Vonnis van 4 juni 2026
Behorend bij AUA202601523 KG
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
[Eiser],
te Aruba,
eiser,
hierna te noemen: [eiser],
procederend in persoon,
RBC ROYAL BANK (ARUBA) N.V.,
te Aruba,
gedaagde,
hierna te noemen: RBC,
gemachtigde: mr. M.L.J.J.P. Willems.
1.1 [
Eiser] heeft op 29 april 2026 bij de griffie van het Gerecht een verzoekschrift met producties ingediend. Op 20 mei 2026 heeft RBC producties ingediend.
1.2
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 21 mei 2026. Hierbij waren aanwezig [eiser] in persoon, en mr. Willems namens RBC. Zij hebben de zaak (verder) toegelicht aan de hand van spreekaantekeningen die zij hebben overgelegd. Ook hebben zij vragen van de rechter beantwoord.
1.3
Vanwege de spoedeisendheid van de zaak heeft de rechter ter zitting, na een korte schorsing, mondeling uitspraak gedaan. Die luidt dat het verzoek van [eiser] wordt afgewezen. Aan partijen is medegedeeld dat de motivering voor die beslissing wordt vastgelegd in een vonnis, dat vandaag wordt uitgesproken.
2.
DE FEITEN
2.1
Partijen zijn op 16 oktober 2009 een herfinanciering overeengekomen van [eiser] destijds bestaande schulden aan RBC. Volgens de overeenkomst van die datum is een lening van Afl. 597.000,- “to consolidate outstanding balances” verstrekt en is verder onder meer een overdraft facility van Afl. 40.000,- ter beschikking gesteld.
2.2
Bij brief van 15 juni 2010 heeft RBC aan [eiser] bericht dat zij de kredietrelatie beëindigt en dat daarmee het volledige openstaande bedrag opeisbaar wordt.
2.3 [
Eiser] heeft in 2014 een bodemprocedure bij dit Gerecht aanhangig gemaakt. Hierin vorderde hij een verklaring voor recht dat RBC onrechtmatig heeft gehandeld door, kort gezegd, niet alle schulden van [eiser] te consolideren zoals was afgesproken. RBC heeft in reconventie betaling van het verschuldigde bedrag gevorderd (hoofdsom van Afl. 442.147,61, te vermeerderen met rente en kosten). Bij vonnis van 18 mei 2016 heeft het Gerecht de vordering van [eiser] afgewezen, en de vordering van RBC toegewezen.
2.4
Voormeld vonnis van het Gerecht is bekrachtigd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie bij vonnis van 17 april 2018. In dit vonnis, waartegen geen cassatieberoep is ingesteld, is onder meer het volgende overwogen:
“2.7 Dat partijen zijn overeengekomen dat alle op dat moment bestaande schulden volledig zouden worden geconsolideerd, aldus dat ook het volledige openstaande saldo op de lopende rekening zou worden meegenomen, zodat deze faciliteit weer op nul zou komen te staan en [eiser] tegen een rentepercentage van 12% voor Afl. 40.000,00 aan “fresh funds” zou komen te beschikken, blijkt niet uit de (…) schriftelijke overeenkomst van 16 oktober 2009. Het daarin vermelde bedrag aan te consolideren schulden bedraagt Afl. 597.000,00 en sluit daarmee (…) wel de overstand van Afl. 27.000,00 maar niet ook de toegestane debetstand van Afl. 40.000,00 in. In overeenstemming daarmee heeft [eiser] (…) een bedrag van Afl. 597.000,00 ontvangen en zijn de in de consolidatie betrokken rekeningen, anders dan de lopende rekening, op nul gesteld.”
2.5
Op 15 april 2026 heeft RBC de executie aangezegd van een aan RBC verhypothekeerd perceel van [eiser], die zou plaatsvinden op 21 mei 2026.
3
DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
3.1
De vordering van [eiser] strekt i) tot opschorting van de executoriale veiling, totdat de omvang van de onderliggende schuld in een bodemprocedure definitief is vastgesteld, en ii) tot afgifte van een volledig en gespecificeerd schuldenoverzicht, met veroordeling van RBC in de proceskosten.
3.2
RBC voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.
3.3
Het Gerecht zal hierna, voor zover dat van belang is voor de beoordeling, nader ingaan op de standpunten van partijen.
Overwegingen
4.1
De spoedeisendheid volgt uit de aard van de zaak. De veiling heeft al plaatsgevonden, korte tijd na sluiting van de mondelinge behandeling op 21 mei 2026. Om die reden is ter zitting meteen de beslissing medegedeeld, die luidt dat de vordering van [eiser] wordt afgewezen. De motivering van die beslissing luidt als volgt.
4.2 [
Eiser] wil met zijn vordering ten eerste bewerkstelligen dat de executieveiling wordt geschorst totdat de onderliggende schuld wordt vastgesteld in een bodemprocedure. [Eiser] verwijt RBC dat bij het aangaan van de lening in 2009 ten onrechte de overdraft facility van Afl. 40.000,- niet in de consolidatie is opgenomen. Daardoor is als nieuwe lening het bedrag van Afl. 597.000,- geboekt in plaats van het afgesproken bedrag van Afl. 637.000,-. Als gevolg hiervan heeft RBC het overdraft saldo vanaf oktober 2009 structureel onjuist berekend, terwijl er eigenlijk geen sprake is geweest van een betalingsachterstand. RBC heeft nooit een deugdelijk schuldenoverzicht verstrekt waarin dit verschil is gecorrigeerd. Zolang de onderliggende schuld niet inzichtelijk en verifieerbaar is, is een executoriale veiling niet gerechtvaardigd, aldus steeds [eiser].
4.3
RBC betwist dat met [eiser] is overeengekomen dat de overdraft facility zou worden geconsolideerd. Zij verwijst onder meer naar de eerdere bodemprocedure tussen partijen, waarin in twee instanties is geoordeeld dat met de lening in 2009 een consolidatie van Afl. 597.000,- gemoeid was, dat uit niets blijkt dat er een afspraak was om de overdraft facility van Afl. 40.000,- te consolideren en dat de door RBC berekende vordering toewijsbaar is. RBC wijst erop dat het vonnis in kracht van gewijsde is gegaan, maar doet geen beroep op het gezag van gewijsde daarvan (vgl. artikel 70a lid 3 Rv).
4.4
Het Gerecht ziet, gelet op de stellingen van partijen, grond om in deze kortgedingprocedure voorshands aan te sluiten bij de overwegingen van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, zoals hiervoor weergegeven onder 2.4. [Eiser] heeft namelijk (ook) in dit kort geding niet aannemelijk kunnen maken dat de faciliteit van Afl. 40.000,- geconsolideerd had moeten worden. Hij stelt niet meer dan dat hij een leningsovereenkomst heeft getekend voor Afl. 637.000,-, maar in die overeenkomst staat een lening van Afl. 597.000,- “to consolidate outstanding balances”. Daarnaast is een overdraft facility van Afl. 40.000,- vermeld, maar nergens staat dat deze – destijds al bestaande – faciliteit in de consolidatie zou worden meegenomen. Uit de overeenkomst volgt dus niet dat het bedrag van Afl. 40.000,- aanvullende kredietruimte betrof ten opzichte van de toen bestaande situatie. Daarmee heeft [eiser] ook niet aannemelijk gemaakt dat RBC sindsdien zijn saldo op basis van het onjuiste bedrag heeft berekend en dat als gevolg daarvan de door RBC gestelde schuld niet klopt.
4.5
Nu (de omvang van) de schuld van [eiser] aan RBC op voorhand voldoende vast staat, staat eveneens voldoende vast dat [eiser] in verzuim is met de nakoming van zijn verplichtingen uit hoofde van de overeenkomst tussen partijen. Dat leidt ertoe dat RBC als hypotheekhouder in beginsel het recht van parate executie heeft (artikel 3:268 lid 1 BW). Dat RBC misbruik van bevoegdheid maakt door over te gaan tot executie, op grond waarvan de executie kan worden geschorst of verboden, is in dit geval niet gesteld of gebleken. Het Gerecht ziet daarom geen grond om de executieveiling tegen te houden, nog daargelaten dat de onderliggende schuld al is vastgesteld in een bodemprocedure (zoals [eiser] vordert). Een belangenafweging maakt dit niet anders. De vordering tot schorsing van de executie zal worden afgewezen.
4.6 [
Eiser] vordert daarnaast dat RBC wordt veroordeeld tot het verstrekken van een schuldenoverzicht. Uit de stellingen van [eiser] volgt dat hij een gecorrigeerd overzicht wil ontvangen, waarmee hij – naar het Gerecht begrijpt – bedoelt een overzicht waarin een lening van Afl. 637.000,- is opgenomen. Zoals hiervoor is overwogen, wordt [eiser] voorshands niet gevolgd in zijn standpunt dat RBC dat de lening méér bedroeg dan Afl. 597.000,-, en dus ook niet in zijn standpunt dat als gevolg daarvan het saldo steeds onjuist is berekend. Dat betekent dat er geen grond is om een “gecorrigeerd” schuldenoverzicht te verstrekken. Dit onderdeel zal eveneens worden afgewezen.
4.7 [
Eiser] zal worden veroordeeld in de proceskosten aan de kant van RBC. Deze worden begroot op Afl. 1.000,- aan salaris van de gemachtigde.
- wijst het gevorderde af;
- veroordeelt [eiser] in de kosten van de procedure, die tot de datum van uitspraak aan de kant van RBC worden begroot op Afl. 1.000,-.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.J.J. van Rijen, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van donderdag 4 juni 2026 in aanwezigheid van de griffier.