4.1
Inleiding
Het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak vangt aan op 15 december 2025 na een melding van bedreiging met een vuurwapen door verdachte op [slachtoffer 2] en zijn grootvader [slachtoffer 1]. Aangever [slachtoffer 2] heeft tegenover de politie verklaard dat verdachte langs zijn woning reed in een Toyota Scion, zijn voertuig parkeerde en de volgende bedreigende woorden had geuit: “seh bo kier mi tirabo”. [Slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte onder het uiten van dreigende woorden op een voorwerp wees dat volgens hem een revolver betrof, welke in de tailleband van zijn korte broek was gestoken. Naar aanleiding hiervan werd verdachte gezocht om te worden aangehouden.
Op 21 december 2025 trof de politie de witkleurige Toyota Scion iST aan die vermoedelijk bij verdachte in gebruik was. Deze stond geparkeerd naast een zwartkleurige motorfiets waarop verdachte zat. In de auto zaten de medeverachte [medeverdachte] als bestuurder en diens vriendin. Vanuit de witkleurige Toyota Scion iST werd een sterke geur van marihuana waargenomen. Verbalisanten zagen een blauw kledingstuk in de middenconsole. Bij nadere controle bleek zich daaronder/daarin een revolver te bevinden. Op de passagiersstoel werd tevens een roodkleurig pakket aangetroffen, inhoudende marihuana.
4.4.
Vrijspraak ten aanzien van feiten 1 en 3 en partiële vrijspraak ten aanzien van feit 2
Het Gerecht acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. Wat feit 2 betreft komt het Gerecht tot een partiële vrijspraak. Het Gerecht legt dit hieronder uit.
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 15 december 2025 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], maar is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte daarbij een vuurwapen bij zich droeg en daarmee zijn bedreiging kracht heeft bijgezet.
Hiertoe overweegt het Gerecht dat slechts de aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard te hebben gezien dat de verdachte een vuurwapen in zijn broeksband had gestoken. De aangever [slachtoffer 2], die zich reeds buiten bevond voordat [slachtoffer 1] de woordenwisseling tussen de verdachte en [slachtoffer 2] gewaar werd en naar buiten kwam, heeft verklaard geen vuurwapen bij de verdachte te hebben waargenomen. Beide aangevers verklaren wel dat de verdachte met ontbloot bovenlijf rondliep. Een vuurwapen dat deels boven de broekband uitstak zou daardoor ook voor [slachtoffer 2] goed zichtbaar moeten zijn. Opvallend is verder dat de aangever [slachtoffer 1] het vuurwapen beschrijft als een revolver, dit terwijl hij verder verklaart alleen een zwart handvat van het vuurwapen te hebben gezien. Ook dit wekt bevreemding. In zijn verdere verklaring maakt hij melding dat hij van andere personen, heeft gehoord dat de verdachte een revolver van het kaliber .38 bezit, doch dat hij de namen van die persoenen niet wil noemen. Het Gerecht acht, gelet op een en ander de verklaring van de aangever [slachtoffer 1], wat diens waarneming van het vuurwapen betreft, niet voldoende betrouwbaar om als bewijs te kunnen dienen voor feit 1 en feit 2 (voor zover het de bedreiging met een vuurwapen betreft). Niet uitgesloten kan worden dat diens waarneming en verklaring is ingekleurd door wetenschap die hij meende te hebben – doch die niet kan worden geverifieerd – over het bezit door de verdachte van een revolver.
De verdachte zal daarom van feit 1 en van feit 2, voor zover het de bedreiging met een vuurwapen betreft, worden vrijgesproken. Het gerecht gaat er wel van uit dat sprake is geweest van een bedreiging, doch louter met woorden.
Het Gerecht is ook ten aanzien van feit 3 van oordeel dat er onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om vast te kunnen stellen dat het geladen vuurwapen dat op 21 december 2025 in de auto is aangetroffen, aan verdachte toebehoort dan wel dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van dit vuurwapen in die auto (en daarover kon beschikken).
Met betrekking tot een veroordeling wegens het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie geldt op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad het volgende. (Voetnoot 1)
Voor een dergelijke veroordeling is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.
Daarnaast vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.
Uit het dossier blijkt dat de verdachte op 21 december 2025, kort voor het moment waarop hij werd aangehouden, de auto heeft bestuurd waarin het vuurwapen is aangetroffen. Hij gebruikte deze auto ook regelmatig. Het vuurwapen (een geladen revolver van het kaliber .38) bevond zich in de middenconsole en was gewikkeld in, althans bedekt met een kledingstuk. Ten tijde van de aanhouding van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] bestuurde laatstgenoemde de auto. Vaststaat dat de verdachte [slachtoffer 1] kort daarvoor als bestuurder in de auto had plaatsgenomen en daarbij de verdachte als bestuurder had vervangen. Deze wisseling was ingegeven door de wens van de vriendin van de medeverdachte [medeverdachte] om niet als passagier bij hem achterop diens motorfiets te hoeven rijden. De verdachte heeft vervolgens als bestuurder van de motorfiets van medeverdachte [medeverdachte] opgetreden, tot het moment dat beiden door een arrestatieteam zijn aangehouden.
Verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] ontkennen elke wetenschap van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto en wijzen naar elkaar als mogelijke eigenaar daarvan.
Het Gerecht is van oordeel dat er onvoldoende overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om vast te kunnen stellen dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto.
Het Gerecht acht de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte], waarin zij elkaar ervan beschuldigen de vermoedelijke eigenaar van het vuurwapen te zijn, onvoldoende betrouwbaar om de waarheid omtrent hun wetenschap van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto te kunnen vaststellen. Zij hebben er immers beiden belang bij hieromtrent niet naar waarheid te verklaren. Hun verklaringen vinden verder geen (overtuigende) bevestiging in ander bewijsmateriaal.
Nu verder vaststaat dat de verdachte ten tijde van de aanhouding en het aantreffen van het vuurwapen zich niet in de auto bevond, is zijn verklaring dat hij niet van de aanwezigheid van het vuurwapen op de hoogte was en dat het vermoedelijk aan de medeverdachte [medeverdachte] toebehoort, binnen wiens handbereik het zich bevond, niet zonder meer ongeloofwaardig. Verder is geen sporenonderzoek (vingerafdrukken, DNA) verricht aan het vuurwapen, zodat ook niet kan worden vastgesteld of de verdachte en/of de medeverdachte het ter hand hebben genomen.
De conclusie is dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte het in de tenlastelegging genoemde vuurwapen en munitie (als pleger of medepleger) op 21 december 2025 voorhanden heeft gehad, in de betekenis die de Hoge Raad daaraan geeft.
De verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.
4.6
Bewezenverklaring
Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2. hij op of omstreeks 15 december 2025 in Aruba, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening, door een vuurwapen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te tonen en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:
- " Mi ta bai tirabo, mi ta bai tirabo" en/of
- " seh bo kier mi tira bo",
althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;
4. dat hij op of omstreeks 21 december 2025 in Aruba, opzettelijk een hoeveelheid hennep
in bezit en/of aanwezig heeft gehad.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.