Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, tussenuitspraak civiel recht overig

ECLI:NL:OGEAA:2026:88

Op 25 March 2026 heeft de Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba een tussenuitspraak procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is AUA202304395 en AUA2025I00002 AR, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAA:2026:88.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
AUA202304395 en AUA2025I00002 AR
Datum uitspraak:
25 March 2026
Datum publicatie:
15 April 2026

Indicatie

Civiel, vrijwaringszaak, kredietovereenkomst, forensisch onderzoek, handschriftdeskundige, getuigen.

Uitspraak

Vonnis van 25 maart 2026

Behorend bij A.R. nr. AUA202304395 en AUA2025I00002

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de hoofdzaak (met zaaknummer: AUA202304395) van:

de naamloze vennootschap

RBC ROYAL BANK (ARUBA) N.V.,

gevestigd te Aruba,

eiseres in conventie,

gedaagde in reconventie,

hierna ook te noemen: de Bank,

gemachtigde: de advocaat mr. M.L.J.P. Willems,

tegen:

[Eiser],

wonende te [locatie], [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,hierna ook te noemen: [eiser],

gemachtigde: de advocaat mr. A. K. E. Henriquez,

en in de vrijwaringszaak (met zaaknummer: AUA2025I00002) van:

[Eiser],

wonende te [locatie], [woonplaats],

eiser,hierna ook te noemen: [locatie],

gemachtigde: de advocaat mr. A. K. E. Henriquez,

tegen:

1. de vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

PLZ REAL ESTATE V.B.A.,

gevestigd te Aruba,

hierna te noemen: PLZ,

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed,

2. [Gedaagde],

wonende te Aruba,

hierna te noemen: [gedaagde],

gedaagden,

gemachtigde: de advocaat mr. P.M.E. Mohamed.

1
DE VERDERE PROCEDURE

In de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak

1.1

Het verloop van de procedure blijkt uit het tussenvonnis in de hoofdzaak en in de vrijwaringszaak van 4 februari 2026 en de daarin genoemde stukken.

1.2

Bij voormeld tussenvonnis is in de hoofdzaak in conventie de Bank toegelaten tot bewijs en de zaak naar de rol van 18 februari 2026 verwezen voor uitlating door de Bank op welke wijze zij bewijs wil leveren. In de hoofdzaak in reconventie en in de vrijwaring zijn iedere verdere beslissing aangehouden.

1.3

Bij akte uitlating bewijs van 18 februari 2026 heeft de Bank stukken overgelegd en zich uitgelaten over de wijze waarop zij verder bewijs wenst te leveren.

1.4

Vervolgens is vonnis bepaald.

Overwegingen

2
DE VERDERE BEOORDELING

In de hoofdzaak in conventie

2.1

De Bank is toegelaten te bewijzen dat de handtekeningen op de akte van borgtocht van 12 januari 2017 en op de laatste pagina van de kredietovereenkomst van 6 oktober 2020 boven de naam [eiser] van [eiser] zijn.

2.2

Bij akte uitlating bewijs van 18 februari 2026 heeft de Bank gesteld dat zij bewijs wil leveren door middel van het overleggen van stukken, door het doen horen van in elk geval één getuige en door het doen gelasten van een forensisch onderzoek door een door het Gerecht te benoemen handschriftdeskundige. Bij deze akte zijn stukken overgelegd en tevens de personalia van de voor te brengen getuige meegedeeld.

2.3

De Bank heeft de volgende bewijsstukken overgelegd:

- de originele Akte van Borgtocht van 12 januari 2017;

- de originele kredietfaciliteit van 6 juni 2019;

- de kredietfaciliteit van 6 oktober 2020, welke volgens de Bank (vanwege de Covidpandemie) op afstand elektronisch is ondertekend;

- de handtekening van [eiser] zoals deze voorkomt op de handtekeningenkaart in de administratie van de Bank;

- een kopie van het paspoort van [eiser] met daarop zijn handtekening.

2.4

Het Gerecht ziet aanleiding eerst het getuigenverhoor te doen laten plaatsvinden. Het verhoor van de opgegeven getuige zal worden gelast op het hierna in het dictum te noemen dag en tijdstip. Daarbij is rekening gehouden met de door de Bank opgegeven verhinderdata die (zoals het Gerecht vanwege de in het dictum van het tussenvonnis in 4.5 gegeven opdracht begrijpt), betrekking hebben op beide partijen. Indien de Bank meer getuigen wil laten horen, zal daarvoor na afloop van de zitting een nieuwe datum worden bepaald. Het Gerecht wijst partijen erop dat het getuigenverhoor in beginsel in de Nederlandse taal plaatsvindt en dat de Bank moet zorgdragen voor een beroepsmatige tolk die de taal van de te horen getuige(n) en de Nederlandse taal voldoende machtig is.

2.5

Aansluitend aan het getuigenverhoor zal een comparitie van partijen worden gelast, alwaar de overgelegde stukken en het verzochte deskundigenbericht zullen worden besproken.

2.6

Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

In de hoofdzaak in reconventie en in de vrijwaringszaak

2.7

In afwachting van de bewijslevering in de hoofdzaak in conventie wordt iedere beslissing aangehouden.

3
DE UITSPRAAK

Het Gerecht:

In de hoofdzaak in conventie:

3.1

bepaalt dat het getuigenverhoor zal plaatsvinden ten overstaan van mr. M. Brown, rechterlijk ambtenaar in opleiding, en mr. T.A.M. Tijhuis, rechter, ter terechtzitting van vrijdag 8 mei 2026 om 09:00 uur in zaal E van het in Aruba te [adres] gelegen gerechtsgebouw, tijdens welke zitting de bij akte uitlating bewijs opgegeven getuige zal worden gehoord;

3.2

gelast aansluitend een comparitie van partijen met het doel zoals hiervoor in 2.5 is omschreven;

3.3

houdt iedere verdere beslissing aan;

In de hoofdzaak in reconventie:

3.4

houdt iedere verdere beslissing aan;

In de vrijwaringszaak:

3.5

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. T.A.M. Tijhuis, rechter, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 25 maart 2026 in aanwezigheid van de griffier.