Vonnis van 17 juni 2026
Behorend bij A.R. no. AUA202300971
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
[Eiser],
wonende te Nederland, domicilie kiezende te Aruba ten kantore van zijn hierna te noemen gemachtigde,
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Kock,
1.[Gedaagde 1],
wonende te Aruba,
hierna te noemen: [gedaagde 1],
procederend in persoon,
2. [Gedaagde 2],
wonende te Nederland,
hierna te noemen: [gedaagde 2],
procederend in persoon,
3. [Gedaagde 3],
wonende te Nederland,
hierna te noemen: [gedaagde 3],
procederend in persoon.
1.1
Het eerdere verloop van deze procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis in deze zaak van 4 september 2024 en de daarin genoemde stukken;
- de akte overlegging stukken van de zijde van [eiser] gedateerd 20 november 2025, genomen op de rol van 18 februari 2026;
- de antwoordakte van [gedaagde 1] van 6 mei 2026;
- de antwoordakte van [gedaagde 3] en [gedaagde 2] van eveneens 6 mei 2026.
1.2
Vervolgens is vonnis bepaald op vandaag.
Overwegingen
2.1
In deze procedure gaat het om de verdeling van de nalatenschappen van [erflater], overleden op 14 juli 1985 (hierna: de erflater), en [erflaatster], overleden op 23 november 2016 (hierna: de erflaatster). De erflater en erflaatster zijn de ouders van [echtgenoot van gedaagde 2 en 3] (hierna: [echtgenoot van gedaagde 2 en 3]), [gedaagde 2] en [gedaagde 3]. [Echtgenoot van gedaagde 2 en 3] was gehuwd met [gedaagde 1]. Zij zijn de ouders van [eiser]. [Echtgenoot van gedaagde 2 en 3] is op 19 april 2005 in Nederland overleden.
2.2
De nalatenschappen van de erflater en de erflaatster zijn nog niet verdeeld. Tot de nalatenschap van de erflater en (mogelijk) de erflaatster behoort het huurrecht op het perceel domeingrond gelegen [adres]. Op dit perceel heeft de erflater een woning gebouwd. De woning wordt verhuurd en de huurpenningen worden sinds het overlijden van erflaatster ontvangen door [gedaagde 2].
2.3
Bij voormeld tussenvonnis is [eiser] in de gelegenheid gesteld een verklaring van erfrecht te overleggen met betrekking tot de erflater en de erflaatster. Uit de verklaring van erfrecht dient tevens te blijken wie de erfgenamen van wijlen [echtgenoot van gedaagde 2 en 3] zijn, alsmede of en op welke wijze de nalatenschappen, waaronder die van [echtgenoot van gedaagde 2 en 3], zijn aanvaard.
2.4
Nadat de zaak naar de parkeerrol was verwezen en daarna weer op de rol was geplaatst, heeft [eiser] op 18 februari 2026 bij akte overlegging stukken een verklaring van erfrecht in het geding gebracht. Deze verklaring van erfrecht ziet echter enkel op [echtgenoot van gedaagde 2 en 3] en niet (ook) op de erflater en erflaatster. Daarom kan ook nu nog niet worden vastgesteld of de erflater en de erflaatster bij uiterste wil over hun nalatenschappen hebben beschikt en (daarmee) wie hun erfgenamen zijn. Ook is nog niet gebleken of de erflater en de erflaatster in gemeenschap van goederen waren gehuwd.
2.5
Indien geen sprake is van een testament van de erflater en de erflaatster, dan zijn [gedaagde 2], [gedaagde 3] en [eiser] (vanwege het overlijden van zijn vader als erfgenaam en bij plaatsvervulling) de gezamenlijke erfgenamen. Voor wat betreft [gedaagde 1] geldt dat is gesteld dat zij ten tijde van het overlijden van de erflater was gehuwd met [echtgenoot van gedaagde 2 en 3], zodat het aandeel van [echtgenoot van gedaagde 2 en 3] in de nalatenschap van (enkel) de erflater in de tussen [echtgenoot van gedaagde 2 en 3] en [gedaagde 1] bestaande, inmiddels ontbonden huwelijksgoederengemeenschap is gevallen. Of deze huwelijksgoederengemeenschap al is verdeeld, is niet gesteld of gebleken.
2.6
Het verweer van [gedaagde 2] en [gedaagde 3] dat de vordering tot verdeling is verjaard, faalt. Een vordering tot verdeling is niet aan verjaring onderhevig.
2.7 [
Eiser] zal nogmaals (en voor de laatste keer) in de gelegenheid worden gesteld een verklaring van erfrecht te overleggen met betrekking tot de erflater en de erflaatster, dus met betrekking tot [erflater], overleden op 14 juli 1985, en [erflaatster], overleden op 23 november 2016 (beiden naar het Gerecht aanneemt te Aruba).
2.8
Daarnaast zal een comparitie van partijen worden bepaald (waaraan [eiser], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] in persoon of desgewenst via videoverbinding kunnen deelnemen), teneinde de omvang van de nalatenschappen te bespreken (waaronder de (wijze van vaststelling van de) waarde en de overdraagbaarheid van het huurrecht), de wijze van verdeling daarvan (zoals bijvoorbeeld de uitkoop van [eiser] door [gedaagde 2] en [gedaagde 3], nu zij de woning niet willen verkopen), de door [gedaagde 2] ontvangen huurinkomsten en de ten behoeve van de nalatenschappen gemaakte kosten. Ook zal aan de orde kunnen worden gesteld de wijze van aanvaarding door [eiser] van de nalatenschap van [echtgenoot van gedaagde 2 en 3] (nu wel een volmacht tot beneficiaire aanvaarding is afgegeven, maar de nalatenschap blijkens de verklaring van erfrecht zuiver is aanvaard) en de stelling van [gedaagde 1] dat zij in gemeenschap van goederen met [echtgenoot van gedaagde 2 en 3] was gehuwd.
2.9
Vanwege de met het opstellen van de verklaring(en) van erfrecht gemoeide tijd, zal de comparitie van partijen worden bepaald op woensdag 21 oktober 2026 om 13:30 uur in zaal A. De comparitie zal plaatsvinden ten overstaan van de rechter mr. A. van Rijen.
2.10
Als een partij niet verschijnt kan het Gerecht daaraan het gevolg verbinden - ook in het nadeel van die partij - dat het passend acht.
2.11
De partij die zich gedurende de comparitie op schriftelijke (bewijs)stukken wil beroepen, dient die stukken tijdig - dat wil zeggen uiterlijk op de derde werkdag voor de dag van de zitting - in fotokopie aan zijn wederpartij en aan het Gerecht over te leggen.
2.12
Voor de comparitie wordt in beginsel één uur uitgetrokken. Partijen kunnen hun zaak ter comparitie vijf minuten bepleiten. Als een partij de vastgestelde spreektijd overschrijdt, kan de rechter haar het woord ontnemen.
2.13
De verklaring(en) van erfrecht dienen door [eiser] uiterlijk een week voorafgaand aan de comparitie in het geding te worden gebracht.
2.14
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.
3.1
gelast een comparitie van partijen op de terechtzitting van mr. A.J.J. van Rijen, rechter, op woensdag 21 oktober 2026 om 13:30 uur in zaal A van het in Aruba te J.G. Emanstraat nr. 51 gelegen gerechtsgebouw;
3.2
bepaalt dat partijen dan in persoon (voor wat betreft [eiser], [gedaagde 2] en [gedaagde 3] desgewenst via videoverbinding en [eiser] desgewenst met zijn gemachtigde) aanwezig moeten zijn;
3.3
draagt [eiser] op een week voor de comparitie de verklaring(en) van erfrecht te overleggen met betrekking tot [erflater], overleden op 14 juli 1985, en [erflaatster], overleden op 23 november 2016;
3.4
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis, rechter, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 17 juni 2024 in aanwezigheid van de griffier.