Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, eerste aanleg - enkelvoudig bestuursrecht overig
ECLI:NL:OGEAA:2026:230
Op 26 August 2026 heeft de Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van bestuursrecht overig, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is AUA202602224, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAA:2026:230.
Indicatie
Vovo, verzoek afgewezen, proceskosten
Uitspraak
Uitspraak van 26 augustus 2026
Lar nr. AUA202602224
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
op het verzoek in de zin van artikel 54 van de
Landsverordening administratieve rechtspraak (Lar) van:
[Verzoeker],
verblijvend in Aruba,
VERZOEKER,
gemachtigde: de advocaat mr. J.J.C. Odor,
DE MINISTER, BELAST MET VREEMDELINGEN- EN INTEGRATIEBELEID,
zetelend in Aruba,
VERWEERDER,
gemachtigde: mr. M. van Wilgen (DIMAS).
INLEIDING
1.1
Bij beschikking van 12 januari 2026 (bestreden beschikking) heeft verweerder de aanvraag van verzoeker tot verlening van een vergunning tot tijdelijk verblijf, afgewezen.
1.2
Hiertegen heeft verzoeker op 15 januari 2026 bezwaar gemaakt.
1.3
Op 2 juli 2026 heeft verzoeker zich tot het gerecht gewend met het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.
1.4
Het gerecht heeft het verzoek behandeld ter zitting van 12 augustus 2026. Verzoeker is verschenen bij zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
1.5
De uitspraak is bepaald op heden.
Overwegingen
BEOORDELING
2.1
Op grond van artikel 54 van de Lar, kan indien krachtens deze landsverordening een bezwaar- of beroepschrift aanhangig is, de indiener daarvan aan het gerecht verzoeken om de bestreden beschikking onderscheidenlijk beslissing op het bezwaarschrift te schorsen op grond, dat de uitvoering daarvan voor betrokkene een onevenredig nadeel met zich zou brengen in verhouding tot het door een onmiddellijke uitvoering daarvan te dienen belang. Het tweede lid bepaalt dat ter voorkoming van nadeel als bedoeld in het eerste lid, op het verzoek van de indiener ook een voorlopige voorziening kan worden getroffen.
2.2
Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder toegezegd dat verzoeker de beslissing op zijn bezwaar hier te lande mag afwachten. Gelet op deze toezegging bestaat op korte termijn geen dreiging dat verzoeker uit het land zal worden verwijderd of anderszins niet langer hier te lande mag verblijven.
Daarmee ontbreekt het vereiste spoedeisende belang bij de verzochte voorziening. Bij afwezigheid van een dergelijke dreiging bestaat geen aanleiding voor toepassing van artikel 54 van de Lar. Het verzoek dient derhalve wegens het ontbreken van voldoende belang te worden afgewezen.
Proceskosten en griffierecht
2.3
Het voorgaande neemt evenwel niet weg dat het gerecht aanleiding ziet om verweerder in de proceskosten te veroordelen. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat de toezegging van de gemachtigde van verweerder eerst ter zitting is gedaan. Verzoeker had derhalve ten tijde van het indienen van het verzoek nog belang bij het verkrijgen van de verzochte voorziening, nu niet was gebleken dat hij de beslissing op zijn bezwaar hier te lande mocht afwachten.
Omdat verweerder aan het verzoek is tegemoetgekomen, bestaat aanleiding te bepalen dat de door verzoeker gemaakte proceskosten voor vergoeding in aanmerking komen. Het gerecht zal verweerder daarom veroordelen in de proceskosten aan de zijde van verzoeker, begroot op een bedrag van Afl. 1.400,- aan gemachtigdensalaris.
Het gerecht zal voorts gelasten dat het door verzoeker gestorte griffierecht wordt terugbetaald.
2.4
Beslist wordt als volgt.
Beslissing
BESLISSING
De rechter in dit gerecht:
- wijst het verzoek af,
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door verzoeker voor dit geding gemaakte kosten aan rechtskundige bijstand, begroot op Afl. 1.400,-,
- gelast dat het door verzoeker gestorte griffierecht ten bedrage van Afl. 25,- aan hem wordt terugbetaald.
Deze beslissing is gegeven door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter in dit gerecht, bijgestaan door mr. A. de Cuba, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting op 26 augustus 2026, in tegenwoordigheid van de griffier.
Informatie over hoger beroep
Tegen de beslissing op het verzoek om een voorlopige voorziening kan geen hoger beroep worden ingesteld.