Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e, hoger beroep strafrecht overig

ECLI:NL:OGHACMB:2026:88

Op 9 April 2026 heeft de Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius e een hoger beroep procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is H-43/25, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGHACMB:2026:88.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
H-43/25
Datum uitspraak:
9 April 2026
Datum publicatie:
18 May 2026

Indicatie

Verpleger werkzaam op een psychiatrische afdeling wordt veroordeeld voor het plegen van ontucht met een patiënte die in verminderde staat van bewustzijn was. Betreft een samenloop voor het plegen van ontucht met een patiënte die aan zijn zorg was toevertrouwd. Hem wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van vier jaren en hij wordt ontzet uit het recht zijn beroep uit te oefenen voor een periode van zes jaren.

Uitspraak

Zaaknummer: H-43/25

Parketnummer: 500.00217/23

Uitspraak: 9 april 2026 Tegenspraak

Vonnis

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van het Gerecht in eerste aanleg van Curaçao (hierna: het Gerecht) van 31 maart 2025 in de strafzaak tegen de verdachte:

[naam verdachte]

geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats],

wonende in [woonadres].

Hoger beroep

Het Gerecht heeft de verdachte bij zijn vonnis ter zake van het onder 1 primair en 2 ten laste gelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, waarvan 6 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren en met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het Gerecht de verdachte ontzet van het recht tot uitoefening van het beroep van verpleger, dan wel een daarmee gelijkgestelde functie voor de duur van vijf jaren. Voorts heeft het Gerecht een beslissing genomen op de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [naam aangeefster].

De verdachte heeft hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep.

Het Hof heeft kennisgenomen van de vordering van de procureur-generaal, mr. S. Verheijen, en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw, mr. O.E. Kostrzewski, naar voren is gebracht.

De procureur-generaal heeft gevorderd dat het Hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen.

Voorts heeft het Hof kennisgenomen van hetgeen door E.Z. Snijders, medewerkster slachtofferzorg, namens de benadeelde partij [naam aangeefster] in het kader van de vordering tot schadevergoeding naar voren is gebracht.

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het onder 1 ten laste gelegde feit. Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit heeft zij zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof. Subsidiair heeft zij een strafmaatverweer gevoerd.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven, omdat het Hof deels tot andere beslissingen komt dan het Gerecht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging in eerste aanleg – ten laste gelegd dat:

Feit 1

dat hij op of omstreeks 27 juli 2023 althans in de maand juli 2023, te Curaçao, met [naam aangeefster], van wie hij, verdachte, wist dat die [naam aangeefster] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [naam aangeefster] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, een of meer handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam aangeefster], hebbende hij, verdachte, zijn penis gebracht en/of geduwd en/of gehouden in de vagina van die [naam aangeefster];

Subsidiair

dat hij op of omstreeks 27 juli 2023 althans in de maand juli 2023, te Curaçao, met [naam aangeefster], van wie hij, verdachte, wist dat die [naam aangeefster] in staat van bewusteloosheid, verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, dan wel aan een zodanige gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van haar geestvermogens leed dat die [naam aangeefster] niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen of kenbaar te maken of daartegen weerstand te bieden, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, bestaande uit het

uittrekken en/of naar beneden trekken van het ondergoed, althans de kleding, van die [naam aangeefster];

het tonen van zijn, verdachtes, penis aan die [naam aangeefster] en/of

aanraken en/of vasthouden van de vagina en/of billen van die [naam aangeefster];

Feit 2

Dat hij op of omstreeks 27 juli 2023 althans in de maand juli 2023 te Curaçao, terwijl hij toen werkzaam was in en/of ten behoeve van een inrichting, waarin hij, verdachte, niet is opgenomen althans in de gezondheidszorg en de maatschappelijke zorg, te weten een ziekenhuis/psychiatrische afdeling en/of (op) de {naam afdeling ziekenhuis], ontucht heeft gepleegd met [naam aangeefster] , die zich als patiënt en/of cliënt aan verdachtes hulp en zorg was toevertrouwd, bestaande de ontucht uit

het aanraken van haar billen en/of vagina en/of

het brengen en/of houden van zijn penis in haar vagina en/of billen;.

Bewezenverklaring

Het Hof acht – op grond van de bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen – wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair en 2 ten laste heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 primair

hij op 27 juli 2023, te Curaçao, met [naam aangeefster], van wie hij, verdachte, wist dat die [naam aangeefster] in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde, handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [naam aangeefster], hebbende hij, verdachte, zijn penis gebracht en geduwd in de vagina van die [naam aangeefster].

Feit 2

hij op 27 juli 2023, terwijl hij toen werkzaam was in de gezondheidszorg, te weten op de {naam afdeling ziekenhuis], ontucht heeft gepleegd met [naam aangeefster], die zich als patiënt aan verdachte’s hulp en zorg had toevertrouwd, bestaande de ontucht uit

- het brengen van zijn penis in haar vagina.

Het Hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het Hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen – zakelijk weergegeven - zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. (Voetnoot 1)

Opgemerkt wordt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

1. De verdachte heeft op 19 maart 2026 ter terechtzitting in hoger beroep de volgende verklaring afgelegd:

Het klopt dat ik op 27 juli 2023 in het [naam ziekenhuis] seks heb gehad met [naam aangeefster]. De handelingen bestonden uit het brengen van mijn penis in haar vagina.  (Voetnoot 2)

2. [ naam aangeefster] deed op 10 augustus 2023 aangifte. Zij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

Nadat de broeder onze medicijnen aan ons had gegeven liep hij onze kamer weer uit. Mijn dokter had mij lorazepan en olazepine voorgeschreven. Omstreeks 21:00 uur deed mijn kamergenoot de lichten uit en deed de deur van onze kamer dicht. Toen was ik met mijn collega [naam collega] aan het appen. Het laatste bericht dat ik naar haar stuurde was omstreeks 22:02 uur. Dit omdat ik de effecten van de pillen begon te voelen, dus ik begon slaperig te worden. Terwijl ik met [naam collega] appte kwam de broeder ons kamer verschillende keren binnen. De laatste keer dat de broeder mijn kamer binnen kwam had hij zijn zaklantaarn ter hoogte van zijn kruis gezet. Dus zijn kruis werd door het licht verlicht en ik kon zien dat hij zijn penis uit zijn broek had gehaald. Ik had hem toen iets gezegd maar ik kan nu niet meer herinneren wat het was. Ik voelde me zwak en duizelig. Ik had geen macht meer over mijn eigen lichaam, maar op een gegeven moment merkte ik dat mijn bovenlijf op het bed was, dus ik lag gedeeltelijk op mijn bed. Mijn benen waren op de vloer. Hoe ik in die houding terecht was gekomen weet ik niet, maar de broeder stond toen achter mij. Ik voelde dat de broeder mijn broek opzij had gehaald en daarna stopte hij zijn penis in mijn vagina. Ik had hem nee gezegd. Ik probeerde hem weg te duwen maar zoals ik eerder had aangeven had ik geen kracht. Ik voelde me zo zwak. Na een tijdje, hoe lang kan ik niet zeggen, zei de broeder tegen mij dat hij in mijn vagina zou klaarkomen. Het volgende ding dat ik mij kon herinneren was dat ik weer op mijn bed lag en de broeder niet meer in mijn kamer was.

Ik moet je zeggen dat ik mij in eerste instantie de naam van de broeder niet meer kon herinneren, maar nu herinner ik mij dat zijn achternaam [naam verdachte] was.  (Voetnoot 3)

3. De psychiater [naam psychiater] heeft op 28 augustus 2023 een schriftelijke verklaring afgelegd en heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

[naam aangeefster] was van 13 juli 2023 tot en met 7 augustus 2003 opgenomen op de [naamafdeling ziekenhuis]. Tijdens de opname gebruikte zij ’s avonds 10mg olanzapine en 1-2 maal daags 1mg lorazepam. Olanzapine is een antipsychoticum en lorazepam is een benzodiazepine. Olanzapine bestrijdt psychotische klachten en onrust. Benzodiazepinen worden gebruikt als slaapmiddel en om angst, onrust en spanning te verminderen. De meest gemelde bijwerkingen van deze beide medicijnen zijn slaperigheid en oversedatie.  (Voetnoot 4)

4. De arts-assistent [naam behandelaar] heeft op 18 augustus 2023 een schriftelijke verklaring afgelegd en heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

Ik werk als arts-assistent psychiater bij de [naam afdeling ziekenhuis]. [naam aangeefster] is een patiënt van mij. Op 7 augustus 2023 kwam [naam aangeefster] bij mij voor een consult. Toen had [naam aangeefster] mij verteld dat zij tijdens haar verblijf bij [naam ziekenhuis] door een medewerker van [naam ziekenhuis] tegen haar wil misbruikt werd.  (Voetnoot 5)

5. [ naam collega van verdachte] heeft op 20 februari 2026 een verklaring bij de rechter-commissaris afgelegd. Zij heeft bij die gelegenheid het volgende verklaard:

Op 27 juli 2023 tussen 22:00 en 22:30 uur was ik in de aparte computerkamer, de overdracht kamer. Ik weet dat ik de overdracht heb gedaan voor de collega’s van de nachtdienst. Ik deed dat alleen. De heer [naam verdachte] (Het Hof begrijpt: de verdachte) was er niet bij. (Voetnoot 6)

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 1 en 2

De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het onder 1 ten laste gelegde dient te worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe – kort gezegd – aangevoerd dat het seksueel contact vrijwillig is geweest en dat niet kan worden bewezen dat de verdachte de aangeefster heeft gedwongen tot het ondergaan van seksuele handelingen.

De vraag die aan het Hof voorligt, is of verdachte seksuele handelingen met aangeefster heeft verricht terwijl hij wist dat zij niet of onvolkomen in staat was haar wil daaromtrent te bepalen. De verklaring van de aangeefster wijkt op dit punt af van de verklaring van de verdachte. Volgens de verdachte is de seksuele handeling met wederzijds goedvinden gebeurd. Het initiatief ging daarbij uit van de aangeefster en zij verkeerde op dat moment niet in een toestand van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht, aldus de verdachte. Daarnaast speelt de vraag of verdachte ontucht heeft gepleegd met aangeefster die als patiënt aan zijn zorg was toevertrouwd.

Het Hof overweegt als volgt.

Vooropgesteld wordt dat in zedenzaken bij de beoordeling van het bewijs vaak alleen het veronderstelde slachtoffer en de veronderstelde dader aanwezig zijn. Het is dan het woord van de één tegen het woord van de ander.

De betrouwbaarheid en geloofwaardigheid van de verklaring van de aangeefster

Het Hof is, evenals het Gerecht, van oordeel dat de verklaringen van aangeefster afgelegd bij zowel de politie als bij de rechter-commissaris betrouwbaar en bruikbaar zijn voor het bewijs. Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken van enige aanleiding om te twijfelen aan de juistheid en betrouwbaarheid van deze verklaring. De aangeefster heeft uitgebreid en gedetailleerd verklaard over zowel de seksuele handelingen tussen haar en de verdachte, als over de door haar ervaren onmacht. Zij is steeds consistent in haar lezing gebleken. Haar verklaring vindt steun in de ter terechtzitting in hoger beroep afgelegde verklaring van de verdachte, waarin hij de handelingen niet heeft weersproken. De geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van haar verklaringen worden verder onderstreept door de verklaringen van de psychiater en de arts-assistent. Deze verklaringen zien op de door hen – dagen na de feiten – bij aangeefster waargenomen emoties. Beide getuigen verklaren dat aangeefster verdrietig en huilend aan hen vertelde dat de verdachte, een broeder van [naam afdeling ziekenhuis], haar had verkracht. Bovendien past de verklaring van de aangeefster voor wat betreft het tijdstip van de seksuele handeling, ruim een uur na de toediening van haar medicijnen, bij de verklaring van collega [naam collega van verdachte] dat zij op dat tijdstip in een andere ruimte bezig was met de overdracht en geen zicht had op [naam verdachte] en de patiënten. Het Hof ziet daarom geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid of de betrouwbaarheid van de door aangeefster afgelegde verklaringen over hetgeen op 27 juli 2023 heeft plaatsgevonden en de staat waarin zij zich op dat moment verkeerde.

Het door de verdachte geschetste scenario Nadat de verdachte tot aan de voor hem belastende uitkomst van het DNA-onderzoek het seksuele contact had ontkend en in eerste aanleg met de lezing kwam dat hij na de opname van de aangeefster seksueel contact met haar had gehad, heeft de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep het volgende alternatieve scenario geschetst. De aangeefster vond hem leuk en wilde seks met hem hebben. Op de bewuste avond gaat hij naar de kamer van de aangeefster om medicijnen te brengen en raakt met haar in gesprek. Zij neemt haar medicijnen in, maar is nog volledig bij bewustzijn. Tijdens het gesprek omhelst de aangeefster hem, waarop hij haar van zich af probeert te houden. Daarop kust en streelt zij hem. Hierop stapt het slachtoffer van het bed, trekt haar broek naar beneden en buigt zich voorover op het bed. Hij trekt zijn eigen broek uit en zij hebben vaginale seks. Nadat hij op haar billen klaarkomt, trekt zij haar broek weer aan en gaat op bed liggen. Tijdens het seksuele contact van enkele minuten was de kamergenoot van aangeefster even weg en was zijn collega elders bezig met het uitdelen van medicijnen.

Anders dan de verdediging is het Hof van oordeel dat de door de verdachte geschetste alternatieve gang van zaken zijn weerlegging vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. De daarin vermelde feiten en omstandigheden sluiten deze alternatieve lezing van de verdachte uit.

Het Hof is, gelet op het vorenstaande, van oordeel dat de onder feit 1 ten laste gelegde seksuele handelingen waaronder het binnendringen van het lichaam van aangeefster niet vrijwillig, maar hebben plaatsgevonden terwijl de aangeefster in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeerde. Dat de verdachte wist dat de aangeefster op dat moment in die staat verkeerde volgt evident uit het dossier nu de verdachte ook zelf heeft verklaard dat hij de aangeefster haar medicatie had toegediend en het– gelet op zijn beroep – niet anders kan dan dat hij op de hoogte was van de effecten van de medicatie die bovendien – zoals uit de aangifte volgt – zichtbaar waren ingetreden. Feit 1 kan dan ook wettig en overtuigend bewezen worden verklaard. Het verweer wordt verworpen.

Vaststaat dat er tussen verdachte en de aangeefster ontuchtige handelingen hebben plaatsgevonden terwijl de aangeefster patiënt was op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis waar de verdachte werkzaam was. Het Hof acht dan ook het onder feit 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het onder 1 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:198 van het Wetboek van Strafrecht en het onder 2 bewezenverklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:208 van het Wetboek van Strafrecht.

Het Hof stelt vast dat deze bewezenverklaarde feiten in eendaadse samenloop zijn begaan.

Het onder 1 en 2 bewezenverklaarde wordt daarom als volgt gekwalificeerd:

De eendaadse samenloop van

met iemand van wie hij weet dat hij in staat van verminderd bewustzijn of lichamelijke onmacht verkeert, handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam;

en

werkzaam in de gezondheidszorg, ontucht plegen met iemand die zich als patiënt aan zijn hulp en zorg heeft toevertrouwd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezenverklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde

wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Met betrekking tot de ernst van het bewezenverklaarde wordt het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich als verpleegkundige op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis schuldig gemaakt aan seksueel misbruik van het slachtoffer. Het slachtoffer, destijds een patiënt met een psychische aandoening, verkeerde in een uiterst kwetsbare positie en was aan zijn zorg toevertrouwd. De verdachte had het slachtoffer de voorgeschreven medicatie toegediend, waardoor zij zich in een verminderde staat van bewustzijn en lichamelijke onmacht bevond. De verdachte heeft zich, tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden, aan haar vergrepen terwijl zij niet in staat was zich daartegen te verzetten. Het slachtoffer heeft nog aangegeven geen seksueel contact te willen, maar hier heeft de verdachte geen gehoor aan gegeven. De ontuchtige handelingen bestonden uit het seksueel binnendringen bij het slachtoffer.

De verdachte heeft absoluut geen rekening gehouden met de belangen, de gevoelens en het welzijn van het slachtoffer. Hij heeft misbruik gemaakt van de onmachtige situatie waarin het slachtoffer zich op dat moment bevond, enkel ter bevrediging van zijn eigen lustgevoelens. Met zijn handelen heeft de verdachte op grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke en psychische integriteit van het slachtoffer. Het vertrouwen dat zij in hem als verpleegkundige mocht hebben, heeft hij ook ernstig geschaad. Het valt de verdachte vooral te verwijten dat hij zijn positie heeft misbruikt om zijn wil aan het slachtoffer op te leggen en zo een situatie te creëren waaraan zij zich niet kon onttrekken en heeft moeten dulden dat de verdachte verregaande seksuele handelingen met haar pleegde.

Het behoeft geen betoog dat deze handelwijze van de verdachte als uiterst verwerpelijk moet worden gekwalificeerd. Het is een feit van algemene bekendheid dat slachtoffers van seksueel misbruik gedurende langere tijd nadelige psychische gevolgen kunnen ondervinden. Ook bij het slachtoffer is dit het geval. Uit de ter terechtzitting gegeven toelichting door de medewerkster van slachtofferzorg blijkt dat het handelen van de verdachte een zeer grote impact op het slachtoffer heeft en dat zij nog steeds de nadelige gevolgen van het misbruik ondervindt en met zich meedraagt.

Het Hof rekent de verdachte dit alles zeer zwaar aan.

Naar het oordeel van het Hof kan gelet op de ernst van het bewezenverklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Bij de bepaling van de hoogte van de straf zoekt het Hof aansluiting bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijk rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor verkrachting waarbij eenmaal vaginaal is gepenetreerd als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren gegeven. Daarbij is in die oriëntatiepunten aangegeven dat onder meer een minder weerbaar slachtoffer en misbruik van vertrouwen strafverhogend zijn.

Het Hof houdt bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf ten nadele van de verdachte rekening met zijn proceshouding. Alhoewel de verdachte inmiddels deels bekent, ziet het Hof daarin geen aanwijzing dat hij de volledige verantwoordelijkheid neemt voor wat hij het slachtoffer heeft aangedaan en wat de impact van zijn handelen is geweest. Integendeel, na eerst een lange tijd ontkend te hebben seksuele handelingen te hebben verricht bij het slachtoffer, kwam hij daar later op terug en stelde seks met haar te hebben gehad na haar ziekenhuisopname. Op de zitting in hoger beroep kwam de verdachte weer met een ander verhaal. Nu heeft de verdachte aangevoerd dat het slachtoffer de seksuele handelingen initieerde. Het Hof vindt dit zeer zorgelijk nu hij geen enkele verantwoordelijkheid neemt in zijn eigen handelen. De verdachte laat hiermee zien het kwalijke van zijn handelen niet in te zien.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte heeft het Hof acht geslagen op de strafkaart van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder voor het plegen van soortgelijke strafbare feiten onherroepelijk is veroordeeld, en de door en namens de verdachte naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden, mede blijkend uit de over hem uitgebrachte rapporten. In beiden ziet het Hof geen reden een lagere straf op te leggen.

Het Hof is, na één en ander te hebben afgewogen, van oordeel dat de ernst van het bewezen verklaarde onvoldoende tot uitdrukking komt in de door het Gerecht opgelegde en door de procureur-generaal gevorderde gevangenisstraf.

Het Hof is – met eenparigheid van stemmen – tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren, passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld. Ook zal het Hof, nu de verdachte het bewezenverklaarde tijdens de uitoefening van zijn beroep heeft begaan, een beroepsverbond opleggen voor de duur van zes jaar.

Het Hof ziet geen aanleiding tot opheffing van het geschorste bevel voorlopige hechtenis respectievelijk de gevangenneming van de verdachte te bevelen. Het bewezenverklaarde heeft inmiddels ruim tweeëneenhalf jaar geleden plaatsgevonden. De voorlopige hechtenis van de verdachte is met ingang van 12 september 2023 geschorst en niet is gebleken dat hij zich niet aan alle schorsingsvoorwaarden heeft gehouden.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [naam aangeefster] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt Cg 10.000,- (Voetnoot 7).

De vordering van de benadeelde partij is bij vonnis waarvan beroep volledig toegewezen.

De procureur-generaal heeft geconcludeerd tot volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van het Hof.

Het Hof overweegt als volgt.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Hof – evenals het Gerecht – genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [naam aangeefster] als gevolg van verdachtes onder 1 en 2 bewezenverklaarde handelen immateriële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Schadevergoedingsmaatregel Het Hof ziet aanleiding daarbij een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.

Het Hof beslist over de proceskosten als hierna te melden.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:64, 1:133 en 2:211 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

BESLISSING

Het Hof:

vernietigt het vonnis van het Gerecht van 31 maart 2025 en doet opnieuw recht;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

wijst af het verzoek tot opheffing van de schorsing van het bevel tot voorlopige hechtenis respectievelijk tot het gelasten van de gevangenneming;

ontzet de verdachte van het recht tot uitoefening van het beroep van verpleger, dan wel een daarmee gelijkgestelde functie voor de duur van 6 (zes) jaren;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [naam aangeefster] geleden schade toe tot een bedrag van Cg 10.000,- (zegge: tienduizend Caribische gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 juli 2023 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [naam aangeefster] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Cg 10.000,- (zegge: tienduizend Caribische gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 85 (vijfentachtig) dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 27 juli 2023 tot aan de dag van de voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn

verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [naam aangeefster] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Dit vonnis is gewezen door mrs. P.P.C.M. Waarts, F.V.L.M. Wannyn en T.E. van der Spoel, leden van het Hof, bijgestaan door mr. T.M.A.D. de Lanoy, (zittings)griffier, en op 9 april 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Hof in Curaçao.

De jongste rechter is buiten staat het vonnis mee te ondertekenen.

Voetnoot

Voetnoot 1

Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige – en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte – processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao Team Zedendelicten d.d. 8 januari 2025, geregistreerd onder proces-verbaalnummer 2/25 en de onderzoeksnaam “Paz”, doorgenummerde dossierpagina’s 1 – 67.

Voetnoot 2

Verklaring van de verdachte ter terechtzitting van 19 maart 2026, zoals die eventueel later – indien tegen dit vonnis beroep in cassatie wordt ingesteld – in het proces-verbaal van die terechtzitting zal worden weergegeven.

Voetnoot 3

Proces-verbaal van aangifte [naam aangeefster], d.d. 14 augustus 2023, pagina 1-4.

Voetnoot 4

Proces-verbaal verhoor getuige [naam psychiater] van 28 augustus 2023, pagina 8-9.

Voetnoot 5

Proces-verbaal verhoor getuige [naam arts-assistent], d.d. 18 augustus 2023, pagina 10-11.

Voetnoot 6

Proces-verbaal van verhoor getuige [naam collega van verdachte], d.d. 20 februari 2026, los stuk.

Voetnoot 7

Dit vonnis wordt na de invoering van de Caribische Gulden (Cg) door het Hof gewezen. Het Hof zal daarom NAf als Cg lezen.