Zoeken naar rechterlijke uitspraken en jurisprudentie

Via Uitspraken.nl kunt u eenvoudig zoeken in onze online uitspraken databank door het invoeren van één of meerdere trefwoorden. Het is uiteraard ook mogelijk om te zoeken op wetsartikelen, zaaknummer, ECLI nummer of het oude LJN nummer.

Hoger beroep Ambtenarenrecht

30 november 2023
ECLI:NL:CRVB:2023:2266

Op 30 november 2023 heeft de Centrale Raad van Beroep een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van ambtenarenrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is 23/1242 WAD, bekend onder ECLI code ECLI:NL:CRVB:2023:2266.

Soort procedure
Rechtsgebied
Zaaknummer(s)
23/1242 WAD
Datum uitspraak
30 november 2023
Datum gepubliceerd
4 december 2023
Vindplaatsen
  • ABkort 2023/312
  • TAR 2024/4
Uitspraak

23/1242 WAD

Datum uitspraak: 30 november 2023

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 6 maart 2023, 22/4243 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante]
te
[woonplaats]
(appellante)

Commandant Koninklijke Militaire School (commandant)

PROCESVERLOOP

Met een besluit van 8 februari 2022 heeft de commandant appellante geschorst in het belang van de dienst. Appellante heeft daartegen bezwaar gemaakt, maar de commandant is met een besluit van 21 juni 2022 (bestreden besluit) bij de schorsing gebleven.

Appellante heeft tegen dat besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak het beroep ongegrond verklaard.

Namens appellante heeft mr. D. van Zoelen hoger beroep ingesteld. De commandant heeft een verweerschrift ingediend.

De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 19 oktober 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar opvolgend gemachtigde, mr. G. Blonk. De commandant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C.M. Winnubst en mr. B. van der Bruggen.

OVERWEGINGEN

Samenvatting

De commandant heeft appellante geschorst in het belang van de dienst naar aanleiding van een incident dat heeft plaatsgevonden. De Raad oordeelt dat die schorsing stand houdt. Van een onevenredige belangenafweging is geen sprake.

Inleiding

1. Bij de beoordeling van het hoger beroep zijn de volgende feiten en omstandigheden van belang.

1.1.

Appellante is met ingang van 28 augustus 2018 aangesteld bij het beroepspersoneel van de krijgsmacht. Zij is gestart met een opleiding tot

[naam opleiding]
en is geplaatst bij de
[onderdeel]
. Het eerste deel van deze opleiding wordt gevolgd op een
[naam trainingscentrum]
.

1.2.

Op 3 februari 2022 is appellante vanuit het trainingscentrum in

[locatie]
vertrokken naar Nederland. De betrokken Duitse luitenant-kolonel heeft de commandant op 8 februari 2022 verzocht de deelname van appellante aan de opleiding te beëindigen. Hierbij is vermeld dat appellante het trainingscentrum zonder toestemming heeft verlaten, dat zij weigerde terug te keren nadat haar dat was opgedragen en dat zij er diverse malen blijk van heeft gegeven niet over de juiste houding te beschikken.

1.3.

Bij besluit van 8 februari 2022 heeft de commandant appellante met ingang van dezelfde dag in het belang van de dienst geschorst. Het bezwaar daartegen is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daaraan is het volgende ten grondslag gelegd. Appellante heeft zich zonder toestemming onttrokken aan de verplichtingen die haar in het kader van haar opleiding zijn opgelegd. Zij is zonder overleg vertrokken van haar opleidingsplaats en is daarmee ongeoorloofd afwezig geweest. Haar houding en handelen hebben de Duitse collega’s ertoe gebracht het vertrouwen in appellante als cursist op te zeggen. In afwachting van nadere informatie over de gang van zaken, eventuele nadere correspondentie met betrekking tot het verzoek appellante uit de opleiding te nemen en afstemming over nader te nemen procedurele stappen, is er aanleiding gezien appellante een ordemaatregel op te leggen. Daarbij komt dat op het moment van de schorsing nog de vrees bestond dat terugkeer van appellante naar het opleidingsinstituut, voordat er duidelijkheid was over haar positie, tot een verdere escalatie zou leiden. Dat appellante nu stelt dat zij zeker niet zou zijn teruggegaan, is volgens de commandant een redenering achteraf.

1.4.

De schorsing is op 17 februari 2022 opgeheven. Daarbij is vermeld dat er inmiddels meer bekend is over de gang van zaken en de vervolgstappen, waardoor het belang van de dienst niet langer vereist dat de schorsing gehandhaafd blijft.

Uitspraak van de rechtbank

2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en heeft daarmee dat besluit in stand gelaten.

Het standpunt van appellante

3. Appellante is het op de hierna te bespreken gronden met de uitspraak van de rechtbank niet eens.

Het oordeel van de Raad

4.1.

De Raad beoordeelt of het oordeel van de rechtbank over het bestreden besluit juist is. Hij doet dat aan de hand van de argumenten die appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt. Hierna legt de Raad uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

4.2.

Op grond van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van het AMAR kan de militair in zijn ambt worden geschorst wanneer het belang van de dienst dit vordert.

4.3.

Het betoog van appellante komt er in de kern op neer dat het bestreden besluit in strijd is met het in artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde evenredigheidsbeginsel. Zij heeft zich daarbij, kort samengevat, op het standpunt gesteld, dat schorsing een zwaar middel is en dat deze mogelijk nadelige gevolgen kan hebben voor haar verdere carrière bij Defensie. Verder was een schorsing volgens appellante onnodig en had met een minder zwaar middel moeten worden volstaan, zoals een ‘goed gesprek’ of het geven van een dienstopdracht.

4.4.

Uit de recente rechtspraak over het evenredigheidsbeginsel volgt dat de wijze van toetsing aan het dit beginsel afhankelijk is van een veelheid aan factoren en daarom van geval tot geval verschilt. Geschiktheid, noodzakelijkheid en evenwichtigheid spelen daarbij een rol, maar de toetsing daaraan zal niet in alle gevallen op dezelfde wijze (kunnen) plaatsvinden. De intensiteit van de toetsing aan het evenredigheidsbeginsel wordt bepaald door onder meer de aard en de mate van de beleidsruimte van het bestuursorgaan, de aard en het gewicht van de met het besluit te dienen doelen en de aard van de betrokken belangen en de mate waarin deze door het besluit worden geraakt. Naarmate die belangen zwaarder wegen, de nadelige gevolgen van het besluit ernstiger zijn of het besluit een grotere inbreuk maakt op fundamentele rechten, zal de toetsing intensiever zijn.

4.5.

Met inachtneming van het vermelde in 4.4 is de Raad van oordeel dat het bestreden besluit niet berust op een onevenredige belangenafweging. In het bestreden besluit heeft de commandant toegelicht waarom een schorsing in het belang van de dienst in dit geval aangewezen was. Verwezen wordt hierbij naar wat onder 1.3 is vermeld. De commandant heeft verder toegelicht dat de manier waarop appellante zich op 3 februari 2022 heeft gedragen reden was om niet zonder meer op haar mededeling af te gaan dat zij thuis zou blijven. Daarom is niet volstaan met alleen een gesprek of een dienstopdracht. De Raad is van oordeel dat de commandant hiermee voldoende heeft gemotiveerd dat schorsing in het belang van de dienst in dit geval een geschikte en noodzakelijke maatregel was. Dat, zoals appellante heeft aangevoerd, zij voorafgaand aan het schorsingsbesluit van 8 februari 2022 open kaart heeft gespeeld over het incident, maakt dat niet anders. Verder kan niet geoordeeld worden dat de schorsing voor appellante onredelijk bezwarend is. Hierbij is van belang dat een schorsing in het belang van de dienst in beginsel neutraal en niet diffamerend is voor de betrokken ambtenaar. Gebleken is overigens dat appellante, na bemiddeling bij de Duitse autoriteiten, een tweede kans heeft gekregen en haar opleiding heeft mogen vervolgen. Daar heeft de schorsing dus niet aan in de weg gestaan.

Conclusie en gevolgen

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Dit betekent dat de per 8 februari 2022 in het belang van de dienst opgelegde schorsing in stand blijft.

5. Appellante krijgt daarom geen vergoeding voor haar proceskosten. Zij krijgt ook het betaalde griffierecht niet terug.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door L.M. Tobé, in tegenwoordigheid van E.P.J.M. Claerhoudt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 november 2023.

(getekend) L.M. Tobé

(getekend) E.P.J.M. Claerhoudt

Op grond van artikel 34, tweede lid, aanhef en onder c, van het Algemeen Militair Ambtenarenreglement (AMAR).

Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:285, en de uitspraak van de Raad van 11 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2207.

Zie onder meer de uitspraak van 10 november 2022, ECLI:NL:CRVB:2022:2395.

Zie ook

Oozo.nl
Weten wat er in jouw buurt of straat gebeurt?
FaillissementsDossier.nl
Alle faillissementen en surseances in Nederland
FaillissementsDossier.be
Alle faillissementen en opschortingen in België
ProcedureCollective.fr
Alle faillissementen in Frankrijk
DatIsSlimBedacht.nl
Tips - Ideeën - Slimmigheden
  • Uitspraken.nl is een produkt van Binq Media B.V. - Mart Smeetslaan 1, 1217 ZE Hilversum - Kvk nummer 54506158