Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:OGEABES:2026:110

Op 8 April 2026 heeft de Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is BON202600057, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEABES:2026:110.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
BON202600057
Datum uitspraak:
8 April 2026
Datum publicatie:
3 July 2026

Indicatie

Small claims procedure verwezen naar AR-procedure. Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Tijdens de relatie heeft eiser geld aan gedaagde geleend. Dat geld moet gedaagde terugbetalen. Tijdens de relatie heeft eiser ook cadeaus aan gedaagde gegeven. De rechtsgrondslag van die cadeaus is een schenking. Dat hoeft niet terugbetaald te worden.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire

Registratienummer: BON202600057

Vonnis van 8 april 2026

inzake

[eiser],

wonend in Zaandam,

eisende partij,

hierna: [eiser],

procederend in persoon,

tegen

[gedaagde],

wonend op Bonaire,

gedaagde partij,

hierna: [gedaagde],

procederend in persoon.

Procesverloop

1
Het procesverloop
1.1.

Het ‘small claim’ verzoekschrift met producties is op 9 februari 2026 op de griffie van dit Gerecht ingediend. Op 26 februari 2026 heeft [gedaagde] per e-mailbericht op het verzoekschrift gereageerd.

1.2.

Omdat [gedaagde] verweer heeft gevoerd tegen de vorderingen van [eiser], is de zaak op grond van artikel 66d van het procesreglement verwezen naar een gewone terechtzitting van dit gerecht. Die zitting heeft op 16 maart 2026 plaatsgevonden. [eiser] is via een videoverbinding verschenen. [gedaagde] is fysiek verschenen.

1.3.

Daarna is bepaald dat vandaag uitspraak zal worden gedaan.

Overwegingen

2
De beoordeling
2.1. [

eiser] vordert betaling van een bedrag van USD 3.000,00. Zij legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. Tijdens de affectieve relatie van partijen heeft [eiser] aan [gedaagde] geld geleend. Dat geld heeft [gedaagde] niet terugbetaald. Bovendien heeft [eiser] tijdens de relatie van partijen cadeaus aan [gedaagde] en het zoontje van [gedaagde] gegeven, zoals kinderkleding en een massage. [eiser] voelt zich door [gedaagde] bedrogen tijdens de relatie. Omdat zij zich bedrogen voelt, vindt [eiser] dat [gedaagde] de bedragen die zij heeft uitgegeven aan cadeaus aan haar moet terugbetalen.

2.2. [

eiser] heeft overzichten van haar bank overgelegd over de periode 17 november 2025 tot en met 15 december 2025. Daaruit volgt dat in totaal een bedrag van USD 2.194,38 is overgeschreven naar een bankrekening waarvan niet in geschil is dat die bankrekening van [gedaagde] is.

2.3. [

gedaagde] heeft erkend dat hij een bedrag van USD 1.700,00 van [eiser] heeft geleend. Bovendien heeft [gedaagde] erkend dat een bedrag van USD 110,00 voor een Playstation kaart ook een lening is geweest. Deze bedragen moet [gedaagde] aan [eiser] terugbetalen. Het is tussen partijen niet in geschil dat [gedaagde] het geleende geld moest terugbetalen vóór aanvang van de reis van [eiser] naar Bonaire. Die reis heeft plaatsgevonden. Daarom is [gedaagde] in verzuim met het terugbetalen van de geldlening en wordt hij veroordeeld om een bedrag van USD 1.810,00 aan [eiser] te betalen. De wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf de datum dat het verzoekschrift is ingediend tot de dag van volledige betaling.

2.4.

Volgens [gedaagde] waren de overige bedragen die [eiser] op zijn bankrekening heeft overgeschreven bedoeld voor een massage en behandeling bij de kapper. Dat heeft [eiser] als cadeau gegeven, aldus [gedaagde]. Bovendien heeft [eiser] tijdens de relatie cadeaus aan de zoon van [gedaagde] gegeven. Het voorgaande is niet door [eiser] betwist, maar [eiser] vindt dat zij die bedragen terug moet krijgen omdat [gedaagde] haar bedrogen heeft tijdens hun relatie. Daarin wordt zij niet gevolgd. Dat [eiser] zich bedrogen voelt door [gedaagde], betekent niet dat de cadeaus die zij tijdens de relatie aan [gedaagde] heeft gegeven moeten worden terugbetaald. De rechtsgrondslag voor de cadeaus is een schenking. Er is geen rechtsregel dat die grondslag achteraf wijzigt vanwege het gedrag van degene aan wie is geschonken. Het resterende deel van de vordering van [eiser] wordt daarom afgewezen.

2.5.

Partijen zijn over en weer deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. Daarom zullen de proceskosten worden gecompenseerd.

2.6.

De beslissingen in deze uitspraak worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard, omdat [eiser] dit verzoekt en [gedaagde] daartegen geen verweer heeft gevoerd. Het is het Gerecht niet gebleken van omstandigheden aan de zijde van [gedaagde] die zich tegen uitvoerbaar bij voorraadverklaring verzetten. Dit betekent dat de beslissingen in deze uitspraak moeten worden gevolgd, ook als hoger beroep wordt ingesteld tegen deze uitspraak. De beslissingen in deze uitspraak gelden dan tot de hogere rechter een andere beslissing heeft genomen.

Beslissing

3
De beslissing

Het Gerecht:

3.1.

veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van het bedrag van USD 1.810,10, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 februari 2026 tot de dag van volledige betaling;

3.2.

compenseert de proceskosten tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt;

3.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

3.4.

wijst het meer of anders verzochte af.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P.P. Hoekstra, rechter, en op 8 april 2026 in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.