Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba, eerste aanleg - enkelvoudig strafrecht overig

ECLI:NL:OGEAA:2026:181

Op 13 March 2026 heeft de Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 109 van 2026, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAA:2026:181.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
109 van 2026
Datum uitspraak:
13 March 2026
Datum publicatie:
20 July 2026

Indicatie

Partiële vrijspraak bedreiging met een vuurwapen nu de verklaring van de aangever niet voldoende betrouwbaar is om als bewijs te kunnen dienen

Uitspraak

Parketnummer: P-2025/02369

Zaaknummer: 109 van 2026

Uitspraak van: 13 maart 2026 op tegenspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA

VONNIS

in de strafzaak tegen de verdachte:

[Verdachte],

geboren op [geboortedatum] 2002 in [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Aruba,

hierna: de verdachte.

1
Onderzoek ter terechtzitting

Dit vonnis is op tegenspraak gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van 20 februari 2026.

Ter terechtzitting waren aanwezig de officier van justitie mr. P.A.J. van der Biezen, de verdachte en zijn raadslieden, mrs. S.G. Tromp en J.J. Tromp, advocaten in Aruba.

2
Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

1. hij op of omstreeks 15 december 2025 in Aruba een revolver of pistool, althans een voor bedreiging, of afdreiging geschikt voorwerp, in elk geval een vuurwapen als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening, voorhanden heeft gehad;

2. hij op of omstreeks 15 december 2025 in Aruba, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening, door een vuurwapen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te tonen en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:

- " Mi ta bai tirabo, mi ta bai tirabo" en/of

- " seh bo kier mi tira bo",

althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

3. hij op of omstreeks 21 december 2025 in Aruba tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een revolver en/of een of meer scherpe patronen, in elk geval een vuurwapen en/of munitie als bedoeld in artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening, voorhanden heeft gehad;

4. dat hij op of omstreeks 21 december 2025 in Aruba, opzettelijk een hoeveelheid hennep

in bezit en/of aanwezig heeft gehad.

3
Voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4
Waardering van het bewijs
4.1

Inleiding Het strafrechtelijk onderzoek in deze zaak vangt aan op 15 december 2025 na een melding van bedreiging met een vuurwapen door verdachte op [slachtoffer 2] en zijn grootvader [slachtoffer 1]. Aangever [slachtoffer 2] heeft tegenover de politie verklaard dat verdachte langs zijn woning reed in een Toyota Scion, zijn voertuig parkeerde en de volgende bedreigende woorden had geuit: “seh bo kier mi tirabo”. [Slachtoffer 1] heeft verklaard dat de verdachte onder het uiten van dreigende woorden op een voorwerp wees dat volgens hem een revolver betrof, welke in de tailleband van zijn korte broek was gestoken. Naar aanleiding hiervan werd verdachte gezocht om te worden aangehouden.

Op 21 december 2025 trof de politie de witkleurige Toyota Scion iST aan die vermoedelijk bij verdachte in gebruik was. Deze stond geparkeerd naast een zwartkleurige motorfiets waarop verdachte zat. In de auto zaten de medeverachte [medeverdachte] als bestuurder en diens vriendin. Vanuit de witkleurige Toyota Scion iST werd een sterke geur van marihuana waargenomen. Verbalisanten zagen een blauw kledingstuk in de middenconsole. Bij nadere controle bleek zich daaronder/daarin een revolver te bevinden. Op de passagiersstoel werd tevens een roodkleurig pakket aangetroffen, inhoudende marihuana.

4.2

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder 1, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten.

4.3

Het standpunt van de verdediging

De raadslieden hebben vrijspraak bepleit van hetgeen onder 1, 2 en 3 ten laste is gelegd.

4.4.

Vrijspraak ten aanzien van feiten 1 en 3 en partiële vrijspraak ten aanzien van feit 2

Het Gerecht acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 en 3 ten laste gelegde heeft begaan en zal verdachte hiervan vrijspreken. Wat feit 2 betreft komt het Gerecht tot een partiële vrijspraak. Het Gerecht legt dit hieronder uit.

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich op 15 december 2025 schuldig heeft gemaakt aan bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van de aangevers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2], maar is van oordeel dat niet kan worden bewezen dat de verdachte daarbij een vuurwapen bij zich droeg en daarmee zijn bedreiging kracht heeft bijgezet.

Hiertoe overweegt het Gerecht dat slechts de aangever [slachtoffer 1] heeft verklaard te hebben gezien dat de verdachte een vuurwapen in zijn broeksband had gestoken. De aangever [slachtoffer 2], die zich reeds buiten bevond voordat [slachtoffer 1] de woordenwisseling tussen de verdachte en [slachtoffer 2] gewaar werd en naar buiten kwam, heeft verklaard geen vuurwapen bij de verdachte te hebben waargenomen. Beide aangevers verklaren wel dat de verdachte met ontbloot bovenlijf rondliep. Een vuurwapen dat deels boven de broekband uitstak zou daardoor ook voor [slachtoffer 2] goed zichtbaar moeten zijn. Opvallend is verder dat de aangever [slachtoffer 1] het vuurwapen beschrijft als een revolver, dit terwijl hij verder verklaart alleen een zwart handvat van het vuurwapen te hebben gezien. Ook dit wekt bevreemding. In zijn verdere verklaring maakt hij melding dat hij van andere personen, heeft gehoord dat de verdachte een revolver van het kaliber .38 bezit, doch dat hij de namen van die persoenen niet wil noemen. Het Gerecht acht, gelet op een en ander de verklaring van de aangever [slachtoffer 1], wat diens waarneming van het vuurwapen betreft, niet voldoende betrouwbaar om als bewijs te kunnen dienen voor feit 1 en feit 2 (voor zover het de bedreiging met een vuurwapen betreft). Niet uitgesloten kan worden dat diens waarneming en verklaring is ingekleurd door wetenschap die hij meende te hebben – doch die niet kan worden geverifieerd – over het bezit door de verdachte van een revolver.

De verdachte zal daarom van feit 1 en van feit 2, voor zover het de bedreiging met een vuurwapen betreft, worden vrijgesproken. Het gerecht gaat er wel van uit dat sprake is geweest van een bedreiging, doch louter met woorden.

Het Gerecht is ook ten aanzien van feit 3 van oordeel dat er onvoldoende bewijs in het dossier aanwezig is om vast te kunnen stellen dat het geladen vuurwapen dat op 21 december 2025 in de auto is aangetroffen, aan verdachte toebehoort dan wel dat hij wetenschap had van de aanwezigheid van dit vuurwapen in die auto (en daarover kon beschikken).

Met betrekking tot een veroordeling wegens het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie geldt op grond van de jurisprudentie van de Hoge Raad het volgende. (Voetnoot 1)

Voor een dergelijke veroordeling is vereist dat de verdachte het wapen of de munitie bewust aanwezig had. De in de rechtspraak van de Hoge Raad in dit verband gebruikte aanduiding van “een meerdere of mindere mate” van bewustheid geeft aan dat de verdachte zich bewust was van de (waarschijnlijke) aanwezigheid van het wapen of de munitie, zonder dat die bewustheid zich hoeft uit te strekken tot de specifieke eigenschappen en kenmerken van het wapen of de munitie of tot de exacte locatie van dat wapen of die munitie. Voor het bewijs van dergelijke bewustheid geldt dat daarvan ook sprake kan zijn in een geval dat het niet anders kan dan dat de verdachte zulke bewustheid heeft gehad.

Daarnaast vergt het aanwezig hebben van een wapen of munitie dat de verdachte feitelijke macht over het wapen of de munitie kan uitoefenen in de zin dat hij daarover kan beschikken. Daarvoor hoeft het wapen of de munitie zich niet noodzakelijkerwijs in de directe nabijheid van de verdachte te bevinden. In bijzondere gevallen volstaat de enkele mogelijkheid tot het uitoefenen van feitelijke macht over het wapen of de munitie niet voor het oordeel dat de verdachte dat wapen of die munitie voorhanden had in de zin van artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn wanneer iemand onverhoeds of ongewild kortstondig een wapen of munitie van een ander in handen krijgt of wanneer iemand onverwacht kennis krijgt van de aanwezigheid in zijn nabijheid van een wapen of munitie van een ander, terwijl hij redelijkerwijs daarvan niet direct afstand kan nemen.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte op 21 december 2025, kort voor het moment waarop hij werd aangehouden, de auto heeft bestuurd waarin het vuurwapen is aangetroffen. Hij gebruikte deze auto ook regelmatig. Het vuurwapen (een geladen revolver van het kaliber .38) bevond zich in de middenconsole en was gewikkeld in, althans bedekt met een kledingstuk. Ten tijde van de aanhouding van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] bestuurde laatstgenoemde de auto. Vaststaat dat de verdachte [slachtoffer 1] kort daarvoor als bestuurder in de auto had plaatsgenomen en daarbij de verdachte als bestuurder had vervangen. Deze wisseling was ingegeven door de wens van de vriendin van de medeverdachte [medeverdachte] om niet als passagier bij hem achterop diens motorfiets te hoeven rijden. De verdachte heeft vervolgens als bestuurder van de motorfiets van medeverdachte [medeverdachte] opgetreden, tot het moment dat beiden door een arrestatieteam zijn aangehouden.

Verdachte en de medeverdachte [medeverdachte] ontkennen elke wetenschap van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto en wijzen naar elkaar als mogelijke eigenaar daarvan.

Het Gerecht is van oordeel dat er onvoldoende overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is om vast te kunnen stellen dat de verdachte zich bewust was van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto.

Het Gerecht acht de verklaringen van de verdachte en de medeverdachte [medeverdachte], waarin zij elkaar ervan beschuldigen de vermoedelijke eigenaar van het vuurwapen te zijn, onvoldoende betrouwbaar om de waarheid omtrent hun wetenschap van de aanwezigheid van het vuurwapen in de auto te kunnen vaststellen. Zij hebben er immers beiden belang bij hieromtrent niet naar waarheid te verklaren. Hun verklaringen vinden verder geen (overtuigende) bevestiging in ander bewijsmateriaal.

Nu verder vaststaat dat de verdachte ten tijde van de aanhouding en het aantreffen van het vuurwapen zich niet in de auto bevond, is zijn verklaring dat hij niet van de aanwezigheid van het vuurwapen op de hoogte was en dat het vermoedelijk aan de medeverdachte [medeverdachte] toebehoort, binnen wiens handbereik het zich bevond, niet zonder meer ongeloofwaardig. Verder is geen sporenonderzoek (vingerafdrukken, DNA) verricht aan het vuurwapen, zodat ook niet kan worden vastgesteld of de verdachte en/of de medeverdachte het ter hand hebben genomen.

De conclusie is dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de verdachte het in de tenlastelegging genoemde vuurwapen en munitie (als pleger of medepleger) op 21 december 2025 voorhanden heeft gehad, in de betekenis die de Hoge Raad daaraan geeft.

De verdachte zal daarom ook van dit feit worden vrijgesproken.

4.6

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 4 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

2. hij op of omstreeks 15 december 2025 in Aruba, [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling en/of met mishandeling met gebruikmaking van wapenen als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wapenverordening, door een vuurwapen aan die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] te tonen en/of die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] dreigend de woorden toe te voegen:

- " Mi ta bai tirabo, mi ta bai tirabo" en/of

- " seh bo kier mi tira bo",

althans woorden van soortgelijke dreigende aard of strekking;

4. dat hij op of omstreeks 21 december 2025 in Aruba, opzettelijk een hoeveelheid hennep

in bezit en/of aanwezig heeft gehad.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan wordt vrijgesproken.

4.7

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte vonnis hoger beroep wordt ingesteld, worden de door het Gerecht gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het vonnis. Deze aanvulling zal vervolgens aan het vonnis worden gehecht.

5
De kwalificatie en de strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd/Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 2.

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht,

strafbaar gesteld bij artikel 2:255, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

Feit 4.

Opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, onder C, van de Landsverordening verdovende middelen,

strafbaar gesteld bij artikel 11 van die Landsverordening.

De feiten zijn strafbaar.

6
De strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dan ook strafbaar.

7
Oplegging van de straf
7.1

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd de verdachte ter zake van het door hem bewezen geachte te veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren, met aftrek van voorarrest.

7.2

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen strafmaatverweren gevoerd, gelet op het pleidooi tot vrijspraak.

7.3

Het oordeel van het Gerecht

Oplegging van gevangenisstraf

Gelet op de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, is het gerecht van oordeel dat niet kan worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Verdacht heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging tegen het leven gericht. Door aldus te handelen heeft de verdachte een zeer angstige situatie voor de slachtoffers gecreëerd en zijn gevoelens van veiligheid ernstig aangetast.

Ook heeft verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan hennepbezit. Met het voorhanden hebben van hennep heeft verdachte een bijdrage geleverd aan de instandhouding van het criminele drugscircuit en alle daarmee gepaard gaande gevaren voor de openbare orde en de maatschappelijke veiligheid.

Ten nadele van de verdachte heeft het Gerecht ook meegewogen dat hij eerder is veroordeeld wegens overtreding van de Landsverordening verdovende middelen en de Vuurwapenverordening. Weliswaar wordt hij van overtreding van laatstgenoemde landsverordening thans vrijgesproken, doch door – zij het enkel met woorden – te dreigen om iemand dood te schieten is hem die bedreiging, gelet op zijn verleden op dit punt waar ook de aangevers van op de hoogte waren, in het bijzonder kwalijk te nemen.

Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat na te noemen gevangenisstraf passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

8
Op te leggen maatregel

De officier van justitie heeft gevorderd de onder verdachte in beslag genomen revolver en munitie te onttrekken aan het verkeer.

Hoewel de verdachte wordt vrijgesproken van het hem ter zake van het vuurwapen en de munitie tenlastegelegde, moet niettemin worden vastgesteld dat ter zake van deze voorwerpen een strafbaar feit is begaan, te weten overtreding van artikel 3 lid 1 van de Vuurwapenverordening, strafbaar gesteld bij artikel 11 van die landsverordening.

Het Gerecht zal daarom met toepassing van artikel 1:74 lid 1, onder c, juncto artikel 1:75 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba genoemde voorwerpen onttrekken aan het verkeer nu het voorwerpen van zodanige aard zijn, dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang.

9
Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf en maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:11, 1:13, 1:14, 1:62, 1:136 en 1:224 van het Wetboek van Strafrecht van Aruba.

DE BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder feiten 1 en 3 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 2 en 4 ten laste gelegde feiten, zoals hiervoor bewezen geacht, heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is ten laste gelegd en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de vier (4) maanden;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

beveelt de onttrekking aan het verkeer van de in beslag genomen revolver van het merk Smith & Wesson, model [modelnummer] met serienummer [serienummer] en vier (4) scherpe patronen van het kaliber .38 Special, voorzien van het opschrift “Cavim” .38 SPL op de bodemplaat;

heft op het bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het tijdstip waarop de duur van deze hechtenis gelijk wordt aan die van de opgelegde straf.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.C.E. Winfield, rechter, bijgestaan door mw. M.V. Alvarez, (zittingsgriffier), en op 13 maart 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit gerecht.

Uitspraakgriffier:

Voetnoot

Voetnoot 1

HR 31 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:504