1.1.
Appellant, geboren in 1956, is bekend met een chronische luchtwegaandoening, een overgevoeligheid voor huisstofmijt en klachten aan de knie, schouder en rug. Hij heeft zich op 17 januari 2022 bij het college gemeld en op 13 juli 2022 een aanvraag ingediend voor maatwerkvoorzieningen op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015). In het kader van het onderzoek naar aanleiding van de melding heeft de GGD ZuidLimburg op 11 juli 2022 een advies uitgebracht.
1.2.
Het college heeft bij besluit van 1 augustus 2022 aan appellant per 1 juli 2022 een maatwerkvoorziening voor hulp bij het huishouden verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). De omvang van de maatwerkvoorziening is 5 uur per week voor licht poetswerk, zwaar huishoudelijk werk en de wasverzorging. Bij de berekening van de hoogte van het pgb is uitgegaan van een tarief van € 16,76 per uur.
1.3.
Bij besluit van 19 januari 2023 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 augustus 2022 gegrond verklaard in die zin dat de omvang van de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke hulp is uitgebreid van 5 naar 6,5 uur per week. Voor het overige heeft het college het besluit van 1 augustus 2022 gehandhaafd. Daaraan ligt het volgende ten grondslag. Voor het bepalen van de omvang van de maatwerkvoorziening heeft het college zich gebaseerd op het normenkader in het protocol Hulp bij het huishouden, dat ontleend is aan het CIZ-protocol Indicatiestelling voor huishoudelijke verzorging (CIZ-protocol). Onder verwijzing naar het nadere advies van de GGD Zuid-Limburg van 18 januari 2023, heeft het college in de longproblematiek van appellant in combinatie met de huisstofmijtallergie aanleiding gezien om de maatwerkvoorziening uit te breiden met 30 minuten per week voor licht huishoudelijk werk en 60 minuten per week voor zwaar huishoudelijk werk. Verder bepaalt artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van de Verordening maatschappelijke ondersteuning Heerlen 2022 dat het uurtarief voor een pgb voor hulp bij het huishouden, uitgevoerd door anderen dan een persoon uit het sociaal netwerk, € 16,76 bedraagt. Vast staat dat in ieder geval één professionele aanbieder bereid is om tegen dit uurtarief de hulp bij het huishouden te leveren. Het college heeft geen aanleiding gezien om het uurtarief te verhogen naar € 20,94, zoals appellant heeft verzocht, omdat dit tarief alleen van toepassing is bij ondersteuning waarvoor bijzondere deskundigheden zijn vereist en is bedoeld voor cliënten die ook begeleiding nodig hebben om het huishouden te structureren. Beide omstandigheden zijn bij appellant niet aan de orde. De huidige huishoudelijk ondersteuner van appellant beschikt ook niet over bijzondere deskundigheden.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Volgens de rechtbank heeft het college de hulp in het huishouden kunnen verstrekken met de omvang die in het bestreden besluit is vastgesteld. Hierbij heeft het college zich mogen baseren op het normenkader in het protocol Hulp bij het huishouden dat is gebaseerd op het CIZ-protocol. Het college heeft voldoende toegelicht waarom de gehanteerde normtijden (ook) in het geval van appellant toereikend zijn. Met de omvang van de verstrekte maatwerkvoorziening is ruimschoots tegemoetgekomen aan wat appellant, gelet op zijn gezondheidsproblemen en de woning waarin hij woont, nodig heeft. Verder heeft appellant onvoldoende onderbouwd dat er een bijzondere deskundigheid nodig is om de woning grondig schoon te kunnen maken. Dat de huidige huishoudelijk ondersteuner van appellant vanwege jarenlange betrokkenheid weet wat er van haar wordt verwacht, betekent niet dat zij over bijzondere deskundigheden beschikt of dat iemand anders die taken niet zou kunnen uitvoeren. Verder mag het college het pgb beperken tot de hoogte van de kosten van het gecontracteerde aanbod, ook als de door appellant ingeschakelde ondersteuner een hoger tarief hanteert. Het college heeft toegelicht dat appellant met het door het college gehanteerde pgb-tarief van € 16,76 hulp bij het huishouden kan inkopen bij de aanbieder [naam aanbieder]. De rechtbank is van oordeel dat het met het vastgestelde pgb-tarief voor appellant mogelijk is om hulp bij het huishouden in te kopen, nu appellant het tegendeel onvoldoende heeft onderbouwd.
Het standpunt van appellant
3. Appellant is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Hij heeft daartegen het volgende aangevoerd. De verstrekte maatwerkvoorziening levert geen passende bijdrage. De urenomvang is vanwege de bijzondere situatie van appellant niet toereikend. De normen op grond waarvan de urenomvang is berekend gelden niet voor appellant, omdat zijn woning meer dan normaal moet worden gereinigd. Het college is er verder aan voorbij gegaan dat vanwege de luchtwegaandoening en de huisstofmijtallergie ook de niet in gebruik zijnde ruimtes moeten worden schoongemaakt. De rechtbank heeft ten onrechte geen rekening gehouden met het door appellant overgelegde sociaal-medisch advies van [naam adviesbureau] ([naam adviesbureau]) van 19 september 2023. Ook het door het college gehanteerde pgbuurtarief is niet passend. Van belang is dat er bijzondere deskundigheid is vereist voor het schoonmaken van zijn woning. De huishoudelijk ondersteuner van appellant beschikt hierover, omdat zij al jarenlang ondersteuning biedt aan appellant en een ander dit niet op dezelfde wijze kan doen. Er is geen enkele professionele aanbieder die bereid is om tegen het uurtarief van € 16,76 de huishoudelijke hulp te leveren. Het college heeft het tegendeel niet onderbouwd.