Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig

ECLI:NL:OGEAA:2026:127

Op 8 April 2026 heeft de Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is AUA202502534, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAA:2026:127.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
AUA202502534
Datum uitspraak:
8 April 2026
Datum publicatie:
18 May 2026

Indicatie

Aanlegvergunning

Uitspraak

Uitspraak van 8 april 2026

Lar nr. AUA202502534

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:

J.O.B. HOLDING & MANAGEMENT VBA.

gevestigd in Aruba,

APPELLANTE,

gemachtigden: de advocaten mrs. B.F. Croes en A.A. Ruiz,

gericht tegen:

DE MINISTER VAN ALGEMENE ZAKEN, INNOVATIE, OVERHEIDSORGANISATIE, INFRASTRUCTUUR EN RUIMTELIJKE ORDENING,

zetelend in Aruba,

VERWEERDER,

gemachtigden: de advocaten mrs. M. Bemer en J.J. Steward.

Als derde-belanghebbenden worden aangemerkt:

Aruba Conservation Foundation (voorheen Fundacion Parke Nacional Aruba) (hierna: ACF),

gemachtigde: mr. Z.T.M. Arends-Marchena,

Stichting ScubbleBubbles: Aruba Youth for the Ocean,

gemachtigde: mr. G.W. Rep,

Stichting Turtugaruba,

gemachtigde: mr. G.W. Rep,

Stichting Fundacion Proteccion y Conservacion di Commandeursbaai y Vecindario,

gemachtigde: mr. G.W. Rep,

Aruba Birdlife Conservation, (hierna: ABC),

gemachtigde: mr. G.W. Rep.

Inleiding

1.1

In deze uitspraak beoordeelt het gerecht het beroep van appellante tegen de door verweerder genomen beslissing op bezwaar van 2 juli 2025.

1.2

Appellante heeft hiertegen op 13 augustus 2025 beroep ingesteld. Verweerder heeft op 6 oktober 2025 op het beroepschrift gereageerd met een verweerschrift. Appellante heeft op 18 november 2025 en verweerder heeft op 21 november 2025 een aantal producties ingediend. De derde-belanghebbende ABC heeft op 24 november 2025 een aantal producties ingediend.

1.3

Het gerecht heeft het beroep op 26 november 2025 behandeld op zitting. Appellante is verschenen bij haar gemachtigden. Verweerder is verschenen bij mr. M. Bemer en [medewerker van DIP] (werkzaam bij DIP). ACF heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De overige derde-belanghebbenden hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

1.4

Verweerder heeft op 27 november 2025 een rapport ingediend.

1.5

De derde-belanghebbende hebben op 14 januari 2026 op het rapport gereageerd en appellante heeft op 6 februari 2026 gereageerd.

1.6

Het gerecht heeft de behandeling van het beroep op 25 februari 2026 voortgezet. Appellante is verschenen bij haar gemachtigden. Verweerder is verschenen bij haar gemachtigden. ACF heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. De overige derde-belanghebbenden hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde en tevens was aanwezig [betrokkene].

1.7

De uitspraak is bepaald op heden.

Beoordeling door het gerecht

2. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder de aanvraag van appellante om een aanlegvergunning terecht en op goede gronden heeft geweigerd. Die aanlegvergunning heeft appellante nodig om werkzaamheden te mogen verrichten op Isla di Oro. Het gerecht beoordeelt het beroep aan de hand van de argumenten die appellante heeft aangevoerd en komt tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt het gerecht uit hoe het tot dit oordeel is gekomen.

Wat is relevant om te weten?

3.1

Middels notariële akte van overdracht van 17 juli 2023 heeft appellante het recht van erfpacht verkregen op het perceel kadastraal bekend als [kadastraal nummer], gelegen te [locatie]. Het perceel is plaatselijk bekend als het rif-eiland Isla di Oro. Dit recht is geldig tot 14 februari 2026.

3.2

Vanaf 9 maart 2024 is geconstateerd dat appellante werkzaamheden liet verrichten op Isla di Oro. Naar aanleiding hiervan heeft ACF een kort-geding aanhangig gemaakt om appellante te verbieden op en/of rond Isla di Oro werkzaamheden te verrichten.

3.3

Op 27 maart 2024 heeft appellante een aanlegvergunning verzocht.

3.4

Bij beschikking van 26 april 2024 heeft verweerder het verzoek om de aanlegvergunning afgewezen. Hiertegen heeft appellante op 23 mei 2024 bezwaar gemaakt.

3.5

Bij vonnis van 29 mei 2024 (AUA202400841) heeft het gerecht, recht doende in kort geding, appellante - kort samengevat - verboden om zonder aanlegvergunning op en/of rond Isla di Oro werkzaamheden (waaronder schoonmaak), te verrichten, zolang in een bodemprocedure niet anders wordt geoordeeld. Ook heeft het gerecht het Land verboden om het op 14 februari 2026 aflopend erfpachtrecht op het perceel Isla di Oro te verlengen met dezelfde als de huidige bestemmingvoorwaarde en/of enige andere bestemmingsvoorwaarde die in strijd is met de in de Natuurbeschermingsverordening en/of het ROPV wettelijke bepalingen.

3.6

Tegen het uitblijven van een beslissing op het onder 3.4 genoemd bezwaar heeft appellante beroep ingesteld. Bij uitspraak van dit gerecht van 2 april 2025 (AUA202403510) heeft het gerecht verweerder opgedragen om binnen een termijn van drie maanden alsnog een reële beslissing te nemen op het bezwaarschrift.

3.7

Dit heeft geleid tot de beslissing op bezwaar van 2 juli 2025. Hiertegen richt zich het beroep.

De bestreden beslissing op bezwaar

4. Bij bestreden beslissing op bezwaar heeft verweerder de aanvraag van appellante opnieuw afgewezen. In de beslissing staat onder meer:

“(…)

I.c. is het de bedoeling van JOB om het bestaande bouwsel te slopen en op te ruimen, zodat het terrein met kadastraal nummer [kadastraal nummer] kan worden opgevuld met koraalzand en ingericht met parasols/palapas ten behoeve van dagrecreatie.

Het verwijderen van de bestaande ruïne brengt schade toe aan de ecologische waarden van het gebied, en is daarmee onverenigbaar met het beleidsmatige streven naar behoud en versterking van de natuurlijke omgeving.

Het opvullen van het perceel [kadastraal nummer] met koraalzand en het plaatsen van parasols/palapas kwalificeren niet als laag-impact recreatie zoals opgenomen in het ROPV. Dergelijke ingrepen verstoren het lokale ecosysteem en vergroten menselijke druk op het gebied, hetgeen strijdig is met het uitgangspunt om de impact op de natuurlijke omgeving zoveel mogelijk te beperken. Bovendien impliceert het begrip ‘medegebruik’, zoals omschreven in artikel 28.1 onder c van het ROPV, dat her beoogde gebruik ondergeschikt dient te zijn aan de hoofdfunctie van de betreffende bestemming.

In casu kan het gebruik van gronden met de bestemming ‘Marinezones’ ten behoeve van dagrecreatie, door het aanbrengen van koraalzand en het plaatsen van parasols/palapas, niet worden aangemerkt als ondergeschikt gebruik.

Daarnaast kan op basis van de aangehaalde adviezen van de Aruba Conservation Foundation (ACF) en de Directie Natuur en Milieu (DNM) worden geconcludeerd dat het voorgenomen gebruik afbreuk doet aan de ter plaatse/in directe omgeving aanwezige ecologische waarden.

Gelet op het bovenstaande, en in overweging nemende dat het voorgenomen gebruik niet in overeenstemming is met de planologische opzet zoals vastgelegd in het ROPV, en dat het bovendien afbreuk doet aan de aanwezige ecologische waarden zoals bevestigd in de adviezen van ACF en DNM, wijst de minister het verzoek om een aanlegvergunning af.

(…)”.

Het standpunt van appellante

5. Appellante voert - samengevat en zakelijk weergegeven - het volgende aan. Allereerst stelt appellante dat verweerder de bestreden beschikking heeft genomen zonder vooraf advies in te winnen bij de bezwaaradviescommissie. Daarmee is volgens appellante gehandeld in strijd met een essentiële procedureregel. Reeds hierom dient de bestreden beschikking wegens strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel te worden vernietigd. Voorts betwist appellante dat het rifeiland kan worden aangemerkt als een natuurreservaat in de zin van de Natuurbeschermingsverordening. De kwalificatie van het rifeiland als natuurreservaat is volgens haar niet inzichtelijk gemotiveerd.

Volgens appellante kan aan Isla di Oro een driedeling in bestemmingen worden toegekend. Het mangrovegebied valt onder de bestemming “Natuurgebied”. Een gedeelte van de pier heeft de bestemming “Natuur en Landschap”. Het rifeiland zelf is niet expliciet van een afzonderlijke bestemming voorzien, maar wordt omringd door een gebied met de bestemming “Marinegebied”.

Ten aanzien van de aangevraagde aanlegvergunning stelt appellante dat de voorgenomen activiteiten passen binnen de functieomschrijving zoals opgenomen in artikel 28.1, onder a, van het ROPV. Deze activiteiten zijn volgens haar gericht op het behoud, herstel en de bevordering van de aanwezige natuurlijke en ecologische waarden. Daarmee zijn zij in overeenstemming met de geldende bestemmingsfuncties.

Daarnaast voert appellante aan dat, los van de vraag of de activiteiten volledig binnen de bestemmingsomschrijving vallen, de huidige situatie op het rifeiland dient te worden aangemerkt als een bestaande situatie in de zin van artikel 10 van het ROPV. Tot slot betwist appellante dat het voorgenomen project afbreuk doet aan de ecologische waarden van het gebied. Volgens haar is onvoldoende onderbouwd dat sprake zal zijn van aantasting van beschermde natuurwaarden.

Het juridisch kader

6. Het juridisch kader is opgenomen in een bijlage die onderdeel uitmaakt van deze uitspraak.

Procesbelang

7. Het gerecht stelt allereerst vast dat het aan appellante verleende recht van erfpacht, waarop de aanvraag om een aanlegvergunning betrekking heeft, is vervallen op 14 februari 2026 (zie 3.1). In beginsel kan het vervallen van dit recht meebrengen dat het procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling van de bestreden beslissing ontbreekt. Evenwel heeft appellante ter zitting uitdrukkelijk verklaard dat zij zich niet zal neerleggen bij het niet verlengen van de erfpachtvoorwaarden en dat zij voornemens is rechtsmiddelen aan te wenden teneinde voortzetting van haar recht op het perceel te bewerkstelligen. Onder deze omstandigheden is het gerecht van oordeel dat appellante nog een voldoende actueel en reëel belang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van haar beroep tegen de weigering van de aanlegvergunning.

Wijze van besluitvorming

8. De beroepsgronden van appellant hebben in de eerste plaats betrekking op de wijze waarop de besluitvorming door verweerder heeft plaatsgevonden. Appellante stelt dat verweerder de bestreden beslissing heeft genomen zonder een advies van de bezwaaradviescommissie af te wachten. Het gerecht stelt vast dat in dit geval geen advies van de bezwaaradviescommissie is uitgebracht binnen de daarvoor gestelde termijn. Voorts is niet gebleken dat zich een van de gevallen voordoet als bedoeld in artikel 17, vierde lid, onder a en b van de Lar. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat verweerder over de voor de besluitvorming benodigde informatie beschikte en dat bij uitspraak van het gerecht van 2 april 2025 (zie 3.6) is bepaald dat verweerder binnen drie maanden een reële beslissing dient te nemen op het bezwaar van appellante. Onder deze omstandigheden stond het verweerder vrij om op het bezwaar te beslissen zonder het advies van de bezwaaradviescommissie af te wachten. Het gerecht ziet ook overigens geen grond voor het oordeel dat de bestreden beslissing, door appellanten niet te (doen) horen, onzorgvuldig is voorbereid. Deze beroepsgrond faalt.

Bestemming van het perceel

9. Appellante betwist dat het perceel waarop de aanvraag betrekking heeft de bestemming “Marinegebied” heeft. Zij voert daartoe aan dat het mangrovegebied valt onder de bestemming “Natuurgebied” en dat een gedeelte van de pier de bestemming “Natuur en Landschap” heeft. Volgens appellante is het rifeiland zelf niet expliciet van een afzonderlijke bestemming voorzien, maar wordt het omringd door gronden met de bestemming “Marinegebied”. Het gerecht volgt appellante hierin niet. Uit raadpleging van de digitale plankaart behorende bij het Ruimtelijk Ontwikkelingsplan Aruba (ROPV), blijkt dat bij selectie van het betreffende gebied de bestemming “Marinegebied” wordt weergegeven. Het gerecht ziet geen aanleiding om aan de juistheid van deze aanduiding te twijfelen. Gelet hierop gaat het gerecht er in deze procedure van uit dat op het perceel de bestemming “Marinegebied” van toepassing is.

Toetsing van de aanvraag

10. Nadat is vastgesteld welke bestemming op het perceel van toepassing is, komt het gerecht toe aan de vraag of de aangevraagde werkzaamheden in overeenstemming zijn met de op de bestemming van toepassing zijnde voorschriften. Het gerecht stelt daarbij voorop – en anders dan door appellante is betoogd – dat bij de beoordeling van een aanvraag om een aanlegvergunning niet uitsluitend de aard en omvang van de voorgenomen werkzaamheden bepalend zijn, maar ook het uiteindelijke gebruik dat met die werkzaamheden wordt beoogd. Dit volgt uit het systeem van de planologische regelgeving, waarin de bestemming van de gronden leidend is. De bestemming “Marinegebied” is primair gericht op het behoud, herstel en de ontwikkeling van natuurlijke en ecologische waarden, met slechts beperkt dagrecreatief medegebruik met een lage impact.

Uit de stukken blijkt dat appellante voornemens is onder meer een bestaande constructie te slopen, het terrein op te vullen met koraalzand, palmbomen te planten, parasols en palapa’s te plaatsen en een loopbrug te herstellen. Ter zitting heeft appellante desgevraagd hieraan bevestigd dat deze werkzaamheden worden verricht in het kader van een commercieel-educatief concept, gericht op toerisme, waarbij tevens wordt gedacht aan een kleinschalige horecavoorziening. Appellante heeft als productie 17 een afbeelding overgelegd van het beoogde plan.

Productie 17 van appellante ingediend op 18 november 2025

Hierop is zichtbaar dat het plan voorziet in een educatiecentrum/horecavoorziening in de vorm van een boot die vrijwel het gehele eiland zou beslaan. Het gerecht is van oordeel dat de combinatie van de werkzaamheden en het daarmee beoogde commerciële gebruik niet kan worden aangemerkt als een vorm van laag-impact dagrecreatief medegebruik, zoals bedoeld in artikel 28.1, aanhef en onder c, van het ROPV. De exploitatie van horeca en toeristische voorzieningen brengt een structureel en continu karakter van gebruik met zich mee dat verder gaat dan het toegestane beperkte recreatieve gebruik. Nu het voorgenomen gebruik en de daarmee samenhangende werkzaamheden reeds in strijd zijn met de op het perceel rustende bestemming, ziet het gerecht geen aanleiding om verder in te gaan op de over en weer betwiste stellingen omtrent de aantasting van afzonderlijke ecologische waarden van het gebied. Het voorgenomen gebruik is een relevante en in dit geval doorslaggevende factor vormt bij de beoordeling van de aanvraag en staat aan de verlening van de gevraagde aanlegvergunning is de weg. Verweerder is terecht tot dezelfde conclusie gekomen.

Overgangsrecht

11. Appellante doet tevergeefs een beroep op het overgangsrecht, neergelegd in artikel 10 van de planvoorschriften. Onbetwist is dat het gebruik voor horecadoeleinden ter plaatse reeds 30 jaar geleden is beëindigd, zodat van een voortzetting van bestaand gebruik geen sprake is. Evenmin heeft zij aannemelijk gemaakt dat sprake is van op grond van het overgangsrecht toegestane herbouw van nog bestaande bouwwerken.

Gelijkheidsbeginsel 12. Ook het beroep van appellante op het gelijksbeginsel slaagt niet. Voor zover zij heeft gewezen op bestaand recreatief en commercieel gebruik van verschillende rifeilanden waar van overheidswege niet tegen wordt opgetreden, is niet aannemelijk gemaakt dat het daarbij gaat om gevallen waarin verweerder wel een aanlegvergunning heeft verleend om die activiteiten toe te staan. De vraag of handhavend wordt opgetreden tegen mogelijk illegaal gebruik van de rifeilanden staat los van het al dan niet verlenen van een aanlegvergunning ten behoeve van dat gebruik. Bovendien kan het gelijkheidsbeginsel er niet toe leiden dat verweerder wordt gedwongen om in strijd met de bepalingen van het ROPV ook voor activiteiten elders vergunning te verlenen.

De conclusie

13. Het beroep slaagt niet en zal daarom ongegrond worden verklaard. Voor vergoeding van griffierecht of proceskosten is geen aanleiding.

Beslissing

BESLISSING

De rechter in dit gerecht:

- verklaart het beroep ongegrond.

Deze beslissing is gegeven door mr. W.C.E. Winfield, rechter in dit gerecht, bijgestaan door M.R. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 8 april 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.

Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dagtekening van deze uitspraak.

Het hoger beroep moet worden ingediend bij het gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.

De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:

het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;

een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;

vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).

Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.

Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.

BIJLAGE

Ruimtelijk ontwikkelingsplan met voorschriften (ROPV)

Artikel 5 Algemene aanlegvergunningvoorschriften.

5.1

Algemeen

a. Het is verboden zonder aanlegvergunning van de Minister de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren:

1. het ophogen, afgraven en egaliseren van gronden;

2. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;

3. het verrichten van werkzaamheden die gevolgen kunnen hebben voor de waterhuishouding en de grondwaterstand;

4. het verrichten van werkzaamheden die tot erosie kunnen leiden;

5. het vellen en rooien van bomen, beplanting en mangroves;

6. het gebruiken van envirobales;

7. het uitvoeren van een afwerkingsplan of een inrichtingsplan;

8. het verharden en aanleggen van wegen en paden;

9. het geheel of gedeeltelijk verwijderen van cultuurhistorisch waardevolle objecten;

10. het aantasten, verplaatsen of verwijderen van archeologische of geologisch waardevolle objecten;

11. het aanbrengen van boven- of ondergrondse leidingen;

12. het verrichten van werkzaamheden aan of op de waterbodem of de rifeilanden;

13. het inrichten van kampeerplaatsen;

14. het plaatsen van boeien;

15. het verrichten van (proef)boringen.

b. De Minister kan de aanlegvergunning alleen verlenen indien de activiteit past binnen de bij de betreffende bestemming genoemde functies en geen afbreuk wordt gedaan aan de ter plaatse of in de omgeving aanwezige landschappelijke, natuurlijke, ecologische, archeologische, cultuurhistorische of geologische waarde of een goede opvang of afvloeiing van regen- en oppervlaktewater. Hierbij houdt de Minister in ieder geval rekening met de adviezen vanuit de inventarisatie die in het kader van Build with nature is uitgevoerd. Bij een afstand van minder dan 50 m van de gemiddelde hoogwaterlijn wordt expliciet gekeken naar de effecten van de werkzaamheden op de waarden en kwaliteiten binnen de gebieden van de bestemmingen Marinegebied en het Marinezones.

c. De Minister is met het oog op het instandhouden, het herstel of het verbeteren van deze waarden bevoegd om voorwaarden te verbinden aan de aanlegvergunning.

d. Geen aanlegvergunning is vereist voor:

1. het verrichten van normaal onderhoud;

2. het verrichten van werkzaamheden op basis van een door de Minister goedgekeurd beheers- of onderhoudsplan of een met het land Aruba gesloten beheersovereenkomst;

3. het verrichten van werkzaamheden die voortvloeien uit een door de Minister goedgekeurd verkavelingsplan en daaraan verbonden voorwaarden, mits dat verkavelingsplan niet ouder is dan 3 jaren voorafgaande aan het verrichten van de activiteit;

4. het verrichten van werkzaamheden op een kavel van minder dan 750 m² in de bestemming Stedelijk Woongebied, Centrumgebied Oranjestad en Centrumgebied San Nicolas.

Artikel 10 Bestaande situaties

10.1

Bestaande situaties

a. In afwijking van de bestemmingen en de bouwvoorschriften van dit ROPV mogen bestaande bouwwerken overeenkomstig de bestaande situatie worden gebouwd, vernieuwd en herbouwd, met dien verstande dat

1. bij bouwen overeenkomstig een verleende bouwvergunning gebouwd dient te worden of een wijziging daarvan, mits door deze wijziging de eventuele afwijking van de bestemmingen en de voorschriften van dit ROPV wordt verkleind;

2. bij een vernieuwing of een herbouw of een wijziging van de bouwvergunning de eventuele afwijking van de bestemmingen en de voorschriften van dit ROPV niet mag worden vergroot. Bestaande rancho's mogen niet worden vernieuwd en herbouwd anders dan binnen dezelfde grootte en met toestemming van de Directie en de Directie Openbare Werken.

In afwijking van de bestemmingen en de gebruiksvoorschriften van dit ROPV mag bestaand gebruik overeenkomstig de bestaande situatie worden voortgezet en vernieuwd, met dien verstande dat het bij een vernieuwing van het gebruik niet gaat om een volledig nieuw gebruik en het vernieuwde gebruik niet leidt tot een grotere afwijking van de bestemmingen en voorschriften van dit ROPV.

Bestaande legale gebouwen en constructies mogen na het tenietgaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de bouwvergunning wordt gedaan binnen een jaar na de dag waarop het bouwwerk is tenietgegaan. Deze bepaling is ook van toepassing op bestaande rancho's, met dien verstande dat het de vernieuwing niet leidt tot een vergroting van de afwijking van de bestemmingen en de voorschriften van dit ROPV.

De Minister is met het oog op het behoud, het herstel of het verbeteren van aanwezige waarden en kwaliteiten bevoegd om voorwaarden te verbinden aan de bouwvergunning voor de vernieuwing, renovatie of de herbouw of nadere voorwaarden te stellen ten aanzien van het vernieuwde gebruik.

Artikel 28 Marinegebied

28.1

Functies

Binnen het gebied met de bestemming 'Marinegebied' zijn de volgende functies toegestaan:

a. het behoud, herstel en de ontwikkeling en het beheer van aanwezige natuurlijke, ecologische waarden;

b. onderzoek en educatie ten dienste van de in lid a genoemde waarden;

c. dagrecreatief medegebruik met een lage impact op de omgeving in door de beheerder aangewezen gebieden, met uitzondering van de onder 28.3 onder b genoemde zones. Tot dit medegebruik behoort in ieder geval zwemmen, snorkelen, duiken, boardsurfen, windsurfen, kitesurfen, kanoën, varen en recreatief vissen.

28.2

Bouwen

Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.

28.3

Strijdig gebruik

Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan het gebruik van terreinen en water voor:

a. het recreatief en commercieel varen met jet-ski's, speedboten en vergelijkbare gemotoriseerde recreatieve vaartuigen of watersportactiviteiten en commerciële visserij, tenzij door de beheerder anders is aangegeven;

b. dagrecreatieve activiteiten binnen de op de plankaart aangegeven zones 'geen dagrecreatieve activiteiten toegestaan'.