Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e, hoger beroep civiel recht overig

ECLI:NL:OGHACMB:2026:261

Op 28 July 2026 heeft de Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is SXM2025H00047, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGHACMB:2026:261.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
SXM2025H00047
Datum uitspraak:
28 July 2026
Datum publicatie:
16 September 2026

Indicatie

Sint Maarten. Afstemmingsregel. Rechter in kort geding moet oordeel afstemmen op gewezen vonnis in bodemprocedure. Geen juridische of feitelijke misslag.

Uitspraak

Burgerlijke zaken over 2026

Zaaknummers: SXM202500338 – SXM2025H00047

Uitspraak: 28 juli 2026 (in Curaçao)

GEMEENSCHAPPELIJK HOF VAN JUSTITIE

van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en

van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

V O N N I S

in het kort geding van:

[appellant],

wonend in Sint Maarten,

in eerste aanleg gedaagde,

thans appellant,

gemachtigden: mrs. J.J. Rogers en C-L.R. Martinus,

tegen

[geïntimeerde],

wonend in Sint Maarten,

in eerste aanleg eiser,

thans geïntimeerde,

gemachtigde: [naam gemachtigde]

Partijen worden hierna [appellant] en [geïntimeerde] genoemd.

1
De zaak in het kort

Een verhuurder vordert betaling van achterstallige huur van een vennootschap én de bestuurder daarvan. Het Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten (verder: het Gerecht) heeft die vordering toegewezen. Het Hof vernietigt het vonnis ten aanzien van de bestuurder op grond van de zogenaamde ‘afstemmingsregel’.

2
Het verloop van de procedure
2.1 [

appellant] heeft met een op 18 juni 2025 ingediende akte hoger beroep ingesteld tegen het, in kort geding gewezen, vonnis van het Gerecht van 28 mei 2025.

2.2

Op 8 juli 2025 heeft [appellant] een memorie van grieven (met producties) ingediend. Onder aanvoering van drie grieven (1a, 1b en 2) wordt daarin geconcludeerd tot, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, vernietiging van het vonnis van het Gerecht en tot afwijzing van de vorderingen van [geïntimeerde], een en ander met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van de procedure in hoger beroep, vermeerderd met de wettelijke rente.

2.2. [

geïntimeerde] heeft op 26 augustus 2025 een memorie van antwoord (met producties) ingediend. Hij concludeert daarin tot bevestiging van het vonnis van het Gerecht en, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure, vermeerderd met de wettelijke rente. Ook heeft hij, bij wijze van vermeerdering van eis en/of als verzoek ex artikel 843a Rv gevorderd veroordeling van [appellant] tot afgifte van stukken.

2.3.

Op de zitting van het Hof van 18 maart 2026 hebben de gemachtigden van beide partijen afgezien van pleidooi.

2.4

Vonnis is nader bepaald op vandaag.

Overwegingen

3
De beoordeling

De feiten

3.1

Het Hof gaat uit van de volgende feiten.

3.1.1 [

appellant] is bestuurder van de, op 18 augustus 2020 opgerichte, besloten vennootschap Rightway Auto B.V. (verder: Rightway).

3.1.2

Op 31 augustus 2020 is een huurovereenkomst gesloten tussen [geïntimeerde] als verhuurder en ‘[appellant] dba Rightway Auto’ als huurder. Object van de huurovereenkomst was een perceel land, gelegen in [buurt] met meetbriefnummer [meetbriefnummer] te Sint Maarten (verder: het perceel). De overeengekomen huurprijs bedroeg USD 1.800 per maand. De looptijd van de overeenkomst was van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2025.

3.1.3

Op 1 juli 2021 is een huurovereenkomst gesloten met betrekking tot het perceel tussen [geïntimeerde] als verhuurder en Rightway als huurder. De huurprijs was USD 1.800 per maand. De looptijd van de overeenkomst was van 1 september 2020 tot en met 31 augustus 2030.

3.1.4

Bij brief van zijn gemachtigde van 6 juli 2024 heeft [geïntimeerde] de huurovereenkomst buitengerechtelijk ontbonden.

3.1.5

Op 10 september 2024 heeft [geïntimeerde] een bodemzaak (SXM202401085) aanhangig gemaakt tegen [appellant]. Gevorderd is daarin, voor zover van belang, een verklaring voor recht dat de huurovereenkomst is ontbonden, veroordeling van [appellant] tot ontruiming van het perceel en betaling van (achterstallige) huur tot de dag van ontruiming.

3.1.6

Op 27 mei 2025 heeft het Gerecht vonnis gewezen in de bodemzaak. Overwogen is, samengevat:

- De eerste huurovereenkomst (van 31 augustus 2020) is kennelijk hersteld met de tweede (van 1 juli 2021) in die zin dat als huurder slechts te gelden heeft Rightway (en niet ook [appellant]);

- Voor betaling van de huur tot datum ontruiming is [appellant], als bestuurder van Rightway, niet uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk nu niet gebleken is dat hem een ernstig verwijt valt te maken van het niet nakomen door Rightway van haar verplichtingen jegens [geïntimeerde].

De vorderingen en de beslissingen van het Gerecht

3.2.1 [

geïntimeerde] heeft in eerste aanleg gevorderd dat [appellant] en Rightway worden veroordeeld tot ontruiming van het perceel en tot betaling van (achterstallige) huur tot de datum van ontruiming van het perceel met nevenvorderingen.

3.2.2

Het Gerecht heeft de vorderingen jegens Rightway én [appellant] toegewezen op de grond dat Rightway vanaf 6 juli 2024 zonder recht of titel gebruik maakt van het perceel.

Grief 1

3.3.

Met wat [appellant] in de grieven 1a en 1b heeft gesteld is hiervoor bij de weergave van de feiten rekening gehouden. Die grieven behoeven daarom geen verdere beoordeling.

De afstemmingsregel

3.4.1

Grief 2 stelt, samengevat, dat het vonnis waarvan beroep niet is afgestemd op het, een dag eerder uitgesproken, bodemvonnis waar het betreft de vraag wie contractspartij van [geïntimeerde] is en de vraag of [appellant] als bestuurder persoonlijk aansprakelijk is.

3.4.2

Bij de beoordeling van deze grief staat voorop dat de rechter die in kort geding beslist op een vordering tot het geven van een voorlopige voorziening nadat de civiele bodemrechter een vonnis in de hoofdzaak heeft gewezen, zijn vonnis in beginsel dient af te stemmen op het oordeel van die bodemrechter. Dat wordt de afstemmingsregel genoemd. Afwijking van deze regel is gerechtvaardigd wanneer het oordeel in het bodemvonnis berust op een kennelijke juridische of feitelijke misslag.

Slechts Rightway is contractspartij

3.4.3

Zowel in de bodemzaak als in dit kort geding is, allereerst, gevorderd veroordeling van [appellant] als contractspartij tot ontruiming en huurbetaling.

3.4.4

In het bodemvonnis heeft de rechter geoordeeld dat de eerste huurovereenkomst (van 31 augustus 2020) kennelijk is hersteld met de tweede (van 1 juli 2021) in die zin dat als huurder slechts te gelden heeft Rightway (en niet ook [appellant]). Om die reden is de vordering tegen [appellant] als contractspartij afgewezen. Dat had, gegeven de afstemmingsregel, ook in dit kort geding moeten gebeuren nu van een juridische of feitelijke misslag op dit onderdeel geen sprake is. Integendeel, ook [geïntimeerde] gaat er, blijkens de memorie van antwoord (in het bijzonder: randnummer 4.2), vanuit dat slechts Rightway zijn contractspartij is.

[appellant] is niet persoonlijk aansprakelijk

3.4.5

Aan zijn vordering heeft [geïntimeerde] in dit kort geding mede ten grondslag gelegd dat [appellant] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door, als bestuurder van Rightway, toe te laten dat Rightway haar verplichtingen jegens [geïntimeerde] niet nakwam. Het Gerecht is in dit kort geding aan de beoordeling daarvan niet toegekomen omdat het [appellant] reeds als contractspartij aansprakelijk oordeelde. Nu dat, zoals hiervoor overwogen, ten onrechte is gebeurd zal het Hof alsnog moeten beoordelen of van onrechtmatig handelen van [appellant] kan worden uitgegaan.

3.4.6

In het bodemvonnis (rov. 4.2) is geoordeeld dat [appellant], als bestuurder van Rightway, niet uit hoofde van onrechtmatige daad aansprakelijk is voor betaling van de (achterstallige) huur nu niet gebleken is dat hem een ernstig verwijt valt te maken van het niet nakomen door Rightway van haar verplichtingen jegens [geïntimeerde]. Op grond van de afstemmingsregel had in dit kort geding in dezelfde zin geoordeeld moeten worden tenzij dat oordeel zou berusten op een juridische of feitelijke misslag. Dat de overweging van het Gerecht (rov. 4.2) juridisch of feitelijk onjuist is heeft [geïntimeerde] onvoldoende onderbouwd; daarvan is evenmin gebleken. Door [geïntimeerde] is gewezen op de statuten van Rightway, maar die statuten regelen de verhouding tussen Rightway en haar bestuurder, niet die tussen de bestuurder en derden, zoals [geïntimeerde].

Vermeerderde eis en verzoek ex artikel 843a Rv

3.4.7

Bij de vordering tot afgifte van stukken heeft [geïntimeerde] geen belang omdat gesteld noch gebleken is dat daaruit blijkende feiten of omstandigheden tot een ander oordeel zouden moeten leiden.

Slotsom

3.5.1

Grief 2 van [appellant] slaagt. Het vonnis waarvan beroep wordt vernietigd voor zover betreft de daarbij uitgesproken veroordelingen van [appellant].

3.5.2

Als in het ongelijk gestelde partij wordt [geïntimeerde] veroordeeld in de kosten van de procedure aan de kant van [appellant] gevallen, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep. Omdat [appellant] en Rightway in eerste aanleg hun standpunt gezamenlijk naar voren hebben gebracht zullen de kosten van [appellant] in eerste aanleg worden bepaald op de helft van het volgens het liquidatietarief geldende aantal punten. Met inachtneming daarvan bedragen de kosten:

eerste aanleg:

- verschotten: nihil;

- Cg 625,- salaris gemachtigde (0,5 punt tarief 5 à Cg 1.250 per punt);

hoger beroep

- Cg 1.740,50 (Cg 1.500 griffierecht en Cg 240,50 (exploot van betekening akte van appel en memorie van grieven);

- Cg 4.000 salaris gemachtigde (2 punten tarief 5 à Cg 2.000 per punt).

B E S L I S S I N G

Het Hof in kort geding:

vernietigt het vonnis van het Gerecht van 28 mei 2025 doch uitsluitend voor zover daarbij veroordelingen van [appellant] zijn uitgesproken en, in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen tegen [appellant] af;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van de procedure en begroot die kosten op:

- eerste aanleg: nihil aan verschotten en Cg 625 aan salaris gemachtigde,

- hoger beroep: Cg 1.740,50 aan verschotten en Cg 4.000 salaris gemachtigde,

vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf de vijftiende dag na vandaag;

wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Dit vonnis is gewezen door mrs. J. de Boer, W.P.M. ter Berg en E.P. van Unen, leden van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, en ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao uitgesproken op 28 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.