, voertuiggebruik, portofoonverkeer, bevoegdheden/geweldsmiddelen) betreffende [bedrijf 1] -medewerker [verdachte] ten aanzien van zijn uitgevoerde werkzaamheden betreffende [benadeelde partij] Oudenbosch over de periode 01 december 2017 t/m 05 maart 2018”. Naar het oordeel van de rechtbank is op dit moment in elk geval een opsporingsonderzoek gestart jegens verdachte. Dat in de aanvraag gesproken wordt over een NN-verdachte maakt dit niet anders. Nu verdachte nadien nog als getuige is gehoord, en dus zonder bijstand van een raadsman en zonder het geven van de cautie, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim, waarvan de gevolgen niet uit de wet blijken.
De inzet van de bevoegdheid tot stelselmatige informatie-inwinning:
Voor de periode van 6 juni 2018 tot en met 3 juli 2018 is jegens verdachte een tweetal bevelen opnemen vertrouwelijke informatie afgegeven, waarbij in de aanvragen vermeld staat dat het gaat om opname op de dag dat voorafgaand aan een bezoek aan de PI waar verdachte vast zat stelselmatige informatie zal worden ingewonnen bij de partner en zoon van verdachte (p. 2212 en 2233). Verder is jegens verdachte een bevel stelmatige inwinning van informatie ex artikel 126j Sv afgegeven door de officier van justitie over de periode van 4 juni tot en met 1 juli 2018. Ten aanzien van de uitvoering hiervan is omschreven dat één of meerdere opsporingsambtenaren in contact zullen treden met de partner, zoon of met een andere persoon uit de directe omgeving van verdachte. Nu in het schriftelijke bevel een geldigheidsduur is opgenomen en daarin is vermeld op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan het bevel, voldoet het ten aanzien van verdachte afgegeven bevel stelselmatige informatie-inwinning aan de in de wet gestelde eisen. De officier van justitie heeft betoogd dat strikt genomen het afgeven van een bevel ex artikel 126j Sv niet nodig was, gelet op het eenmalige karakter van de inzet. De rechtbank zal de vraag in hoeverre een bevel ex artikel 126j Sv vereist is niet ten gronde beantwoorden, maar veronderstellen dat zulks het geval was teneinde het verweer in zijn meest verstrekkende variant te behandelen.
Het melden van de inzet zelf:
Uit de parlementaire geschiedenis met betrekking tot artikel 126aa Sv volgt dat de wetgever uitgaat van controle door de zittingsrechter op de uitoefening van opsporingsmethoden. Juist bij bijzondere opsporingsbevoegdheden, waarvan de toepassing aanvankelijk niet kenbaar is, en die diep kunnen ingrijpen in de persoonlijke levenssfeer van burgers, is controle achteraf op de waarheidsvinding en op de rechtmatigheid van de toepassing van de bijzondere opsporingsbevoegdheden van belang. Ingevolge datzelfde artikel rust op het openbaar ministerie de plicht minst genomen de inzet van de opsporingsbevoegdheid stelselmatig inwinnen van informatie te melden, ook indien de officier van justitie van oordeel is dat de toepassing van het opsporingsmiddel niet heeft geleid tot voor het onderzoek van de zaak van betekenis zijnde gegevens. Aanvankelijk was in het dossier slechts zeer summier melding gemaakt van de inzet van dit bijzondere opsporingsmiddel, door in de aanvragen bevel opnemen vertrouwelijke informatie te melden dat stelselmatige informatie wordt ingewonnen bij de partner en zoon van verdachte (p. 2213). Het had naar het oordeel van de rechtbank in het kader van transparantie voor de hand gelegen ook in het stamprocesverbaal te vermelden dat het bijzondere opsporingsmiddel was ingezet. Inmiddels heeft de officier van justitie het “bevel stelselmatige inwinning van informatie” en het aanvraag proces-verbaal ter zake aan het procesdossier toegevoegd, zodat, voor zover al sprake zou zijn van een vormverzuim, dit vormverzuim hersteld is en in zoverre ook aan de meldingsplicht is voldaan.
Het doelbewust stukken uit het dossier houden of misleiding van de rechtbank of verdediging op dit punt is de rechtbank niet gebleken.
Het melden van het resultaat van de inzet:
De officier van justitie is verantwoordelijk voor de samenstelling van het procesdossier. Gevoegd moeten worden processtukken waaraan gegevens kunnen worden ontleend, verkregen door de uitoefening van bijzondere opsporingsmethoden, voor zover voor het onderzoek van betekenis. Dit betreffen de voor de waarheidsvinding belastende en ontlastende gegevens, en verder de gegevens die controle op de opsporingsbevoegdheden mogelijk maken. De officier van justitie mag bij het samenstellen van het strafdossier rekening houden met bijzondere belangen, zoals de afscherming van methodieken en middelen (zie in dit verband de Aanwijzing Opsporingsbevoegdheden 2014), en heeft daarin dus een beslissingsbevoegdheid. De officier van justitie heeft, in verband met de afscherming van methodieken en middelen ervoor gekozen om geen proces-verbaal met betrekking tot de inzet zelf toe te voegen aan het dossier. Die beslissing kan en mag de officier van justitie nemen, tenzij daarmee voorbijgegaan wordt aan de controlemogelijkheden van de rechtbank. Uit het resultaat van de ingezette stelselmatige informatie-inwinning, die blijkt uit de OVC-gesprekken, volgt dat deze voor verdachte niet belastend is, nu daaruit niet blijkt van een directe betrokkenheid bij de strafbare feiten waarvan hij wordt verdacht. Evenmin zijn die gesprekken als ontlastend te beschouwen. Het feit dat betrokkenheid wordt ontkend sluit betrokkenheid immers niet uit, temeer niet nu in de OVC-gesprekken te lezen valt dat verdachte en zijn familie de mogelijkheid dat sprake was van inzet door opsporingsambtenaren onder ogen hebben gezien. Verder is niet gebleken dat sprake is geweest van verdere opsporingsinzet op grond van het bevel stelselmatige informatie-inwinning. De beslissing van de officier van justitie tot het niet voegen in het dossier van de resultaten van de inzet kan niet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie, nu er voldoende controlemogelijkheden zijn voor de rechtbank op de uitoefening van de opsporingsbevoegdheden. Aan het dossier zijn immers toegevoegd de uitgewerkte OVC-gesprekken en de bandopnames daarvan. Van het doelbewust stukken uit het dossier houden of misleiding van de rechtbank of verdediging is de rechtbank niet gebleken. Er is geen sprake van een onherstelbaar vormverzuim.
Is sprake geweest van onrechtmatigheden?
Vooropgesteld moet worden dat, ook met een vereiste machtiging ex artikel 126j Sv, opsporingsambtenaren geen strafbare feiten mogen plegen. Indien daarvan wel sprake is geweest is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het vooronderzoek en zou artikel 359a, lid 1 Sv geschonden zijn.
De toepassing van de opsporingsbevoegdheid stelselmatige informatie-inwinning, zo heeft de officier van justitie bevestigd, heeft plaatsgevonden op 26 juni 2018. Van dit contact tussen de opsporingsambtenaren en de zoon en echtgenote van verdachte bevindt zich het OVC-gesprek in het dossier. De verdediging heeft betoogd dat het gesprek bedreigend van aard was. Daarbij heeft zij specifiek de volgende passages benoemd:
“Wij weten wat die kerel van jullie gedaan heeft. En dat geld….”
“En dat geld…..Dat geld maakt me geen reet uit maar ik wil een wit gouden ring met een blauwe diamant, die wil ik terug.”
“Wij weten waar we naartoe moeten. Houd er rekening mee dat we daarvoor terug gaan komen. Oké?”
“Jullie wonen hier met z’n tweeën, kijk wat jullie gaan doen. Maar we blijven terugkomen en er zijn andere mensen ook.”
“Weet in ieder geval dat we nog terugkomen dus succes.”
De rechtbank is van oordeel dat deze uitlatingen door undercover-opsporingsambtenaren uiteindelijk niet als een strafrechtelijke bedreiging of dwang kunnen worden gekwalificeerd. De bewoordingen hebben ongetwijfeld een onprettig of ongemakkelijk gevoel veroorzaakt bij de familie van verdachte, omdat daarin om sieraden werd gevraagd en men aangaf terug te zullen komen, maar zijn qua inhoud te vaag en onduidelijk om daaruit te concluderen dat de echtgenote en zoon van verdachte de gerechtvaardigde vrees zouden kunnen hebben dat bij een volgende ontmoeting geweld toegepast zou worden. Evenmin is gebleken dat hiermee of op enige andere wijze, bijvoorbeeld door gebaren of door een bepaalde toonzetting of volume van stemmen, men in de vrijheid van handelen werd beperkt door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid. Op de aan het dossier toegevoegde bandopnames, die nog ter terechtzitting zijn beluisterd, valt te horen dat de opsporingsambtenaren op rustige toon spraken. Dat de opsporingsambtenaren er beweerdelijk uitzagen als criminelen maakt – ook als dat inderdaad het geval is geweest wat de rechtbank niet heeft kunnen vaststellen – gelet op alle omstandigheden van het geval, waarbij ook van belang is geweest van een kortdurend contact – nog niet dat sprake is geweest van een zodanige bedreigende situatie dat – naast dat sprake is geweest van een zeer onprettige ervaring – ook redelijkerwijze de vrees voor geweld of een andere feitelijkheid heeft kunnen doen opkomen.
Overigens is de rechtbank wel van oordeel dat het openbaar ministerie hier de grenzen van het toelaatbare op verregaande wijze opzoekt, maar dat men er dus (net) niet overheen is gegaan. Bij dit oordeel speelt het opsporingsbelang wat betreft de rechtbank een doorslaggevende rol. Het betrof hier een groot onderzoek naar de daders van een geruchtmakende en grote bankroof. Dit maakt dat soms vergaande en voor diegenen die het moeten ondergaan onprettige opsporingsmethoden moeten worden ingezet om een doorbraak te kunnen krijgen, die op andere, minder vergaande wijze, hoogstwaarschijnlijk niet verkregen zal worden.
Het feit dat in de media werd gepubliceerd dat verdachte door Bredase criminelen gezocht werd maakt dit oordeel niet anders. Niet gebleken is, en dit is door de officier van justitie ook stellig ontkend, dat dit door toedoen van het openbaar ministerie is geschied.
Van strijd met artikel 8 EVRM is naar het oordeel van de rechtbank evenmin sprake. Inherent aan de inzet van een bijzondere opsporingsbevoegdheid als stelselmatige informatie-inwinning is juist het heimelijke karakter ervan. De officier van justitie heeft onbetwist gesteld dat de stelselmatige informatie-inwinning slechts ongeveer een minuut heeft geduurd. Nu van strafbaar handelen geen sprake was, en de inzet van dit opsporingsmiddel eenmalig en kortdurend is geweest, is geen sprake van strijd met artikel 8 EVRM.
De rechtbank is ten slotte niet gebleken dat de officier van justitie doelbewust informatie uit het dossier heeft willen houden om daarmee de rechtbank te misleiden. De officier van justitie heeft, zoals zij heeft betoogd, gebruik gemaakt van haar bevoegdheid om geen proces-verbaal van de inzet op te nemen in het dossier, gelet op haar afweging dat er geen relevant resultaat is verkregen.
Conclusie:
Geconcludeerd moet worden dat enkel het horen van verdachte als getuige, zoals hiervoor is geoordeeld, een onherstelbaar vormverzuim betreft. Gelet op het belang van het geschonden voorschrift, dat immers de rechten van verdachten worden gewaarborgd, en de ernst van het verzuim, zal de rechtbank, nu de resultaten van het verhoor verkregen zijn door het verzuim, als consequentie tot bewijsuitsluiting hiervan overgaan, nu dit noodzakelijk wordt gezien ter verzekering van het recht van de verdachte op een eerlijk proces. Van een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling is tekort gedaan, is naar het oordeel van de rechtbank geen sprake. De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.
De schorsing van de vervolging
Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.
4 De beoordeling van het bewijs
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met de medeverdachte en twee andere daders, schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde. Op grond van de stukken en het beeldmateriaal in het dossier concludeert zij, dat verdachte en zijn medeverdachte op 2 maart 2018 de alarmen van de [benadeelde partij] hebben uitgeschakeld en de PIR (Passieve Infra Rood) camera in het voorportaal van de kluis hebben gesaboteerd. Vervolgens hebben zij de kluis geopend en de safeloketten uit de kluis gehaald en in het voorportaal klaargezet. Op 3 maart 2018 hebben zij in samenwerking met de andere daders een alarmmelding gegenereerd. Verdachte en zijn medeverdachte zijn hierop naar de [benadeelde partij] gereden en hebben door het alarm van de [benadeelde partij] uit te schakelen voor de twee andere daders die beschikten over een toegangspas de gelegenheid gecreëerd de [benadeelde partij] binnen te gaan. Vervolgens is er op 4 maart 2018 opnieuw een alarmmelding gegenereerd waar verdachte en zijn medeverdachte op af zijn gegaan. Aldaar hebben zij opnieuw de alarmen uitgeschakeld waardoor de andere daders in de gelegenheid werden gesteld met de buit de [benadeelde partij] te verlaten. Volgens de officier van justitie hebben er voorafgaand aan dit weekend onder meer op 9, 15 en 29 december 2017 en 12 februari 2018 voorbereidende handelingen plaatsgevonden waarbij onder meer het uitschakelen van de alarmen en het openen van de kluis is getest. Volgens de officier van justitie is het uitproberen, het testen, het vervolmaken en ten uitvoer brengen van de diefstal op een wijze die doet denken aan een criminele organisatie, te kwalificeren als medeplegen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging bepleit primair vrijspraak van zowel het primair als subsidiair tenlastegelegde. Daartoe wordt aangevoerd dat de analyserapportage Deutz gebaseerd is op te eenzijdig onderzoek en er onvoldoende rekening is gehouden met het ontlastend bewijs. Zo is verdachte pas op vrijdag 2 maart 2018 op de valreep ingeroosterd voor de sluiting van de [benadeelde partij] , die hij overigens niet vaak deed, het meerijden tijdens diensten met collega’s was niet ongewoon en er zijn in de kluisruimte en in de kluis geen dacty-, DNA of schoensporen van verdachte aangetroffen. Verder is gebleken dat er bij de [benadeelde partij] , [bedrijf 2] en [bedrijf 1] slordig werd omgegaan met de beveiliging en de systemen van de [bedrijf 1] voertuigen niet goed werkten. Ook is uit onderzoek van [bedrijf 6] naar voren gekomen dat de alarmmelder en de kluisdeur niet goed functioneerden. De reconstructie van 4 maart 2018 is niet waterdicht en laat ruimte voor alternatieve scenario’s. Tot slot kunnen er op grond van het ingebrachte rapport van Interpi geen betrouwbare conclusies worden getrokken uit de historische gegevens van de onderzochte telefoonnummers. Dat onderzoek dient dan ook buiten beschouwing te blijven.
Subsidiair bepleit de verdediging dat slechts een veroordeling kan volgen voor het subsidiair tenlastegelegde. Met de vermeende handelingen zou verdachte de diefstal hebben vergemakkelijkt.
Het oordeel van de rechtbank
Aanleiding onderzoek
Op 5 maart 2018 trof de beveiligingsmedewerker, [medewerker 1] , op de grond in de kluisruimte voor de kluis van de [benadeelde partij] te Oudenbosch vele munten en sieraden aan. In de hoek van de kluisruimte stonden veel kluisjes op elkaar gestapeld. De kluis zelf was afgesloten. Toen deze werd geopend bleek een deel van de kluisjes te zijn verwijderd.
Naar aanleiding hiervan is de politie gebeld en heeft de directeur van de [benadeelde partij] te Oudenbosch genaamd [directeur] aangifte gedaan van een gekwalificeerde diefstal. In totaal bleken 334 kluisjes te zijn opengebroken waaruit geld, goud en sieraden waren weggenomen.
[Het onderzoek: de beveliging van de Rabobank Oudenbosch]
Bewijsoverwegingen:
Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank het volgende af.
Het alarm ‘object bank’ is op 2 maart 2018, nadat het was ingeschakeld door een medewerker van de [benadeelde partij] , door het gebruikersprofiel 250 dat aan [bedrijf 1] toebehoorde, weer uitgeschakeld. Op het moment van die uitschakeling, waren van [bedrijf 1] [verdachte] en [mededader] bij de [benadeelde partij] aanwezig. Van het gebruikersprofiel van [bedrijf 1] is gebleken dat het per abuis dezelfde status had als dat van de Rabobankmedewerkers, waardoor het alarm object bank kon worden bediend.
Kort na het vertrek van de laatste medewerker van de [benadeelde partij] , toen enkel nog [verdachte] en [mededader] in de [benadeelde partij] aanwezig waren, is de robotkluis geopend geweest gedurende 43 minuten. Dit moet daarom door een van hen zijn gebeurd.
Gedurende de tijd dat de robotkluis open was, zijn er 334 kluisjes uit de robotkluis gehaald en in het voorportaal gereed gezet. Dat het uit de robotkluis halen van 334 kluisjes binnen 43 minuten ook qua tijdsbestek mogelijk was, is gebleken uit de reconstructie die tijdens de schouw op 1 februari 2019 is uitgevoerd. Het uit de robotkluis halen van de kluisjes kan niet anders dan op de avond van 2 maart 2018 zijn gebeurd. Uit de loggegevens blijkt dat de kluis na die avond niet meer open is geweest. Openen van de robotkluis was na vrijdag 20.30 uur tot maandag 08.00 uur wegens vergrendeling niet mogelijk.
De anti-mask-alarmen van de bewegingsdetectoren in het trappenhuis naar en in het voorportaal van de robotkluis duiden er naar het oordeel van de rechtbank op dat [verdachte] zich gedurende die tijd heeft bezig gehouden met de maskering daarvan en de alarmen die daardoor afgingen afhandelde. De toegangspas die hij die avond in gebruik had, #140142, werd immers veelvuldig gebruikt tussen de bankhal, de kantine en de huiskamer. Op de camerabeelden van de bankhal zijn bewegingen van een persoon met donker haar te zien richting de deur van het trappenhuis naar de robotkluis, die zich in de bankhal bevindt. Deze beweging is telkens te zien, enkele seconden nadat de toegangspas die [verdachte] in gebruik had, werd gebruikt voor de deur van de huiskamer naar de kantine. Voor het openen van de deur van de kantine naar de bankhal is geen toegangspas nodig. Op grond hiervan gaat de rechtbank er vanuit dat het [verdachte] is geweest, die zich daarmee heeft bezig gehouden.
Omdat het alarm ‘object bank’ om 20.30 uur niet was ingeschakeld, ging om 20.49 uur het alarm af, waarvan de melding door [bedrijf 4] in behandeling werd genomen en naar [bedrijf 1] werd doorgezet, waarvan [verdachte] en [mededader] reeds aanwezig waren. Uit het feit dat vijf minuten na dit alarm de robotkluis werd gesloten, de toegangspas van [mededader] , #88, werd gebruikt voor de deur van de bankhal naar de kantine en [verdachte] en [mededader] vervolgens om 20.58 uur, aldus binnen tien minuten na het alarm, het pand van de [benadeelde partij] hebben verlaten, leidt de rechtbank ook af dat het [verdachte] en [mededader] moeten zijn geweest die voorgaande handelingen hebben uitgevoerd. Deze gebeurtenissen volgen immers zo kort op en in logische volgorde na elkaar dat er geen ruimte is voor een ander scenario.
Voor het door de verdediging aangevoerde alternatieve scenario, dat overigens enkel ziet op de binnenkomst van de daders op 2 maart 2018, inhoudende dat er twee quasi surveillanten aanwezig moeten zijn geweest, ziet de rechtbank geen aanknopingspunten. Hoewel zij met de verdediging eens is dat de verklaringen van de medewerksters van de [benadeelde partij] [medewerker 3] en [medewerker 4] met betrekking tot het opgegeven signalement van de aanwezige [bedrijf 1] medewerkers opmerkelijk zijn te noemen, acht zij die verklaringen, mede in het licht van al het overige bewijs, daarvoor toch onvoldoende. Zo hebben [medewerker 3] en [medewerker 4] verklaard die avond werkzaam te zijn geweest in het “achterland”. Uit de voornoemde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [mededader] die avond toegangspasnummer #88 gebruikte. Met die pas is de deur van de huiskamer naar het achterland om 19.46.51 uur geopend. Verder zijn er op 2 maart 2018 en op 3 en 4 maart geen loggegevens van andere toegangspassen geregistreerd van de huiskamer naar het achterland. Ook overigens bevat het dossier geen aanwijzing dat er nog twee andere personen in de bank aanwezig zijn geweest. Het verweer van de verdediging op dit punt wordt daarom verworpen.
Het feit dat het inbraakalarm op 3 maart 2018 is veroorzaakt met een toegangspas die toebehoorde aan [bedrijf 1] , waarop [mededader] en [verdachte] zijn afgekomen en waarna twee personen met diezelfde toegangspas de [benadeelde partij] zijn ingegaan, duidt op betrokkenheid van nog andere medewerkers van [bedrijf 1] . De mededader(s) beschikte(n) over toegangspasnummer #6 die destijds is uitgereikt aan [bedrijf 1] . Van deze toegangspas is gebleken dat deze voor het laatst op een reguliere wijze is gebruikt tijdens een sluitingsdienst op 24 november 2017 van [verdachte] , namelijk voor het openen van de personeelsentree. Opvallend is dat tijdens die dienst verder enkel toegangspasnummer #88 is gebruikt.
De alarmmelding in de nacht van 3 maart 2018 is doorgegeven aan [mededader] , waarop hij samen met [verdachte] naar de [benadeelde partij] is gegaan. Opvallend daarbij was dat hij daarvoor niet eerst naar [bedrijf 2] is gegaan om de sleutels van de [benadeelde partij] op te halen. De sleutels van de [benadeelde partij] waren dus al in het bezit van [mededader] (of [verdachte] ), zonder dat zij een sluitingsdienst daarvan hadden. Dit duidt erop dat zij ermee rekening hielden naar de [benadeelde partij] te moeten, bijvoorbeeld in verband met een alarmmelding, hetgeen ook is gebeurd.
Bij de [benadeelde partij] aangekomen heeft [mededader] , tegen de voorgeschreven regels in, eerst het alarm ‘insluip advies’ uitgeschakeld, vervolgens de alarmmelding hersteld en daarna, samen met [verdachte] , een buitenronde gelopen, zonder eerst het alarm weer in te schakelen. Het rijden van een externe ronde is volgens getuige [medewerker 7] van [bedrijf 1] bovendien ook iets wat tijdens het aanrijden al kan worden uitgevoerd. Toen zij terug kwamen gelopen, keken zij naar de parkeerplaats en keerden direct weer om in de richting waar zij vandaan kwamen en liepen zelfs nogmaals een buitenronde. Gelet op het feit dat ongeveer een halve minuut daarna twee personen met donkere kleding en rugzakken met toegangspasnummer #6 via de personeelsentree naar binnen gingen, heeft het naar het oordeel van de rechtbank er alle schijn van dat [verdachte] en [mededader] te vroeg terug kwamen van hun buitenronde, zagen dat de twee mededaders nog niet naar binnen waren gegaan toen zij naar het parkeerterrein keken, waarop zij direct zijn omgekeerd om hen alsnog daartoe in de gelegenheid te stellen.
Op de camerabeelden van de bankhal waren [verdachte] en [mededader] om 02.02.26 uur aan de voorzijde van het pand van de [benadeelde partij] te zien. Zij stonden daar ook toen om 02.02.43 uur op de camerabeelden in de rechteronderhoek een gedeelte van een persoon was te zien. [verdachte] stond op dat moment zelfs met zijn voorzijde naar de hoofdentree gericht en keek naar binnen. De bewegingen die [verdachte] maakte met zijn hand en zijn hoofd, lijken naar het oordeel van de rechtbank gebaren te zijn naar een persoon of personen die op dat moment inmiddels in de bankhal aanwezig waren. Deze gebaren passen ook bij een verklaring dat [verdachte] daarmee wees in de richting van de toegangsdeur van het trappenhuis naar de robotkluis. [verdachte] heeft hierover verklaard dat hij, gelet op het punt waar hij stond, geen zicht had op de deur naar het trappenhuis vanwege de grote bloempotten-rij die in de bankhal stond. Op de camerabeelden is echter te zien dat [verdachte] op dat moment voor, van binnen uit gezien, het linker gedeelte van de hoofdentree staat en niet zoals hij heeft verklaard bij de buitenste deurstijl van het rechter gedeelte. Vanaf het punt waar [verdachte] aldus stond, is tijdens reconstructie die op de schouw van 1 februari 2019 is gehouden, gebleken dat er vrij zicht was op de deur naar het trappenhuis en personen die daar stonden goed zichtbaar waren. Dat deze reconstructie met een onjuiste lichtsterkte is gehouden kan – mede gelet op hetgeen wordt gerelateerd in het aanvullend onderzoek met de juiste lichtsterkte – daaraan onvoldoende afdoen.
De twee mededaders hebben zich vanaf dat moment niet meer met gebruikmaking van toegangspas #6 verplaatst in de [benadeelde partij] . [verdachte] en [mededader] hebben hierna nog een binnenronde door de [benadeelde partij] gemaakt waarbij, het vier minuten duurde voordat zij terugkwamen vanuit de bankhal naar de kantine. Vervolgens is door [mededader] en [verdachte] het alarm weer ingeschakeld en zijn de twee mededaders in het pand van de [benadeelde partij] gebleven. Zij konden door de gemaskeerde bewegingsdetectoren in de tussentijd ongemerkt de kluisjes openbreken die de vorige avond waren klaar gezet, de buit eruit halen en in de rugzakken en vuilniszakken stoppen.
Op 4 maart 2018 hebben de mededaders, die dus sinds 3 maart 2018 in de kluisruimte van de [benadeelde partij] aanwezig waren, in diezelfde ruimte een alarm veroorzaakt. Dit zodat [mededader] en [verdachte] konden komen om hen weer uit het pand te laten. [mededader] en [verdachte] hebben ook dit keer de sleutels van de [benadeelde partij] niet bij [bedrijf 2] opgehaald, ondanks dat zij geen sluitingsdienst van de [benadeelde partij] hadden gehad, hetgeen wederom erop duidt dat zij ermee rekening hielden nog naar de [benadeelde partij] in Oudenbosch te moeten gaan.
Evenals op 3 maart 2018 heeft [mededader] het alarm ‘insluip advies’ uitgeschakeld, de alarmmelding hersteld en daarna samen met [verdachte] een buitenronde gelopen van dit keer wel negen minuten. Ze hebben hiermee hun mededaders de kans gegeven met de buit het pand te verlaten. Één van de mededaders is terug het pand ingegaan om nogmaals twee vuilniszakken op te halen en mee naar buiten te nemen. 33 seconden nadat de mededader opnieuw de [benadeelde partij] was binnen gegaan via de personeelsentree, zijn [mededader] en [verdachte] ook de [benadeelde partij] via de personeelsentree binnen gegaan. De mededader was in 25 seconden van de personeelsentree naar de deur van de huiskamer naar de kantine gelopen en in 41 seconden met de vuilniszakken van de kantine naar de personeelsentree. In totaal is de mededader 66 seconden binnen geweest, nadat hij met toegangspas #6 binnen was gekomen in het pand. Nu [verdachte] en [mededader] 33 seconden na binnenkomst van die mededader in het pand waren, volgt daaruit dat de mededader en [verdachte] en [mededader] samen tegelijkertijd in de [benadeelde partij] aanwezig zijn geweest voor de duur van 33 seconden. [verdachte] en [mededader] zijn na binnenkomst in de bank in de huiskamer of de gang van de personeelsentree gebleven. Gedurende die halve minuut zijn er door [verdachte] en [mededader] binnen de [benadeelde partij] namelijk geen deuren naar een ander vertrek geopend. In het licht van de reconstructie die op dit punt tijdens de schouw van 1 februari 2018 is gehouden, is de rechtbank van oordeel dat het hoogst onaannemelijk is dat [mededader] en [verdachte] en de mededader elkaar gedurende die 33 seconden niet hebben opgemerkt. De rechtbank acht daarbij ook de door [verdachte] gegeven uitleg niet aannemelijk dat de dader zich kennelijk heeft schuil gehouden in de huiskamer, hetgeen ook goed mogelijk moet worden geacht gelet op de ruime verstopmogelijkheden in de huiskamer van de [benadeelde partij] . Het is juist de (mede)dader die na die 33 seconden nadat [mededader] en [verdachte] in het pand waren gekomen, naar buiten is gekomen en zich dus niet steeds kan hebben schuil gehouden.
De rechtbank is van oordeel dat ook het onderzoek naar de telecomgegevens duidt op betrokkenheid van [mededader] en [verdachte] . Opvallend is dat alle vier de onderzochte telefoonnummers kort na elkaar in gebruik zijn genomen. Ook zijn alle nummers, met uitzondering van het nummer [telefoonnummer 4] dat helemaal niet tijdens het weekend van 2 tot en met 4 maart 2018 is gebruikt, na 4 maart 2018 niet meer gebruikt. Gelet op het feit dat de telefoonnummers vooral onderling contact hebben gehad is de rechtbank van oordeel dat deze telefoonnummers speciaal voor de diefstal in gebruik zijn genomen.
Voor zover het gevoerde verweer omtrent de ingebrachte contra-rapportage van Interpi en de daaruit getrokken conclusie dat het telecom-onderzoek onbetrouwbaar is, als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, is de rechtbank ook hier van oordeel dat een enkele fout niet maakt dat het gehele telecom-onderzoek onbetrouwbaar is. Uit het telecom-onderzoek zijn diverse tijdstippen naar voren gekomen die wel overeenkomen met overige [bedrijf 1] -voertuig-registraties zoals bij [bedrijf 2] en bij de [benadeelde partij] . Het verweer van de verdediging wordt daarom verworpen.
Op grond van de voornoemde telecomgegevens concludeert de rechtbank voorts dat er op belangrijke momenten op 3 en 4 maart 2018 telefonisch contact is geweest tussen [mededader 1] en [verdachte] en [mededader] , namelijk op:
-
3 maart 01:28 uur, kort vóór het veroorzaken van het alarm op 3 maart 2018 (01:30 uur);
-
3 maart 01:37 uur, als [verdachte] en [mededader] nog in Roosendaal zijn, maar naar Oudenbosch gaan;
-
3 maart 02:15 uur en 02:17 uur, kort vóór en kort na het vertrek van [verdachte] en [mededader] bij de [benadeelde partij] (02:15 uur);
-
4 maart 00:58 uur en 01:56 uur, een uur vóór en kort vóór het veroorzaken van alarm op 4 maart 2018 (01:56 uur);
-
4 maart 02:15 uur, kort nadat [verdachte] en [mededader] het alarm hebben uitgeschakeld en buitenom naar de voorzijde van de [benadeelde partij] zijn gelopen (02:13 uur);
-
4 maart 02:37 uur, een kwartier nadat de onbekende daders zijn vertrokken (02:22 uur), nog vóórdat [verdachte] en [mededader] vertrekken (02:46 uur).
Op 4 maart 2018 om 04:19:42 uur belt [telefoonnummer 3] ( [mededader] ) nog een keer met [telefoonnummer 2] ( [mededader 1] ) gedurende 4 seconden. Om 07:37 uur belt [telefoonnummer 2] ( [mededader 1] ) nog een keer met [telefoonnummer 3] ( [mededader] ), waarna een doorschakeling volgt. Om 07:43 uur belt [telefoonnummer 2] ( [mededader 1] ) nog een keer met [telefoonnummer 1] ( [verdachte] ), waarna ook weer een doorschakeling volgt. Hierna zijn er geen contacten meer geregistreerd tussen de betreffende nummers.
Nu [mededader 1] is herkend als één van de twee personen, die op 3 maart 2018 bij de [benadeelde partij] naar binnen is gegaan en op 4 maart 2018 met de buit naar buiten is gekomen, wordt met het voorgaande de conclusie dat [verdachte] en [mededader] als mededaders van de kluisjesroof moeten worden aangemerkt verder gestaafd.
Uit de voornoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank verder af dat [verdachte] en [mededader] ook in verband kunnen worden gebracht met diverse handelingen die duiden op voorbereidende werkzaamheden voor de diefstal.
- 9 december 2017
[verdachte] had op 9 december 2017 dienst en deed de alarmopvolging in de nacht. De alarmmelding werd veroorzaakt met toegangspasnummer #6, die in het bezit was van [bedrijf 1] . Dit was dezelfde pas als waarmee de alarmmelding werd veroorzaakt op 3 maart 2018. [mededader] en [verdachte] hebben die nacht, zowel voor als na de alarmmelding, veelvuldig telefonisch contact met de ‘kluisjesroof-telefoons’.
- 15 december 2017
[verdachte] had ook dienst op 15 december 2017. Op die dag heeft hij de sluiting van de [benadeelde partij] verricht. Om 20.06.28 uur werd het alarm ‘object bank’ ingeschakeld door een medewerker van de [benadeelde partij] . Nog geen vier minuten later werd het alarm ‘object bank’ door het gebruikersprofiel dat aan [bedrijf 1] toebehoorde, weer uitgeschakeld. Vijf minuten na het uitschakelen van het alarm ‘object bank’ werd ook de robotkluis geopend en binnen dezelfde minuut weer gesloten. Dit duidt erop dat zowel het uitschakelen van het alarm ‘object bank’ als het openen van de kluis door [verdachte] , die op dat moment de sluiting van de [benadeelde partij] uitvoerde, is gedaan. Deze handelingen hebben er de schijn van dat hiermee is gecontroleerd of [bedrijf 1] medewerkers nog steeds geautoriseerd waren om het alarm ‘object bank’ uit te schakelen en of de code van de kluis nog ongewijzigd was.
- 16 december 2017
[mededader] had dienst op 16 december 2017 en hij was ook degene die de alarmopvolging deed. Dat blijkt immers uit zijn rapportage. De alarmmelding die werd veroorzaakt met toegangspasnummer #6, die in het bezit was van [bedrijf 1] , was hetzelfde als de alarmmelding die eerder op 9 december 2017 en later op 3 maart 2018 plaatsvond, tijdens het weekend van de daadwerkelijke kluisjesroof. Het alarm is door [mededader] hersteld en later in de nacht blijkt dat het voertuig waarmee [mededader] de dienst uitvoerde zich in de omgeving van de woning van [verdachte] bevond.
De rechtbank is van hierover oordeel dat ook hier sprake lijkt te zijn geweest van het testen van het genereren van een alarm bij de [benadeelde partij] .
- 29 december 2017
Op grond van de voertuigregistratie van 29 december 2017 en de verklaring van [medewerker 7] is de rechtbank van oordeel dat niet [medewerker 7] de sluiting van de [benadeelde partij] in Oudenbosch op 29 december 2017 heeft uitgevoerd maar [mededader] . Uit de handelingen die tijdens de sluiting hebben plaatsgevonden, concludeert de rechtbank dat er die dag opnieuw sprake is geweest van een controlemoment of [bedrijf 1] medewerkers nog steeds geautoriseerd waren om het alarm ‘object bank’ uit te schakelen. Ditmaal uitgevoerd door [mededader] . Ook volgt er naar het oordeel van de rechtbank uit de handelingen dat het maskeren van de bewegingsdetectoren bij de robotkluis is getest. Er is die dag ook telefonisch contact geweest tussen [mededader] en [verdachte] met de ‘kluisjesroof-telefoons’.
- 12 februari 2018
De rechtbank stelt vast dat [verdachte] samen met een andere, onbekend gebleven, [bedrijf 1] -medewerker de sluiting van de [benadeelde partij] op 12 februari 2018 heeft verricht. Nadat alle medewerkers van de [benadeelde partij] waren vertrokken is tijdens die sluiting het ‘object bank’ alarm door het gebruikersprofiel van [bedrijf 1] uitgeschakeld en even later de robotkluis geopend die binnen twee minuten daarna ook weer werd gesloten. De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen door [verdachte] zijn verricht. Voordat de robotkluis werd geopend was op de camerabeelden in de bankhal één man met donker haar met inhammen te zien, eenzelfde signalement als dat van 2 maart 2018 waarvan is vastgesteld dat dat [verdachte] betrof. Deze persoon liep na het controleren van de entreedeur in de richting van de camera die bij de deur van het trappenhuis naar de kluis hangt. Er is die dag telefonisch contact geweest gedurende 930 seconden tussen [mededader 1] en [mededader] met gebruikmaking van de ‘kluisjesroof-telefoons’. Naar het oordeel van de rechtbank heeft op 12 februari 2018 opnieuw een controle van de alarmsystemen plaatsgevonden.
De rechtbank concludeert – samengevat weergegeven – het volgende:
-
[verdachte] en [mededader] hebben op 2 maart 2018 het alarm ‘object bank’ uitgeschakeld, daarna de robotkluis geopend, de bewegingsdetectoren gemaskeerd, de safeloketten/kluisjes in het voorportaal gereed gezet en vervolgens de robotkluis weer gesloten en hebben daarna alle alarmen weer ingeschakeld en zijn vertrokken.
-
[verdachte] en [mededader] hebben op 3 maart 2018 de mededaders het pand van de [benadeelde partij] binnengelaten om de kluisjes open te kunnen breken en de buit in hun rugzakken en vuilniszakken te kunnen stoppen om hen vervolgens op 4 maart 2018 met de buit weer uit het pand laten vertrekken waarna zij de gemaskeerde bewegingsdetectoren hebben hersteld en het alarm weer hebben ingeschakeld en ook zijn vertrokken.
-
[verdachte] en [mededader] waren op de hoogte van de onjuiste autorisatie van het gebruikersprofiel van [bedrijf 1] voor het bedienen van het ‘object bank’, en kenden de procedure rondom het openen van de robotkluis en de code daarvan;
-
[verdachte] , [mededader] en de twee mededaders hebben een mobiele telefoon in gebruik genomen waarmee zij voorafgaand en tijdens het weekend van 2 t/m 4 maart 2018 onderling contact hielden; en
-
[verdachte] en/of [mededader] en/of de twee mededaders hebben op 9, 15, 16 en 29 december 2017 en 12 februari 2018 tests uitgevoerd omtrent hun voornemen tot de kluisjesroof.
Gelet op voornoemde bewijsmiddelen is naar het oordeel van de rechtbank geen andere conclusie mogelijk dan dat het [verdachte] en [mededader] zijn geweest die in bewuste en nauwe samenwerking met ook nog twee andere daders, de diefstal hebben gepleegd bij de [benadeelde partij] te Oudenbosch in het weekend van vrijdag 2 maart 2018 tot en met zondag 4 maart 2019.
De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair tenlastegelegde.
De bewezenverklaring
De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte
hij, in of omstreeks de periode van 2 maart 2018 tot en met 5 maart 2018 te Oudenbosch, gemeente Halderberge, tezamen en in vereniging met een of meer ander(en), althans alleen,
de inhoud van 334, in elk geval 211 safeloketten, althans een groot aantal safeloketten, zijnde onder meer geld, sieraden en goud (ter waarde van minimaal 8 miljoen euro), in elk geval enig goed, dat geheel of gedeeltelijk aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde, te weten aan de huurder(s) van de safeloketten bij de [benadeelde partij] ,
heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen,
terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of die weg te nemen goederen onder zijn/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak, verbreking, inklimming en/of (een) valse sleutel(s);
De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.
5 De strafbaarheid
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten. Dit levert het in de beslissing genoemde strafbare feit op.
Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.
6 De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie vordert op grond van hetgeen zij bewezen acht aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaar met aftrek van voorarrest. Volgens haar is er geen sprake van een gewone bedrijfsinbraak, waardoor afgeweken moet worden van de richtlijnen van het openbaar ministerie en de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS voor de rechtbank. Gelet op de omvang van de schade, het uitgebreide samenwerkingsverband, de professionele werkwijze, de lange voorbereidingstijd die is genomen, het testen van het plan en het misbruik maken van de positie die verdachte en zijn medeverdachte had als beveiliger, is een gevangenisstraf van voornoemde duur volgens de officier van justitie gerechtvaardigd.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging stelt dat de eis van de officier van justitie buitenproportioneel en niet vergelijkbaar is met straffen in soortgelijke zaken waardoor er geen sprake is van gelijke behandeling van gelijke zaken. De eis is niet conform de geldende richtlijnen en oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS, die zijn opgesteld om rechtseenheid te bevorderen en waaraan burgers tevens rechten kunnen ontlenen. Primair wordt dan ook bepleit die geldende richtlijnen en oriëntatiepunten te volgen en die schrijven voor dit soort feiten voor een first offender een taakstraf van 120 uur voor. Er is geen schade aan het gebouw toegebracht, er zijn geen wapens of geweld gebruikt en het incident heeft zich afgespeeld op een tijdstip dat er geen confrontatie met personen kon plaatsvinden waardoor er geen redenen zijn om van de richtlijnen en oriëntatiepunten af te wijken. Subsidiair wordt een gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest bepleit.
Het oordeel van de rechtbank
In het weekend van 2 tot en met 4 maart 2018 heeft een inbraak bij de [benadeelde partij] te Oudenbosch plaatsgevonden, waarbij vermoedelijk miljoenen buit zijn gemaakt onder meer bestaande uit geld en sieraden. Verdachte en zijn medeverdachte hebben dit feit medegepleegd door de kluisjesroof niet alleen feitelijk mogelijk te maken door de robotkluis te openen, de kluisjes daaruit te halen en gereed te zetten om opengebroken en leeg gehaald te kunnen worden. Maar ook door voor de twee mededaders, die tot op heden nog niet zijn gevonden, de mogelijkheid te creëren het pand van de [benadeelde partij] te betreden, de kluisjes open te breken en vervolgens het pand met de buit weer te verlaten, zonder dat daarbij alarmen zouden afgaan.
Verdachte en zijn medeverdachte hadden via het gebruikersprofiel van het beveiligingsbedrijf [bedrijf 1] de mogelijkheid om de alarmen van de [benadeelde partij] te bedienen. Ook hebben zij op enigerlei wijze de beschikking gekregen over de code voor het handmatig openen van de robotkluis. In de maanden voorafgaand aan de kluisjesroof hebben verdachte en zijn medeverdachte tijdens de uitoefening van hun functie als beveiliger daarvoor testen uitgevoerd, zoals het genereren van een inbraakalarm, het testen en controleren van hun onbedoelde status voor het bedienen van de alarmsystemen en de code van de kluis en het maskeren van bewegingsdetectoren die rondom de robotkluis aanwezig waren.
Verdachte en zijn mededader hebben met het plegen van de kluisjesroof op grove wijze misbruik gemaakt van hun functie als beveiliger van de [benadeelde partij] . Een functie die juist het vertrouwen moet bevorderen dat waardevolle eigendommen veilig zijn, is misbruikt voor het tegendeel daarvan, hetgeen de rechtbank bijzonder kwalijk vindt.
Het handelen van verdachte en zijn mededader heeft niet alleen tot grote financiële en emotionele schade bij de gedupeerden en de [benadeelde partij] geleid maar ook tot reputatieschade van zowel de [benadeelde partij] als hun werkgever [bedrijf 1] . De integriteit van beide bedrijven is hierdoor in diskrediet gebracht.
Hieruit vloeien de volgende strafverzwarende omstandigheden voort waarmee de rechtbank bij haar strafoplegging rekening houdt:
-
het planmatig en berekenend uitvoeren van de inbraak in een georganiseerd verband waarbij gedurende enkele maanden het misdrijf terdege is voorbereid;
-
het op ernstige wijze misbruik maken van de functie als beveiliger bij de [benadeelde partij] door verdachte en zijn medeverdachte;
-
de reputatieschade van [bedrijf 1] en de [benadeelde partij] ;
-
de omvangrijke buit met een vermoedelijke waarde van vele miljoenen, die tot op heden niet is terug gevonden.
Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank in het bijzonder gelet op het op naam van de verdachte staand Uittreksel Justitiële Documentatie, gedateerd 19 april 2019, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten.
Voor wat de persoon van verdachte betreft heeft zij tevens acht geslagen op het over hem opgestelde reclasseringsadvies van 20 november 2018. Daarin komt naar voren dat er vanwege de ontkennende houding van verdachte geen inschatting gemaakt kan worden van de kans op recidive. Er zijn geen aanwijzingen gevonden voor problemen op de verschillende leefgebieden, zoals financiën, middelengebruik of psychische problematiek. Er zijn dan ook geen aanknopingspunten voor reclasseringstoezicht en/of interventies.
Indien verdachte schuldig wordt bevonden, dan kan in detentie opnieuw onderzoek gedaan worden naar de noodzaak en mogelijkheden voor interventies gericht op het inperken van de kans op recidive, zo heeft de reclassering geadviseerd.
De rechtbank is vanwege de aard en ernst van het feit van oordeel dat deze kluisjesroof niet is aan te merken als een doorsnee bedrijfsinbraak waarop de oriëntatiepunten voor straftoemeting van het LOVS zien. Zij neemt deze dan ook niet als uitgangspunt bij haar straf. Zij kijkt daarbij wel naar straffen die in soortgelijke zaken zijn opgelegd. In dat verband vindt de rechtbank de eis van de officier van justitie te hoog, met name gelet op de omstandigheid dat in deze zaak door verdachten geen enkel geweld jegens personen is uitgeoefend. Alles afwegend acht de rechtbank de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van vier jaar met aftrek van voorarrest, passend en geboden. Zij ziet geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.
7 De benadeelde partij
De vordering
De benadeelde partij [benadeelde partij] (hierna: de [benadeelde partij] ) vordert een schadevergoeding van € 8.668.125,70 ter zake van materiële schade. Dit bedrag bestaat uit drie posten, te weten:
-
Herstelschade en inventarisatie vermiste items € 115.872,39
-
Personeelskosten wegens afhandeling opengebroken kluisjes € 35.971,80
-
Uitbetaalde vergoeding voor vermiste zaken € 8.516.281,51
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt dat de posten van de herstelschade en inventarisatie vermiste zaken en de personeelskosten hoofdelijk kunnen worden toegewezen. De post van de uitbetaalde vergoeding voor vermiste items dient hoofdelijk te worden toegewezen tot het bedrag van het eigen risico van de [benadeelde partij] van € 1.000.000,-. Voor het overige dient de benadeelde partij voor deze post niet-ontvankelijk te worden verklaard.
Het standpunt van de verdediging
Gelet op de bepleite vrijspraak stelt de verdediging primair dat de vordering van de benadeelde partij moet worden afgewezen. Subsidiair wordt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering. Dit omdat de behandeling van vermiste items uit 334 kluisjes, waarvan ter zitting is gebleken dat de [benadeelde partij] zeer coulant is geweest bij het vergoeden van de schade, een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.
Het oordeel van de rechtbank
Ontvankelijkheid benadeelde partij
Alvorens tot een inhoudelijke bespreking van de vordering van de benadeelde partij over te kunnen gaan, dient de rechtbank eerst de vraag te beoordelen of de benadeelde partij ontvankelijk is in haar vordering. Om een vordering als benadeelde partij in het strafproces in te kunnen dienen schrijven de artikelen 51f lid 1 en 361 lid 2 aanhef en onder b Sv voor dat er sprake moet zijn van schade dat een ‘rechtstreeks’ gevolg is van respectievelijk het strafbare feit (artikel 51f Sv) en het bewezenverklaarde feit (artikel 361 Sv). Een vordering van een persoon die zelf niet als slachtoffer kan worden beschouwd van het strafbare feit kan daarin niet worden ontvangen. De concrete omstandigheden van het geval zijn bepalend voor de vraag of er voldoende verband bestaat tussen het bewezenverklaarde handelen van verdachte en de door de benadeelde geleden schade om dat verband rechtstreeks te kunnen noemen. De vraag die aldus moet worden beantwoord is of de schade die door de [benadeelde partij] is opgevoerd, als rechtstreekse schade kan worden aangemerkt.
De rechtbank is van oordeel dat daar voor wat betreft de posten van de herstelschade en inventarisatie alsmede de personeelskosten inderdaad sprake van is en zij voor die onderdelen van de vordering kan worden ontvangen.
Dat ligt voor de schadepost die ziet op de uitbetaalde vergoeding voor vermiste items iets genuanceerder. Vooropgesteld moet worden dat allereerst de huurders van de kluisjes als degenen moeten worden aangemerkt die rechtstreekse schade hebben geleden, nu zij als eigenaren van de inhoud van de kluisjes de directe slachtoffers zijn van de diefstal. Namens de [benadeelde partij] is ter zitting onbetwist gesteld dat er tussen elke huurder van een kluisje en de [benadeelde partij] een huurovereenkomst ligt waarin een mogelijkheid tot aansprakelijkheidsstelling van de [benadeelde partij] voor geleden schade is opgenomen tot een maximum bedrag van € 45.000,- waarmee sprake is van een betalingsverplichting bij schade voor de [benadeelde partij] . De [benadeelde partij] heeft dit maximumbedrag losgelaten en ook schade boven dit bedrag uitgekeerd aan klanten. In jurisprudentie van de Hoge Raad van de afgelopen jaren (ECLI:NL:HR:2016:2659, ECLI:NL:HR:2015:1658, ECLI:NL:HR:2014:2577) heeft de Hoge Raad beslissingen van gerechtshoven tot toewijzing van vorderingen van banken, die klanten die slachtoffer waren geworden van frauduleuze overboekingen op grond van een contractuele verplichting daarvoor schadeloos hebben gesteld, in stand gelaten. Blijkens voornoemde uitspraken lijkt de tot dan toe heersende lijn dat een bank zich in dergelijke situaties niet als benadeelde partij kan voegen wegens het ontbreken van rechtstreekse schade te zijn gerelativeerd. Op grond van het voorgaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat tot een bedrag van maximaal € 45.000,-- per klant zou kunnen worden aangenomen sprake is van schade die een rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit en de vordering van de [benadeelde partij] in zoverre ook ontvankelijk kan worden geacht.
De vordering
Vooropstelling
Voor de toewijsbaarheid van de vordering van de benadeelde partij gelden niet de bewijs(minimum)regels van het Wetboek van Strafvordering maar de regels van stelplicht en bewijslastverdeling in civiele zaken. Overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv rust op de benadeelde partij die een vordering instelt de last de feiten en omstandigheden te stellen – en in geval van betwisting daarvan bewijs bij te brengen – die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden. In de context van het strafproces heeft die stelplicht in het bijzonder betrekking op de feiten en omstandigheden die niet kunnen worden vastgesteld aan de hand van uit het strafdossier af te leiden gegevens met betrekking tot het aan de verdachte tenlastegelegde strafbare feit, hetgeen in het bijzonder geldt voor feiten en omstandigheden die bepalend zijn voor de aard en omvang van de gevorderde schade. In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer beoordeeld moeten worden of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan (ECLI:NL:HR:2019:793).
Toelichting posten door de [benadeelde partij]
De [benadeelde partij] heeft gesteld aanzienlijke schade te hebben geleden als gevolg van het bewezenverklaarde feit. De schadepost van € 115.872,39 ten aanzien van herstelschade en inventarisatie van items is onderbouwd met facturen. De schadepost personeelskosten van € 35.971,80 is onderbouwd met een overzicht, waarin is berekend hoeveel tijd personeel ingezet is moeten worden in verband met het afhandelen van de schadevorderingen van klanten. De toelichting bij de uitbetaalde vergoedingen aan klanten betreft het overzicht per 1 februari 2019, aldus de [benadeelde partij] . De [benadeelde partij] heeft daarbij aangegeven dat zij niet de individuele vergoede en uitgekeerde bedragen kan weergeven in verband met privacywetgeving. Wel is in het algemeen het claimproces uitgelegd en gesteld dat tot nu toe € 8.516.281,51 euro is uitgekeerd aan getroffen huurders van safeloketten. Ter zitting is namens de [benadeelde partij] daaraan toegevoegd dat men in sommige gevallen meer heeft vergoed dan contractueel vereist was.
Gebleken is dat de [benadeelde partij] is verzekerd voor haar schade maar wel met een eigen risico van € 1.000.000,-. De rechtbank gaat – mede gelet op de door de [benadeelde partij] gegeven toelichting – er van uit dat de verzekering alle door de [benadeelde partij] gevorderde schadeposten dekt.
Gelet op de hoogte van het bedrag dat door de [benadeelde partij] reeds aan de huurders van de kluisjes is uitgekeerd, acht de rechtbank het aannemelijk dat de [benadeelde partij] als gevolg van het bewezen verklaarde feit in elk geval schade heeft bestaande uit het totale bedrag van het eigen risico van € 1.000.000,- dat voortvloeit uit de afgesloten schadeverzekering.
Voor het overige acht de rechtbank de door de [benadeelde partij] gevorderde schade onvoldoende aannemelijk gemaakt en zal de rechtbank haar in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering.
Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.
8 De wettelijke voorschriften
De beslissing berust op de artikelen 10, 27, 36f en 311 van het Wetboek van Strafrecht.
9 De beslissing
De rechtbank:
Voorvragen
- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;
Bewezenverklaring
- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;
- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;
Strafbaarheid
- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:
Diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels en verbreking, tezamen en in vereniging gepleegd;
- verklaart verdachte strafbaar;
Strafoplegging
- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van vier jaar;
- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;
Benadeelde partij
- veroordeelt verdachte hoofdelijk tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde partij] van € 1.000.000,--, ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 5 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening;
- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.
- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat de vordering voor dat gedeelte bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;
- veroordeelt verdachte tevens hoofdelijk in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;
- legt aan verdachte de hoofdelijke verplichting op aan de Staat, ten behoeve van [benadeelde partij] te betalen een bedrag van
€ 1.000.000,-- en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 5 maart 2018 tot aan de dag der algehele voldoening, bij niet betaling te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;
- bepaalt dat voor zover deze bedragen door één of meer mededaders zijn betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;
- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.
Dit vonnis is gewezen door mr. Scheffers, voorzitter, mr. Schild en mr. Van der Linden, rechters, in tegenwoordigheid van mr. De Jonge, griffier, en is uitgesproken ter openbare zitting op 25 juni 2019.