Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 5 april 2023, 22/3397 (aangevallen uitspraak)
[appellante] te [woonplaats] (appellante)
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)
de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) (Staat)
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
SAMENVATTING
Deze zaak gaat over de vraag of het Uwv terecht aan appellante geen WIA-uitkering heeft toegekend, omdat bij appellante geen sprake is van toegenomen beperkingen uit dezelfde ziekteoorzaak in de zin van artikel 57, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA. Volgens appellante is het onderzoek van de verzekeringsarts bezwaar en beroep onzorgvuldig geweest en heeft zij meer (medische) beperkingen door haar fibromyalgie dan het Uwv heeft aangenomen. De Raad volgt dit standpunt niet en komt tot het oordeel dat het Uwv terecht geen WIA-uitkering heeft toegekend.
Procesverloop
PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. R. Jethoe, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
De Raad heeft de zaak behandeld op een zitting van 16 mei 2024. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Jethoe. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.H. van Riet.
Na de zitting is het onderzoek heropend. Het Uwv heeft een nader stuk ingediend, waarop appellante heeft gereageerd.
Daarbij heeft appellante verzocht om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Naar aanleiding van dit verzoek heeft de Raad de Staat als partij aangemerkt.
Partijen hebben nadere stukken ingediend.
De Raad heeft partijen laten weten dat hij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Partijen hebben daarna niet om een zitting gevraagd. Daarom heeft de Raad de zaak niet op een zitting behandeld en het onderzoek gesloten.
Inleiding
1. Appellante heeft voor het laatst gewerkt als bloembinder/boekettenmaker voor 32,91 uur per week. Op 30 september 2013 heeft zij zich ziek gemeld met lichamelijke klachten door fibromyalgie en artrose aan de handen. Bij besluit van 9 september 2015 heeft het Uwv appellante na afloop van de voorgeschreven wachttijd met ingang van 5 oktober 2015 een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toegekend, waarbij de mate van haar arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 100%. Per 5 januari 2018 is de uitkering gewijzigd naar een WGAloonaanvullingsuitkering. Daarbij is de uitkering berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De WIA-uitkering is per 27 januari 2019 beëindigd, omdat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij beslissing op bezwaar van 17 juni 2019 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 8 maart 2021 heeft de rechtbank het beroep tegen de beslissing op bezwaar ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 28 september 2022 (Voetnoot 1) heeft de Raad de uitspraak van de rechtbank bevestigd en daarmee de beslissing op bezwaar in stand gelaten.
1.1.
Appellante heeft zich op 9 april 2021 bij het Uwv gemeld met toegenomen lichamelijke klachten met ingang van 28 januari 2019. Na onderzoek door een arts van het Uwv heeft het Uwv bij besluit van 26 augustus 2021 geweigerd appellante een WIA-uitkering per 28 januari 2019 toe te kennen, omdat de mogelijkheden van appellante om te werken niet minder zijn geworden.
1.2.
Bij beslissing op bezwaar van 20 april 2022 (het bestreden besluit) heeft het Uwv het hiertegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Hieraan ligt een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep ten grondslag.
Uitspraak van de rechtbank
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarmee het bestreden besluit in stand gelaten. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv terecht beslist dat appellante vanaf 28 januari 2019 geen WIA-uitkering kan krijgen, omdat er geen sprake is van toegenomen arbeidsongeschiktheid sinds de laatste beoordeling. De rechtbank heeft vooropgesteld dat de beoordelingsperiode loopt van 28 januari 2019 tot en met 9 april 2021. Naar het oordeel van de rechtbank is het medisch onderzoek zorgvuldig verricht. Daarbij is betrokken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep dossierstudie heeft verricht, appellante op spreekuur heeft gezien en de ingebrachte medische informatie in de beoordeling heeft betrokken. De stelling van appellante dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep gelet op de in zijn rapport vermelde vraagstelling ten onrechte alleen de belastbaarheid per 28 januari 2019 heeft beoordeeld, heeft de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft overwogen dat uit de rapporten van de (verzekerings)artsen blijkt dat van de juiste vraag is uitgegaan, namelijk of er per 28 januari 2019 of latere datum sprake is van een toename van de arbeidsongeschiktheid door dezelfde ziekteoorzaak. Dit blijkt expliciet uit het rapport van de arts van het Uwv. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt verder dat is vastgesteld dat er geen nieuwe medische feiten of omstandigheden naar voren zijn gekomen die wijzen op toegenomen beperkingen. Van belang daarbij is dat bij deze conclusie medische informatie van na 28 januari 2019, onder andere de informatie van de behandelend reumatoloog van 10 december 2020, is betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de medische beoordeling. Appellante heeft aangevoerd dat zij het onbegrijpelijk vindt dat zij voor haar stijve benen niet meer beperkt is geacht, waarbij zij heeft gewezen op de sociaalmedische beoordeling van 14 november 2022 naar aanleiding van een nieuwe melding toegenomen arbeidsongeschiktheid. De rechtbank heeft het Uwv gevolgd in zijn standpunt dat de klachten als gevolg van de slijtage aan heup en onderrug nieuw waren en daarom niet bij de huidige beoordeling betrokken hoefden te worden. In de sociaal-medische beoordeling van 14 november 2022 heeft de verzekeringsarts ook gesteld dat dit nieuwe ziektebeelden betreffen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat deze klachten ten tijde van de periode in geding al speelden. De rechtbank is van oordeel dat het Uwv voldoende heeft gemotiveerd dat de informatie die appellante in beroep heeft ingebracht geen aanleiding geeft om de Functionele Mogelijkheden Lijst (FML) aan te passen.
Het standpunt van appellante
3.1.
Appellante is het met de uitspraak van de rechtbank niet eens. Appellante heeft tegen die uitspraak aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het medisch onderzoek van het Uwv zorgvuldig is geweest. Appellante heeft herhaald dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep van een onjuiste onderzoeksvraag is uitgegaan en daardoor ten onrechte alleen haar belastbaarheid per 28 januari 2019 heeft beoordeeld en niet haar belastbaarheid vanaf 28 januari 2019 tot en met 9 april 2021.
Het standpunt van het Uwv
3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen, onder verwijzing naar een rapport van 23 juli 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.
De nadere reactie van appellante
3.3.
Appellante heeft aangevoerd dat de nadere reactie van 23 juli 2024 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet overtuigend is en dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep onvoldoende is ingegaan op de specifieke bewoordingen die hij heeft gebruikt in zijn rapport van 13 april 2022.
Het oordeel van de Raad
4. De Raad beoordeelt of de rechtbank terecht het bestreden besluit over de weigering een WIA-uitkering toe te kennen in stand heeft gelaten aan de hand van wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, de beroepsgronden. De Raad komt tot het oordeel dat het hoger beroep niet slaagt.
4.1.
Op grond van artikel 57, eerste lid, onderdeel b, onder 1°, van de Wet WIA herleeft het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde weer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, als hij op de dag daaraan voorafgaand minder dan 35% arbeidsongeschikt was en de gedeeltelijke arbeidsgeschiktheid intreedt binnen vijf jaar na de dag dat het recht op grond van artikel 56 is geëindigd en voorkomt uit dezelfde oorzaak als op grond waarvan hij eerder recht had op een WGA-uitkering.
4.2.
Omdat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de beroepsfase geen reactie heeft gegeven op de beroepsgrond dat hij, gelet de bewoordingen van zijn rapport van 13 april 2022, ten onrechte alleen de belastbaarheid op 28 januari 2019 heeft beoordeeld, heeft de Raad het onderzoek heropend. Het Uwv is verzocht om de verzekeringsarts bezwaar en beroep op dit punt een nadere toelichting te laten geven. In het rapport van 23 juli 2024 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep bevestigd dat hij de gehele periode in geding, dat wil zeggen tot en met 9 april 2021, heeft beoordeeld. Deze bevestiging en de in dit rapport daarbij gegeven toelichting acht de Raad voldoende overtuigend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft voldoende gemotiveerd dat toegenomen beperkingen in de gehele periode tot en met 29 april 2021 niet aan de orde zijn geweest. Toegelicht is dat appellante bekend was met fibromyalgie, dat de hiermee verband houdende klachten wisselend zijn en dat van een knik in de fibromyalgie in de periode in geding geen sprake is geweest.
4.3.
Het beroep op de heropeningsbeslissing van 20 december 2024 van de rechtbank Den Haag leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank heeft in deze beslissing een oordeel gegeven over een andere datum in geding (13 mei 2022) en de verschillende standpunten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals door de rechtbank in de heropeningsbeslissing zijn besproken. Deze liggen niet ten grondslag aan de beoordeling die hier voorligt.
4.4.
Het vorenstaande betekent dat er geen aanleiding bestaat om te twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Appellante heeft in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht die aanleiding geven te twijfelen aan de voor appellante vastgestelde belastbaarheid. Zij heeft niet met medische stukken onderbouwd dat zij ten tijde van de periode in geding meer beperkt is dan is vastgesteld in de FML van 5 juni 2019.
Overschrijding van de redelijke termijn
4.5.
Appellante heeft verzocht om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.
4.6.
De redelijke termijn is voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar heeft geduurd. De behandeling van het bezwaar mag ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar duren, terwijl doorgaans geen sprake is van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De omstandigheden van het geval kunnen aanleiding geven een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. Verder is in beginsel een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan, waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden.
4.7.
Voor dit geval betekent dit het volgende. Vanaf de ontvangst op 7 oktober 2021 door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante tot de datum van deze uitspraak zijn vier jaar en (afgerond) negen maanden verstreken. In de zaak zelf en in de opstelling van appellante zijn geen aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. De redelijke termijn is dus met negen maanden overschreden. Dit leidt tot een schadevergoeding van in totaal € 1.000,-.
4.8.
Van het totale tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar door het Uwv zes maanden en dertien dagen geduurd. De overschrijding van de redelijke termijn is in de bezwaarfase dus afgerond één maand. De overschrijding van de redelijke termijn bij de bestuursrechter is afgerond acht maanden. Voor de berekening van het bedrag aan schadevergoeding dat voor rekening van het Uwv onderscheidenlijk voor de Staat komt, wordt de methode gevolgd die is uiteengezet in het arrest van de Hoge Raad van 19 februari 2016. (Voetnoot 2) Het Uwv wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 111,11 (1/9 deel van € 1.000,-). De Staat wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade aan appellante tot een bedrag van € 888,89 (8/9 deel van € 1.000,-).
Conclusie en gevolgen
5. Gelet op 4.2 tot en met 4.4 is het bestreden besluit pas in hoger beroep voorzien van een toereikende onderbouwing. Deze schending van artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zal met toepassing van artikel 6:22 van de Awb worden gepasseerd, omdat aannemelijk is dat appellante hierdoor niet is benadeeld. Ook als het gebrek in het bestreden besluit zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen. Dit leidt ertoe dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, met verbetering van de gronden, zal worden bevestigd. Dit betekent dat de weigering van de WIA-uitkering in stand blijft.
6.1.
De toepassing van artikel 6:22 van de Awb geeft aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden deze kosten voor verleende rechtsbijstand begroot op € 1.868,- in beroep (1 punt voor het beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting met een waarde van € 934,- per punt) en op € 2.335,- in hoger beroep (1 punt voor het hogerberoepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor een zienswijze na de aanvullende motivering van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, met een waarde van € 934,- per punt), in totaal € 4.203,-.
6.2.
Verder moet het Uwv het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht vergoeden.?
6.3.
In verband met het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn bestaat aanleiding de Staat te veroordelen in de proceskosten van appellante in verband met dat verzoek. Deze kosten worden begroot op € 467,- (1 punt voor het indienen van het schadeverzoek, met een waarde per punt van € 934,- en met een wegingsfactor van 0,5), dus € 233,50 voor zowel de Staat als het Uwv.
Beslissing
BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep
- bevestigt de aangevallen uitspraak;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid) tot betaling aan appellante van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 888,89;
- veroordeelt het Uwv tot betaling van een vergoeding van schade tot een bedrag van € 111,11;
- veroordeelt de Staat (minister van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 233,50,-;
- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 4.436,50;
- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van € 186,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door S. Wijna, in tegenwoordigheid van M.J.D. van Haren als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026.
(getekend) M.J.D. van Haren