J.O.B. HOLDING & MANAGEMENT VBA.
3.7
Dit heeft geleid tot de beslissing op bezwaar van 2 juli 2025. Hiertegen richt zich het beroep.
De bestreden beslissing op bezwaar
4. Bij bestreden beslissing op bezwaar heeft verweerder de aanvraag van appellante opnieuw afgewezen. In de beslissing staat onder meer:
“(…)
I.c. is het de bedoeling van JOB om het bestaande bouwsel te slopen en op te ruimen, zodat het terrein met kadastraal nummer [kadastraal nummer] kan worden opgevuld met koraalzand en ingericht met parasols/palapas ten behoeve van dagrecreatie.
Het verwijderen van de bestaande ruïne brengt schade toe aan de ecologische waarden van het gebied, en is daarmee onverenigbaar met het beleidsmatige streven naar behoud en versterking van de natuurlijke omgeving.
Het opvullen van het perceel [kadastraal nummer] met koraalzand en het plaatsen van parasols/palapas kwalificeren niet als laag-impact recreatie zoals opgenomen in het ROPV. Dergelijke ingrepen verstoren het lokale ecosysteem en vergroten menselijke druk op het gebied, hetgeen strijdig is met het uitgangspunt om de impact op de natuurlijke omgeving zoveel mogelijk te beperken. Bovendien impliceert het begrip ‘medegebruik’, zoals omschreven in artikel 28.1 onder c van het ROPV, dat her beoogde gebruik ondergeschikt dient te zijn aan de hoofdfunctie van de betreffende bestemming.
In casu kan het gebruik van gronden met de bestemming ‘Marinezones’ ten behoeve van dagrecreatie, door het aanbrengen van koraalzand en het plaatsen van parasols/palapas, niet worden aangemerkt als ondergeschikt gebruik.
Daarnaast kan op basis van de aangehaalde adviezen van de Aruba Conservation Foundation (ACF) en de Directie Natuur en Milieu (DNM) worden geconcludeerd dat het voorgenomen gebruik afbreuk doet aan de ter plaatse/in directe omgeving aanwezige ecologische waarden.
Gelet op het bovenstaande, en in overweging nemende dat het voorgenomen gebruik niet in overeenstemming is met de planologische opzet zoals vastgelegd in het ROPV, en dat het bovendien afbreuk doet aan de aanwezige ecologische waarden zoals bevestigd in de adviezen van ACF en DNM, wijst de minister het verzoek om een aanlegvergunning af.
(…)”.
Het standpunt van appellante
5. Appellante voert - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende aan. Allereerst stelt appellante dat verweerder de bestreden beschikking heeft genomen zonder vooraf advies in te winnen bij de bezwaaradviescommissie. Daarmee is volgens appellante gehandeld in strijd met een essentiële procedureregel. Reeds hierom dient de bestreden beschikking wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel te worden vernietigd. Voorts betwist appellante dat het rifeiland kan worden aangemerkt als een natuurreservaat in de zin van de Natuurbeschermingsverordening. De kwalificatie van het rifeiland als natuurreservaat is volgens haar niet inzichtelijk gemotiveerd.
Volgens appellante kan aan Isla di Oro een driedeling in bestemmingen worden toegekend. Het mangrovegebied valt onder de bestemming “Natuurgebied”. Een gedeelte van de pier heeft de bestemming “Natuur en Landschap”. Het rifeiland zelf is niet expliciet van een afzonderlijke bestemming voorzien, maar wordt omringd door een gebied met de bestemming “Marinegebied”.
Ten aanzien van de aangevraagde aanlegvergunning stelt appellante dat de voorgenomen activiteiten passen binnen de functieomschrijving zoals opgenomen in artikel 28.1, onder a, van het ROPV. Deze activiteiten zijn volgens haar gericht op het behoud, herstel en de bevordering van de aanwezige natuurlijke en ecologische waarden. Daarmee zijn zij in overeenstemming met de geldende bestemmingsfuncties.
Daarnaast voert appellante aan dat, los van de vraag of de activiteiten volledig binnen de bestemmingsomschrijving vallen, de huidige situatie op het rifeiland dient te worden aangemerkt als een bestaande situatie in de zin van artikel 10 van het ROPV. Tot slot betwist appellante dat het voorgenomen project afbreuk doet aan de ecologische waarden van het gebied. Volgens haar is onvoldoende onderbouwd dat sprake zal zijn van aantasting van beschermde natuurwaarden.
6. Het juridisch kader is opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.
Procesbelang
7. Het gerecht stelt allereerst vast dat het aan appellante verleende recht van erfpacht, waarop de aanvraag om een aanlegvergunning betrekking heeft, is vervallen op 14 februari 2026 (zie 3.1). In beginsel kan het vervallen van dit recht meebrengen dat het procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van de bestreden beslissing ontbreekt. Evenwel heeft appellante ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat zij zich niet zal neerleggen bij het niet verlengen van de erfpachtvoorwaarden en dat zij voornemens is rechtsmiddelen aan te wenden teneinde voortzetting van haar recht op het perceel te bewerkstelligen. Onder deze omstandigheden is het gerecht van oordeel dat appellante nog een voldoende actueel en reëel belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen de weigering van de aanlegvergunning.
8. De beroepsgronden van appellant hebben in de eerste plaats betrekking op de wijze waarop de besluitvorming door verweerder heeft plaatsgevonden. Appellante stelt dat verweerder de bestreden beslissing heeft genomen zonder een advies van de bezwaaradviescommissie af te wachten. Het gerecht stelt vast dat in dit geval geen advies van de bezwaaradviescommissie is uitgebracht binnen de daarvoor gestelde termijn. Voorts is niet gebleken dat zich een van de gevallen voordoet als bedoeld in artikel 17, vierde lid, onder a en b van de Lar. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat verweerder over de voor de besluitvorming benodigde informatie beschikte en dat bij uitspraak van het gerecht van 2 april 2025 (zie 3.6) is bepaald dat verweerder binnen drie maanden een reële beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellante. Onder deze omstandigheden stond het verweerder vrij om op het bezwaar te beslissen zonder het advies van de bezwaaradviescommissie af te wachten. Het gerecht ziet ook overigens geen grond voor het oordeel dat de bestreden beslissing, door appellanten niet te (doen) horen, onzorgvuldig is voorbereid. Deze beroepsgrond faalt.
Bestemming van het perceel
9. Appellante betwist dat het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft de bestemming “Marinegebied” heeft. Zij voert daartoe aan dat het mangrovegebied valt onder de bestemming “Natuurgebied” en dat een gedeelte van de pier de bestemming “Natuur en Landschap” heeft. Volgens appellante is het rifeiland zelf niet expliciet van een afzonderlijke bestemming voorzien, maar wordt het omringd door gronden met de bestemming “Marinegebied”. Het gerecht volgt appellante hierin niet. Uit raadpleging van de digitale plankaart behorende bij het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan Aruba (ROPV), blijkt dat bij selectie van het betreffende gebied de bestemming “Marinegebied” wordt weergegeven. Het gerecht ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze aanduiding te twijfelen. Gelet hierop gaat het gerecht er in deze procedure van uit dat op het perceel de bestemming “Marinegebied” van toepassing is.
10. Nadat is vastgesteld welke bestemming op het perceel van toepassing is, komt het gerecht toe aan de vraag of de aangevraagde werkzaamheden in overeenstemming zijn met de op de bestemming van toepassing zijnde voorschriften. Het gerecht stelt daarbij voorop – en anders dan door appellante is betoogd – dat bij de beoordeling van een aanvraag om een aanlegvergunning niet uitsluitend de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden bepalend zijn, maar ook het uiteindelijke gebruik dat met die werkzaamheden wordt beoogd. Dit volgt uit het systeem van de planologische regelgeving, waarin de bestemming van de gronden leidend is. De bestemming “Marinegebied” is primair gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van natuurlijke en ecologische waarden, met slechts beperkt dagrecreatief medegebruik met een lage impact.
Uit de stukken blijkt dat appellante voornemens is onder meer een bestaande constructie te slopen, het terrein op te vullen met koraalzand, palmbomen te planten, parasols en palapa’s te plaatsen en een loopbrug te herstellen. Ter zitting heeft appellante desgevraagd hieraan bevestigd dat deze werkzaamheden worden verricht in het kader van een commercieel-educatief concept, gericht op toerisme, waarbij tevens wordt gedacht aan een kleinschalige horecavoorziening. Appellante heeft als productie 17 een afbeelding overgelegd van het beoogde plan.
Productie 17 van appellante ingediend op 18 november 2025
Hierop is zichtbaar dat het plan voorziet in een educatiecentrum/horecavoorziening in de vorm van een boot die vrijwel het gehele eiland zou beslaan. Het gerecht is van oordeel dat de combinatie van de werkzaamheden en het daarmee beoogde commerciële gebruik niet kan worden aangemerkt als een vorm van laag-impact dagrecreatief medegebruik, zoals bedoeld in artikel 28.1, aanhef en onder c, van het ROPV. De exploitatie van horeca en toeristische voorzieningen brengt een structureel en continu karakter van gebruik met zich mee dat verder gaat dan het toegestane beperkte recreatieve gebruik. Nu het voorgenomen gebruik en de daarmee samenhangende werkzaamheden reeds in strijd zijn met de op het perceel rustende bestemming, ziet het gerecht geen aanleiding om verder in te gaan op de over en weer betwiste stellingen omtrent de aantasting van afzonderlijke ecologische waarden van het gebied. Het voorgenomen gebruik is een relevante en in dit geval doorslaggevende factor vormt bij de beoordeling van de aanvraag en staat aan de verlening van de gevraagde aanlegvergunning is de weg. Verweerder is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.
11. Appellante doet tevergeefs een beroep op het overgangsrecht, neergelegd in artikel 10 van de planvoorschriften. Onbetwist is dat het gebruik voor horecadoeleinden ter plaatse reeds 30 jaar geleden is beëindigd, zodat van een voortzetting van bestaand gebruik geen sprake is. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat sprake is van op grond van het overgangsrecht toegestane herbouw van nog bestaande bouwwerken.
Gelijkheidsbeginsel
12. Ook het beroep van appellante op het gelijksbeginsel slaagt niet. Voor zover zij heeft gewezen op bestaand recreatief en commercieel gebruik van verschillende rifeilanden waar van overheidswege niet tegen wordt opgetreden, is niet aannemelijk gemaakt dat het daarbij gaat om gevallen waarin verweerder wel een aanlegvergunning heeft verleend om die activiteiten toe te staan. De vraag of handhavend wordt opgetreden tegen mogelijk illegaal gebruik van de rifeilanden staat los van het al dan niet verlenen van een aanlegvergunning ten behoeve van dat gebruik. Bovendien kan het gelijkheidsbeginsel er niet toe leiden dat verweerder wordt gedwongen om in strijd met de bepalingen van het ROPV ook voor activiteiten elders vergunning te verlenen.
13. Het beroep slaagt niet en zal daarom ongegrond worden verklaard. Voor vergoeding van griffierecht of proceskosten is geen aanleiding.