Datum uitspraak: 31 oktober 2024
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 12 mei 2022, 21/4132 (aangevallen uitspraak)
[appellante]
te
[woonplaats]
(appellante)
de korpschef van politie (korpschef)
De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang, omdat volledig aan de bezwaren van appellante is tegemoetgekomen.
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. S. van Buuren, advocaat, hoger beroep ingesteld. De korpschef heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 23 maart 2023. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Buuren. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I.M.A. van der Linden. Het onderzoek ter zitting is geschorst om de korpschef in de gelegenheid te stellen om nader onderzoek te doen.
Vervolgens heeft de korpschef op 13 juli 2023 een besluit genomen.
Nadat partijen hebben laten weten geen behoefte te hebben aan een nadere zitting, heeft de Raad het onderzoek gesloten.
Inleiding
1. Bij brief van 27 oktober 2020 heeft appellante een verzoek ingediend tot uitbetaling van de bezoldiging op grond van artikel 39, eerste lid, van het Besluit bezoldiging politie (Bbp). Met een besluit van 5 februari 2021, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 26 juli 2021 (bestreden besluit), heeft de korpschef dit verzoek afgewezen. Hieraan heeft de korpschef ten grondslag gelegd dat appellante niet ongeschikt was om te werken wegens ziekte op de datum van ontslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten.
Het standpunt van appellante
3. Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens.
4. Met een besluit van 13 juli 2023 heeft de korpschef vastgesteld dat appellante op de datum van het ontslag wegens ziekte ongeschikt was om te werken. Dit betekent dat appellante met terugwerkende kracht recht heeft op bezoldiging op grond van artikel 39 van het Bbp en een Ziektewetuitkering.
Conclusie en gevolgen
6. Uit overweging 5 volgt dat het hoger beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard.
7. Omdat de korpschef pas na het instellen van beroep en hoger beroep tegemoet is gekomen, bestaat aanleiding de korpschef te veroordelen in de kosten die appellante heeft moeten maken. Deze worden begroot op € 1.248,- in bezwaar, € 1.750,- in beroep en € 1.750,- in hoger beroep, in totaal € 4.748,- voor verleende rechtsbijstand. Appellante krijgt ook het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht terug.