Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:OGEABES:2026:195

Op 12 August 2026 heeft de Gerecht in eerste aanleg van Bonaire, Sint Eustatius en Saba een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is BON202600166, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEABES:2026:195.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
BON202600166
Datum uitspraak:
12 August 2026
Datum publicatie:
14 August 2026

Indicatie

Kinderalimentatie voor op Bonaire wonende minderjarigen. Vader woont op Aruba.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN BONAIRE, SINT EUSTATIUS EN SABA zittingsplaats Bonaire

Registratienummer: BON202600166

Datum beslissing: 12 augustus 2026

BESCHIKKING

op het verzoek van

VOOGDIJRAAD CARIBISCH NEDERLAND,

gevestigd te Bonaire,

hierna: de Voogdijraad,

met betrekking tot de minderjarigen:

[minderjarige 1],

geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats],

hierna: [minderjarige 1],

en

[minderjarige 2],

geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats],

hierna: [minderjarige 2].

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[de vrouw],

wonend op Bonaire,

hierna: de vrouw,

en

[de man],

wonend op Aruba,

hierna: de man,

gemachtigde: mr. E.J. Winkel.

Procesverloop

1
Het procesverloop
1.1.

Het verzoekschrift met bijlagen van de Voogdijraad is op 27 maart 2026 op de griffie van dit Gerecht ingediend.

1.2.

De vrouw heeft op 28 april 2026 op de griffie van het Gerecht een verweerschrift ingediend.

1.3.

Op 6 mei 2026 heeft een eerste mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt. Het Gerecht heeft de zaak aangehouden en de Voogdijraad verzocht om aan de hand van de bij het verweerschrift en de pleitnota gevoegde stukken te bezien of er aanleiding bestaat voor een herberekening, waarbij ook het gegeven kan worden betrokken dat de vader de zorg heeft voor de zoon.

1.4.

Op 23 juni heeft de Voogdijraad een herberekening op de griffie ingediend.

1.5.

De mondelinge behandeling is voortgezet op 5 augustus 2026. Daarbij is de man, met zijn gemachtigde, verschenen (de man via videoverbinding). De vrouw is in persoon verschenen. Namens de Voogdijraad is [medewerker Voogdijraad] verschenen.

1.6.

De beschikking is bepaald op vandaag.

2
De feiten
2.1.

Tijdens de relatie tussen de man en de vrouw zijn de navolgende nu nog minderjarige kinderen geboren:

- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats];

- [minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats], hierna: [minderjarige 3].

2.2. [

minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij de vrouw op Bonaire. [minderjarige 3] woont bij de man op Aruba.

Overwegingen

3
Het verzoek en de beoordeling

Het verzoek

3.1.

De Voogdijraad verzoekt het vaststellen van een bijdrage van de man in de kosten van de verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2].

3.2.

Op basis van de door partijen ingeleverde inkomensgegevens en de informatie die tijdens de mondelinge behandeling is besproken heeft de Voogdijraad een nieuwe berekening opgesteld. Uit deze berekening volgt dat een bedrag van USD 292,- per maand, door de man aan de vrouw te betalen, als redelijk en in overeenstemming met de behoefte van de kinderen en de draagkracht van partijen kan worden beschouwd.

De beoordeling

3.3.

Tijdens de mondelinge behandeling op 5 augustus 2026 is de herberekening besproken. De man heeft verklaard dat hij, hoewel hij is gehuwd, niet samenwoont met zijn vrouw. De man is het er niet mee eens dat zijn woonlasten in de berekening worden gesteld op 21,5% van het netto besteedbaar inkomen. Hij is van mening dat dit 43% moet zijn, omdat hij geen gezamenlijke huishouding met zijn vrouw voert. Daarin volgt het Gerecht hem niet. Vaststaat dat de man is gehuwd met een nieuwe partner op Aruba. Als echtgenoten zijn zij verplicht elkaar het nodige te verschaffen en samen te wonen, tenzij gewichtige redenen zich daartegen verzetten (zie artikel 1:81 en 83 BW Aruba). Deze lotsverbondenheid van het huwelijk heeft hoe dan ook gevolgen voor de financiële huishouding van de man. Overigens heeft de man zijn stelling dat hij met zijn vrouw twee gescheiden huishoudens voert ook niet met stukken onderbouwd. Daarom vindt het Gerecht het in dit geval passend om bij de woonlasten van de man niet uit te gaan van het normbedrag van 43% van het netto besteedbaar inkomen voor alleenstaanden, maar de helft daarvan (21,5%).

3.4.

De vrouw is het niet eens met de herberekening, omdat haar woonlasten daarin nu ook op 21,5% van het netto besteedbaar inkomen zijn vastgesteld. De vrouw vindt dat dit 43% moet zijn, omdat zij niet bij haar voormalige schoonouders woont, zoals de Voogdijraad heeft aangenomen, maar alleen met haar dochters woont in het huis van haar voormalige schoonouders. De man heeft verklaard dat de vrouw in het huis van haar ex-schoonvader woont en, met uitzondering van de kosten voor water en elektra, daarvoor geen vergoeding betaalt. De vrouw heeft dit ter zitting bevestigd. Nu de vrouw alleen de kosten voor water en elektra en geen huurvergoeding betaalt, acht het Gerecht het reëel om ook in haar geval niet uit te gaan van het percentage van 43% van het netto besteedbaar inkomen dat alleenstaanden voor woonlasten plegen uit te geven, maar de helft daarvan (21,5%).

3.5.

Uit de wet volgt verder dat beide ouders naar draagkracht moeten bijdragen aan de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Voor het bepalen van de door de man te betalen bijdrage is in de berekening rekening gehouden met de draagkracht van beide ouders. Bij de vrouw is de volledige draagkracht gebruikt voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2], omdat zij niet bijdraagt in de kosten van [minderjarige 3]. Bij de man is tweederde van zijn draagkracht in aanmerking genomen, omdat hij ook al de kosten draagt voor [minderjarige 3]. Daarmee wordt recht gedaan aan de situatie dat de man een structurele financiële bijdrage levert voor alle drie de kinderen en worden de verschillen rechtgetrokken. Ten aanzien van de overige kosten die partijen hebben aangevoerd ziet het Gerecht geen aanleiding om hiervoor af te wijken van het normbedrag voor de behoefte die in het berekeningsmodel van de Voogdijraad op Bonaire wordt gehanteerd.

3.6.

Naar het oordeel van het gerecht is het bedrag van USD 292,00 per maand aldus in overeenstemming met de wettelijke maatstaven voor het bepalen van kinderalimentatie op Bonaire. Het Gerecht zal de kinderalimentatie daarom dienovereenkomstig vaststellen. De datum waarop de door het Gerecht vast te stellen kinderalimentatie ingaat zal worden bepaald op de eerste van de maand volgend na de datum van deze beschikking, dus op 1 september 2026.

3.7.

De man moet de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in de daaropvolgende maand worden gemaakt en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

Beslissing

4
De beslissing

Het Gerecht:

4.1.

bepaalt de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [minderjarige 1],

geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats], en [minderjarige 2],

geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats], met ingang van 1 september 2026 op totaal USD 292,00 per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

4.2.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

4.3.

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. H.L. Wattel, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026 in tegenwoordigheid van de griffier.