Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, eerste aanleg - enkelvoudig belastingrecht

ECLI:NL:OGEAA:2026:218

Op 20 August 2026 heeft de Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van belastingrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is AUA202502892, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAA:2026:218.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
AUA202502892
Datum uitspraak:
20 August 2026
Datum publicatie:
28 August 2026

Indicatie

Belanghebbende heeft gedurende meerdere jaren in Florida (Verenigde Staten) gewoond in verband met zijn studie. Op 1 november 2024 heeft belanghebbende een personenauto van het merk Mercedes-Benz aangeschaft. De koopovereenkomst is op die datum gesloten. Op 8 mei 2025 heeft belanghebbende zijn normale verblijfplaats in Florida opgegeven en is hij naar Aruba verhuisd. Op 21 juni 2025 is de auto vanuit Florida naar Aruba verscheept. Het Gerecht oordeelt dat belanghebbende vanaf 1 november 2024 eigenaar en bezitter van de auto was en deze tot zijn verhuizing naar Aruba op 8 mei 2025 heeft gebruikt. Daarmee is voldaan aan de zesmaandentermijn voor de verhuisboedelvrijstelling. De Inspecteur heeft de vrijstelling daarom ten onrechte geweigerd. Het beroep is gegrond. De Inspecteur moet Afl. 1.400 aan proceskosten en Afl. 25 aan griffierecht vergoeden.

Uitspraak

Uitspraak van 20 augustus 2026

BBZ nr. AUA202502892

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende], wonende te Aruba,

belanghebbende,

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER INVOERRECHTEN EN ACCIJNZEN, zetelend te Aruba,

de Inspecteur.

Procesverloop

1
PROCESVERLOOP
1.1

Belanghebbende heeft op 24 juni 2025 een verzoek ingediend om vrijstelling van invoerrechten op grond van artikel 128, eerste lid, onderdeel 8, letter d, van de Landsverordening in-, uit- en doorvoer (hierna: LIUD) voor een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type GLE 2025, VIN-nummer [Vin-nummer 1] (hierna: de auto).

1.2

Bij beschikking van 24 juni 2025 heeft de Inspecteur het verzoek afgewezen.

1.3

Belanghebbende heeft daartegen op 8 juli 2025 bezwaar gemaakt.

1.4

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 26 augustus 2025, het bezwaar ongegrond verklaard.

1.5

Belanghebbende heeft op 9 september 2025 beroep ingesteld, tegen de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende heeft ter zake hiervan een bedrag aan griffierecht betaald van Afl. 25.

1.6

De Inspecteur heeft op 28 november 2025 een verweerschrift ingediend.

1.7

De zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2026 te Oranjestad. Belanghebbende is in persoon verschenen samen met diens adviseur, mr. L.A. Hernandis. Namens de Inspecteur zijn verschenen mr. [A], mr. [B] en [C].

1.8

Partijen hebben ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2
FEITEN
2.1

Belanghebbende heeft gedurende meerdere jaren in Florida (Verenigde Staten) gewoond in verband met studie.

2.2

Op 1 november 2024 heeft belanghebbende een personenauto van het merk Mercedes-Benz, type GLE 2025 aangeschaft. De koopovereenkomst is op die datum gesloten.

2.3

Op 2 november 2024 is het motorvoertuig opgenomen in de reeds op naam van belanghebbende bestaande verzekeringsovereenkomst.

2.4

Op 13 november 2024 is door de autoriteiten van de staat Florida een “Certificate of Title” afgegeven. Naar het recht van de staat Florida vormt een dergelijk document de formele vastlegging van de registratie van de eigendomsoverdracht van een motorvoertuig.

2.5

Belanghebbende heeft op 8 mei 2025 zijn normale verblijfplaats in Florida opgegeven en is naar Aruba verhuisd. Op 21 juni 2025 is de auto vanuit Florida naar Aruba verscheept.

2.6

Op 24 juni 2025 is de container met de verhuisboedel van belanghebbende, waaronder het onderhavige motorvoertuig, in Aruba aangekomen. Op dezelfde datum heeft belanghebbende een verzoek ingediend om toepassing van de verhuisboedelvrijstelling voor de auto.

3
GESCHIL
3.1

In geschil is of belanghebbende recht heeft op toepassing van de verhuisboedelvrijstelling als bedoeld in artikel 128, eerste lid, onderdeel 8°, letter d, van de LIUD. Meer in het bijzonder houdt partijen verdeeld of belanghebbende de auto gedurende ten minste zes maanden vóór de overbrenging van zijn normale verblijfplaats in bezit, eigendom en gebruik heeft gehad als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van het Vrijstellingenbesluit.

3.2

Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat hij voldoet aan alle voorwaarden voor toepassing van de verhuisboedelvrijstelling. Hij voert daartoe aan dat hij de auto reeds op 1 november 2024 heeft aangeschaft en deze vanaf dat moment feitelijk in bezit had en gebruikte, en dat hij de auto in de Verenigde Staten heeft gebruikt tot 8 mei 2025. Subsidiair stelt belanghebbende dat sprake is van een bijzonder geval dat afwijking van de zesmaandeneis rechtvaardigt.

3.3

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat belanghebbende niet voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de verhuisboedelvrijstelling, omdat hij slechts in de periode van 13 november 2024 tot 14 april 2015 zowel het rechtmatig bezit en eigendom als het rechtmatig gebruik van de auto had. De Inspecteur stelt voorts dat de auto met het oog op de verhuizing naar Aruba is aangeschaft.

Overwegingen

4
OVERWEGINGEN
Wettelijk kader
4.1

Op grond van artikel 128, eerste lid, onderdeel 8°, letter d, van de LIUD zijn van invoerrechten vrijgesteld:

8°. goederen uitsluitend bestemd voor het persoonlijk gebruik door bepaalde categorieën of groepen van personen, voor zover het betreft:

()

d. verhuisboedels, voor zover zij uit gebruikte goederen bestaan;

4.2

Op grond van artikel 128, zevende lid, van de LIUD worden omtrent de wijze van toepassing van de in artikel 128 opgenomen vrijstellingen bij landsbesluit, de nodige voorschriften vastgesteld. Ter uitvoering daarvan zijn in het Vrijstellingenbesluit nadere regels opgenomen. Artikel 7 van het Vrijstellingenbesluit luidt in de onderhavige periode, voor zover hier van belang, als volgt:

“1. Voor de toepassing van artikel 128, eerste lid, ten 8°, onderdeel d, wordt onder verhuisboedel verstaan gebruikte goederen voor zover het betreft persoonlijke goederen die:

a. dienen voor het persoonlijke gebruik van de belanghebbende of voor de behoeften van zijn huishouden en die door de belanghebbende in zijn vroegere normale verblijfplaats zijn gebruikt, bestemd zijn voor hetzelfde doel te worden gebruikt in zijn nieuwe normale verblijfplaats, en

buiten Aruba in gebruik waren, overeenkomstig de in dat land geldende voorwaarden, behoudens in door omstandigheden gerechtvaardigde gevallen.

2. Onverminderd het eerste lid, geldt voor motorvoertuigen, sportvliegtuigen en pleziervaartuigen dat deze goederen, behoudens in door de omstandigheden gerechtvaardigde bijzondere gevallen, ten minste zes maanden vóór de datum waarop de belanghebbende zijn normale verblijfplaats in het buitenland heeft opgegeven, in bezit en eigendom zijn geweest en in zijn vroegere normale verblijfplaats zijn gebruikt. ().”

4.3

Uit de Nota van Toelichting bij het Vrijstellingenbesluit volgt dat de in artikel 7 opgenomen aanvullende eis voor motorvoertuigen strekt ter voorkoming van misbruik van de verhuisboedelvrijstelling, in het bijzonder om te voorkomen dat voertuigen kort vóór de verhuizing worden aangeschaft met het oog op invoer onder vrijstelling. Daarbij is tevens vermeld dat met het opnemen van het begrip “bezit” is beoogd aansluiting te zoeken bij situaties waarin een gebruiker reeds feitelijke beschikkingsmacht over een voertuig heeft, voordat alle formele eigendomshandelingen zijn afgerond.

Beoordeling

4.4

Het Gerecht stelt voorop dat op belanghebbende de bewijslast rust aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor toepassing van de verhuisboedelvrijstelling is voldaan.

4.5

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende de auto op 1 november 2024 heeft aangeschaft en dat hij op 8 mei 2025 zijn normale verblijfplaats naar Aruba heeft overgebracht. Evenmin is in geschil dat de auto door belanghebbende is ingevoerd in het kader van zijn verhuizing naar Aruba.

4.6

De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat eerst vanaf 13 november 2024 sprake was van bezit en eigendom van de auto, aangezien eerst op die datum het “Certificate of Title” is afgegeven. Volgens de Inspecteur ontstaat naar het recht van Florida eerst juridische eigendom nadat het voertuig officieel op naam is geregistreerd en een geldig “Certificate of Title” is verstrekt, zodat de periode tussen 1 november 2024 en 13 november 2024 niet kan meetellen voor de vereiste zesmaandentermijn.

4.7

Het Gerecht volgt de Inspecteur hierin niet. Uit de gedingstukken en hetgeen ter zitting is verklaard volgt dat belanghebbende de auto op 1 november 2024 heeft gekocht en geleverd heeft gekregen. Belanghebbende heeft onweersproken verklaard dat hij de auto direct na aankoop heeft meegenomen en daarmee naar huis is gereden. Naar het oordeel van het Gerecht volgt hieruit dat belanghebbende vanaf dat moment de feitelijke beschikkingsmacht over het voertuig had, het economisch risico daarvan droeg en derhalve eigenaar en bezitter van de auto was.

4.8

Het enkele feit dat het definitieve “Certificate of Title” eerst op 13 november 2024 is afgegeven, brengt naar het oordeel van het Gerecht niet mee dat vóór die datum geen sprake kon zijn van eigendom in de zin van artikel 7, tweede lid, van het Vrijstellingenbesluit. Uit de gedingstukken volgt dat de koopovereenkomst op 1 november 2024 is gesloten en de auto op die datum aan belanghebbende is geleverd. Daarmee is de juridische eigendom op hem overgegaan. Dat het “Certificate of Title”, dat strekt tot bewijs van de eigendom en de formele registratie daarvan, eerst op 13 november 2024 is afgegeven, doet aan die eigendomsoverdracht niet af.

4.9

Voorts acht het Gerecht van belang dat blijkens de Nota van Toelichting bij het Vrijstellingenbesluit met het opnemen van het begrip “bezit” juist is beoogd aansluiting te zoeken bij situaties waarin een gebruiker reeds feitelijke beschikkingsmacht over een voertuig heeft, voordat alle formele eigendomshandelingen zijn afgerond. Ook dan is voldaan aan de in artikel 7 van het Vrijstellingenbesluit gestelde voorwaarden van bezit en eigendom. Tegen die achtergrond kan naar het oordeel van het Gerecht ook daarom niet beslissende betekenis worden toegekend aan de datum waarop het “Certificate of Title” formeel is geregistreerd.

4.10

De Inspecteur stelt zich voorts op het standpunt dat belanghebbende in de periode van 1 november 2024 tot en met 13 november 2024 niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij de auto overeenkomstig de in de staat Florida geldende voorwaarden heeft gebruikt. Volgens de Inspecteur volgt uit de wettelijke voorschriften van de staat Florida dat een motorvoertuig slechts rechtmatig op de openbare weg mag worden gebruikt indien het voertuig is geregistreerd en voorzien is van een geldige kentekenplaat. Nu belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat voor die periode sprake was van een geldige tijdelijke registratie of “temporary plate”, kan volgens de Inspecteur niet worden vastgesteld dat belanghebbende in die periode rechtmatig gebruik heeft gemaakt van het voertuig overeenkomstig de in Florida geldende voorwaarden.

4.11

Het Gerecht volgt de Inspecteur hierin niet. Weliswaar volgt uit de regelgeving van de staat Florida dat voor deelname aan het verkeer onder meer een geldige registratie, verzekering en rijbewijs zijn vereist, maar uit artikel 128, eerste lid, onderdeel 8°, letter d, van de LIUD noch uit artikel 7 van het Vrijstellingenbesluit volgt niet dat voor toepassing van de verhuisboedelvrijstelling slechts sprake kan zijn van “gebruik” indien gedurende de gehele relevante periode volledig is voldaan aan alle formele registratie- en verkeersvoorschriften van het land van herkomst.

4.12

Naar het oordeel van het Gerecht dient onder “gebruik” in de zin van artikel 7 van het Vrijstellingenbesluit te worden verstaan dat belanghebbende zich gedurende de relevante periode bij voortduring of herhaling van het voertuig heeft bediend ter bevrediging van zijn vervoersbehoefte. Dit sluit aan bij de vaste jurisprudentie hierover (zie bijvoorbeeld GEA Aruba 12 december 2016, ECLI:NL:OGEAA:2016:918). Voorts volgt uit HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1031, dat het al dan niet verzekerd zijn en het al dan niet betalen van wegenbelasting omstandigheden kunnen zijn die bij de waardering van het bewijs omtrent het gebruik worden betrokken, maar niet zonder meer meebrengen dat reeds daarom geen sprake is van gebruik in de zin van de vrijstellingsbepaling. Het feitelijk gebruik is aldus beslissend.

4.13

Het voorgaande brengt naar het oordeel van het Gerecht mee dat de in artikel 7, eerste lid, onderdeel b van het Vrijstellingenbesluit opgenomen zinsnede “overeenkomstig de in dat land geldende voorwaarden” niet aldus kan worden uitgelegd dat slechts sprake is van gebruik indien gedurende de gehele relevante periode volledig is voldaan aan alle administratieve en verkeersrechtelijke voorschriften van het land van herkomst.

4.14

Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in 4.11 tot en met 4.13 is overwogen, acht het Gerecht aannemelijk dat belanghebbende vanaf 1 november 2024 gebruik heeft gemaakt van het voertuig in de zin van artikel 7 van het Vrijstellingenbesluit. Dat niet is komen vast te staan of daarbij gebruik is gemaakt van een “temporary plate” dan wel van de kentekenplaat van het vorige voertuig, doet aan die feitelijke constatering niet af.

4.15

De Inspecteur heeft zich tevens op het standpunt gesteld dat vanaf 14 april 2025 geen sprake meer was van gebruik van het voertuig omdat de registratie op die datum was verlopen. Ook hierin volgt het Gerecht de Inspecteur niet. Onder verwijzing naar hetgeen hiervoor in 4.12 tot en met 4.14 is overwogen, brengt de enkele omstandigheid dat mogelijk niet volledig werd voldaan aan de registratievereisten van de staat Florida nog niet zonder meer mee dat geen sprake meer was van gebruik in de zin van artikel 7 van het Vrijstellingenbesluit. Daarbij neemt het Gerecht mede in aanmerking dat belanghebbende heeft verklaard dat hij ook na 14 april 2025 feitelijk gebruik bleef maken van het voertuig, terwijl de Inspecteur geen concrete feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die aanleiding geven aan de juistheid van die verklaring te twijfelen.

4.16

Gelet op het vorenstaande is het Gerecht van oordeel dat belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de auto reeds vanaf 1 november 2024 in Florida in bezit en eigendom van belanghebbende was en aldaar door hem werd gebruikt tot aan het moment van overbrenging van zijn normale verblijfplaats op 8 mei 2025. Aldus heeft hij voldaan aan de zesmaandentermijn van artikel 7 van het Vrijstellingenbesluit. Dat belanghebbende in zijn beroepschrift en pleitnota, in afwijking van het voorgaande, óók een gebruiksperiode van 5 maanden 25 dagen heeft genoemd leidt het Gerecht niet tot een ander oordeel. Naar het Gerecht begrijpt doelde belanghebbende daarbij slechts op de door de Inspecteur verdedigde opvatting dat het gebruik van de auto minder dan zes maanden bedroeg.

4.17

De Inspecteur heeft voorts aangevoerd dat belanghebbende het motorvoertuig met het oog op zijn verhuizing naar Aruba heeft aangeschaft. Het Gerecht volgt de Inspecteur hierin niet. De wetgever heeft met de in artikel 7 van het Vrijstellingenbesluit opgenomen zesmaandeneis op objectieve wijze invulling willen geven aan het voorkomen van misbruik van de verhuisboedelvrijstelling. Indien aan die objectieve voorwaarden is voldaan, bestaat in beginsel geen aanleiding om enkel op grond van het tijdstip van aanschaf aan te nemen dat het voertuig met het oog op de overbrenging van de normale verblijfplaats is aangeschaft. Nu het Gerecht hiervoor heeft geoordeeld dat aan die voorwaarden is voldaan, komt aan de door de Inspecteur veronderstelde intentie van belanghebbende geen zelfstandige doorslaggevende betekenis toe.

4.18

De Inspecteur heeft het verzoek om toepassing van de verhuisboedelvrijstelling derhalve ten onrechte afgewezen.

4.19

Het beroep is gegrond.

5
PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT
5.1

Kosten beroepsfase

Het Gerecht vindt aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten die belanghebbende redelijkerwijs heeft moeten maken.

5.2

Ingevolge artikel 15, eerste lid van de Landsverordening beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De regels over de (hoogte van de) vergoeding zijn neergelegd in het Landsbesluit proceskostenvergoeding in belastingzaken (hierna: Landsbesluit).

5.3

In artikel 1 van dit Landsbesluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand (onder a) en de kosten van deskundigen die door een partij zijn meegebracht (onder b). Ingevolge artikel 2 van het Landsbesluit worden de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand overeenkomstig het in de bijlage bij het landsbesluit opgenomen tarief bepaald.

5.4

Deze kosten kunnen worden berekend op Afl. 1.400 voor de beroepsmatige rechtsbijstand (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt Afl. 700, wegingsfactor 1). De totale kosten bedragen Afl. 1.400.

5.5

Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, vierde lid, van de LBB, het betaalde griffierecht van Afl. 25 aan belanghebbende te vergoeden.

6
DE BESLISSING

Het Gerecht verklaart:

-het beroep gegrond;

-vernietigt de uitspraak op bezwaar;

-vernietigt de beschikking waarbij het verzoek om toepassing van de verhuisboedelvrijstelling is afgewezen;

-verleent belanghebbende vrijstelling van invoerrechten ter zake van de invoer van de Mercedes-Benz GLE 2025;

-veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een bedrag van Afl. 1.400;

-draagt de Inspecteur op het betaalde griffierecht van Afl. 25 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is gegeven door mr. M.A. Brinkenberg, rechter, en is uitgesproken op 20 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noel-van der Biezen BSc.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op……….2026 aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)

J.G. Emanstraat 51

Oranjestad

Aruba

U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:

1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;

2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:

a. de naam en het adres van de indiener,

b. de dagtekening,

c. waartegen u in beroep komt,

d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:

belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:

- natuurlijke personen: Afl. 75

- personenvennootschappen en rechtspersonen: Afl. 300