Overwegingen
BEWIJSOVERWEGINGEN FEIT 1
Uit het dossier en wat op de zitting is besproken, komt het volgende naar voren.
De situatie ter plaatse en het schieten
De verdachte woont samen met (o.a.) zijn neef, die ook verdachte is binnen hetzelfde onderzoek, aan de [adres verdachte]. De woning van het slachtoffer bevindt zich aan de [adres slachtoffer], een kleine zijstraat van de [straatnaam] ten noorden van de woning van verdachten. De woning van verdachten en de woning van het slachtoffer liggen dicht bij elkaar.
Op 12 september 2025 om 20:43 uur rijdt het slachtoffer samen met zijn partner, mevrouw [benadeelde partij 1], naar huis en passeert daarbij de woning van verdachte en zijn neef. Na aankomst bij zijn woning gaat het slachtoffer zijn auto parkeren. De partner van het slachtoffer stapt alvast uit de auto, en begint naar de woning te lopen.
Dan worden kort na elkaar vier schoten gelost door een man met een sportief postuur, geheel gekleed in bedekkende kleding en met een capuchon over zijn hoofd. Het slachtoffer wordt twee keer geraakt, beide keren van achteren, waarbij de kogels beide keren door het lichaam heen gaan. Als de partner zich omdraait en schreeuwt schiet de man – één keer – in haar richting. De kogel raakt haar niet. De schutter rent na het schieten weg in zuidelijke richting, in de richting van de woning van verdachten. Het slachtoffer wordt omstreeks 21:00 uur naar het ziekenhuis overgebracht waar hij kort daarna wordt doodverklaard.
Op de camerabeelden van de woning van de verdachten is te zien dat de verdachte en zijn neef zich die avond in en rondom hun huis bevinden. De neef staat verschillende momenten (bijvoorbeeld tussen 19:00 uur en 19.30 uur) op zijn oprit, vlak bij de weg. Het lijkt er daarbij op dat hij de weg in de gaten houdt. De verdachte is ondertussen veel op het balkon zichtbaar. Vanaf het balkon is de weg goed te zien, slingerend over de berg. De verdachte en de neef zijn beiden gekleed in een korte broek en T-shirt.
Om 20:26 rijdt het slachtoffer langs, in zuidelijke richting (weg van zijn huis). De verdachte en zijn neef zijn dan beiden op het balkon. Op het moment dat de auto van het slachtoffer langs rijdt staat de neef op en loopt zijn huis in. De verdachte blijft op het balkon. Even later, om 20:37 uur, verschijnt een persoon in beeld gekleed in een lange broek, een shirt met lange mouwen, een capuchon en handschoenen. Het postuur van deze persoon lijkt op dat van de neef. Deze bedekte persoon is te zien op de oprit, bij de tent, en even later op het dak onder het balkon. Op het balkon is nog steeds de verdachte. Uit de houding en positie waarin ze staan is op te maken dat de verdachte en de bedekte persoon contact met elkaar hebben (met elkaar spreken).
Dan zijn om 20:42 uur koplampen te zien, komend uit zuidelijke richting. De bedekte persoon rent het dak weer af. Om 20:43 is te zien dat de koplampen horen bij de auto van het slachtoffer, die nu langs de woning van verdachten rijdt. Op de beelden van de oprit is op datzelfde moment te zien dat een bedekt persoon de weg op rent, in dezelfde richting als de auto. Nauwelijks twee minuten later, omstreeks 20:45 uur, is te zien dat een bedekt persoon over de weg de andere kant op rent, komend uit noordelijke richting en gaand in zuidelijke richting. Deze figuur rent langs de woning van verdachten. De verdachte komt weer in beeld, op de weg onder zijn woning. De bedekte persoon en de verdachte kruisen elkaar op korte afstand, waarna de bedekte persoon uit beeld verdwijnt. De verdachte loopt naar het bushokje aan de overzijde van de weg en verdwijnt achter dit bushokje. Pas ongeveer negen minuten later komt hij weer in beeld, vanaf het bushokje teruglopend in de richting van zijn woning. Vrij kort daarna is te zien dat de politie met zwaailichten langsrijdt.
Aanhouding en doorzoekingen
Niet veel later begeven verbalisanten zich naar de woning van de verdachten, waar zowel de verdachte als zijn neef worden aangehouden. Tijdens deze aanhouding zijn de verbalisanten ook op zoek naar de harddrive van de camerabeelden. Zij nemen uiteindelijk een Network Video Recorder (NVR) in beslag. Later blijkt dat hier niet de beelden van de camera’s rondom de woning op staan.
Gedurende het onderzoek zijn meerdere (huis)zoekingen verricht in en rondom de woning van verdachten. In de woning zijn drie walkietalkies en een doos met zwarte latexhandschoenen gevonden. Op 21 september 2025 is in het buitengebied achter de woning van verdachten een rugtas aangetroffen, met daarin een zwarte hoodie met witte letters op de rug en een zwarte joggingbroek. De rugtas lag naast een pad dat blijkt uit te komen in de achtertuin van de verdachten. In de zak van de joggingbroek zat een paar zwarte latexhandschoenen. Op het erf van verdachten, achter de schuur, werd een ander paar zwarte latexhandschoenen aangetroffen.
Op 30 september 2025 is na een doorzoeking in het buitengebied nabij de woning van verdachten, in de bosschages en gewikkeld in een blauwe handdoek een harddiskrecorder aangetroffen. Op de in de handdoek gewikkelde harddiskrecorder staan de videobeelden van rondom de woning opgeslagen.
Het wapen is niet gevonden.
Van de verdachte en zijn neef is kort na de aanhouding een schiethandenset afgenomen. Het NFI heeft op de handen van zowel de verdachte als van zijn neef schotresten aangetroffen.
Op de mouwen van de zwarte hoodie die in de rugzak zat, zijn schotresten aangetroffen. Hetzelfde geldt voor de joggingbroek en de zwarte latexhandschoenen die in de joggingbroek zaten. Ook op het andere paar zwarte latexhandschoenen (gevonden bij de schuur) worden schotresten aangetroffen.
Op de zwarte hoodie is DNA gevonden dat overeenkomt met het DNA-profiel van de neef. De neef heeft op de zitting verklaard dat de hoodie van hem is.
Oordeel van het Gerecht over feit 1 (medeplegen van moord)
Op Saba zijn vanaf het eerste moment de namen van verdachte en zijn neef genoemd, als verantwoordelijken voor de dood van [slachtoffer]. De aanleiding zou zijn gelegen in een al langer bestaande vete tussen de verdachte en zijn neef enerzijds, en de groep rondom [slachtoffer] anderzijds.
Volgens de officier van justitie volgt uit het dossier duidelijk dat de verdachte en zijn neef samen de moord op [slachtoffer] hebben gepland en uitgevoerd. Zij zouden op 12 september 2025 vanaf hun woning de auto van het slachtoffer in de gaten hebben gehouden. Toen die langsreed is de neef zich gaan omkleden en naar buiten gekomen als ‘de bedekte persoon’. Toen het slachtoffer opnieuw langsreed is de neef achter de auto van het slachtoffer aan gerend tot waar hij ging parkeren, en heeft daar het slachtoffer doodgeschoten. Ook heeft hij geschoten in de richting van de partner. Daarna is hij terug gerend. Op straat, onder hun woning, ontmoette hij de verdachte, die het wapen van hem heeft overgenomen en weggemaakt. De neef heeft zich ondertussen omgekleed.
De verdachte en zijn neef hebben steeds gezegd dat zij niets met de schietpartij te maken hebben. Zij waren thuis en hebben het erf niet verlaten die avond. Hun hele vervolging is gebaseerd op roddels en verdachtmakingen. De verdachte heeft wel verklaard dat hij inderdaad even op straat was en daar ook een in het zwart geklede figuur zag langsrennen. Hij is zich toen achter het bushokje gaan verschuilen. Volgens de verdachte was zijn neef op dat moment in de keuken, door het raam zichtbaar vanaf het bushokje. Van de gevonden kleding en schotresten weten zij niets. De walkietalkies worden gebruikt om te hiken.
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit. Zij heeft betoogd dat niet is komen vast te staan dat de bedekte persoon die op de camerabeelden te zien is, de schutter is. Ook staat niet vast dat de neef deze persoon is. Er is geen herkenning, maar enkel sprake van veronderstellingen. De schotresten kunnen worden verklaard door secundaire overdracht. Verder heeft zij betoogd dat, als betrokkenheid van de verdachte al kan worden vastgesteld, geen sprake is geweest van medeplegen dan wel medeplichtigheid.
De vragen die het Gerecht achtereenvolgens moet beantwoorden zijn de volgende:
Is de in bedekkende kleding geklede persoon die op de camerabeelden van de woning van verdachten te zien is, de schutter?
Is de neef deze bedekte persoon?
Wat is de rol van de verdachte, en is sprake van medeplegen?
Is sprake van voorbedachte raad?
Is de in bedekkende kleding geklede persoon de schutter?
De schutter is omschreven als een in het donker geklede man met een sportief postuur en bedekt hoofd, die over straat aan kwam rennen. Het slachtoffer reed langs de woning van verdachten naar zijn eigen woning om 20:43 uur. Op datzelfde moment is op de camera te zien dat uit de schaduw bij de oprit van verdachten een bedekte figuur stapt, die in dezelfde richting rent als waarin de auto is gegaan. Twee minuten later, om 20:45 uur, rent eenzelfde bedekte figuur in tegengestelde richting, komend vanuit de richting van de woning van het slachtoffer. Behalve de verdachte zijn op dat moment geen andere personen op de weg te zien.
Gelet op de korte afstand tussen de woning van verdachten en de woning van het slachtoffer, de in de rugtas gevonden donkere bedekkende kleding en de schotresten die op de mouwen van de hoodie zijn gevonden, oordeelt het Gerecht dat de bedekte persoon die op de camerabeelden van de neef is te zien, de schutter is geweest.
Is verdachte deze bedekte persoon?
Op basis van het hiervoor beschreven feitelijke verloop van de avond stelt het Gerecht vast dat ook geen andere conclusie kan worden getrokken dan dat de neef de bedekte persoon is die op de videobeelden rondom het huis is te zien. Het Gerecht vindt de in dit verband door de neef gegeven verklaring dat er een onbekend persoon over zijn terrein liep ongeloofwaardig en gaat daaraan voorbij.
Daarbij neemt het Gerecht het volgende in aanmerking.
Het is opvallend dat gedurende de gehele dag en avond de neef op de beelden rondom zijn huis te zien is, behalve op de momenten waarop de bedekte persoon in beeld is. Tussen 20:27 uur en 20:46 uur is de bedekte persoon op verschillende camera’s te zien. Ook de verdachte is dan in beeld – eerst op het balkon en later op straat bij de bushalte. De neef is in deze bijna 20 minuten echter op geen enkel moment in beeld. Hij verschijnt pas weer in beeld om 20:53 uur, na het schietincident en 7 minuten nadat de bedekte persoon voor het laatst in beeld was. Daarbij vertonen de bewegingen en gedragingen van de bedekte persoon, zoals die op de videobeelden zijn vastgelegd, sterke overeenkomsten met de gedragingen van de neef die avond. De neef staat meerdere keren voor de tent op de oprit en observeert de straat. De neef heeft ook contact met de verdachte op het balkon. De bedekte persoon vertoont vervolgens soortgelijke gedragingen: deze persoon observeert ook de straat en staat op dezelfde plek op de oprit naast de tent. De bedekte persoon heeft ook contact met de neef. Voorts komt het postuur van de bedekte persoon overeen met het postuur van de neef.
Dit alles wijst er al sterk op dat de neef de bedekte persoon is. Maar er is meer.
De in de rugtas gevonden kleding moet van de schutter zijn geweest. De kleding komt overeen met die van de schutter: een lange donkere broek, een donkere trui met capuchon en donkere handschoenen. En zowel op de mouwen van de hoodie, als op de broek als ook op de handschoenen zijn schotresten aangetroffen. De rugtas en de kleding zijn aan de neef te koppelen. De rugtas lag verstopt in de bosschages achter de woning van verdachten. De neef heeft zelf verklaard dat de daarin gevonden hoodie van hem is. En de neef had een doos met soortgelijke handschoenen als in de zak van de broek zaten, in zijn keuken liggen.
De raadsvrouw heeft nog aangevoerd dat de witte letters op de achterzijde van de aangetroffen hoodie niet zichtbaar zijn op de videobeelden en dat het daarom niet de trui kan zijn geweest die werd gedragen door de bedekte persoon. Het Gerecht gaat er echter vanuit dat het ontbreken van de witte letters op de beelden kan worden verklaard door de eigenschappen van een infraroodcamera, die geen of nauwelijks kleurverschillen registreert. Dat de witte letters niet te zien zijn is daarmee niet relevant.
Op de handen van de neef zijn schotresten aangetroffen.
Gelet op dit alles kan naar het oordeel van het Gerecht geen andere conclusie worden getrokken dan dat de neef van verdachte degene is geweest die op de slachtoffers heeft geschoten.
De verdachte en zijn neef hebben samen gedurende enige uren de weg geobserveerd en het Gerecht gaat er daarbij vanuit dat zij tijdens het observeren contact met elkaar onderhielden via walkietalkies. Zoals hiervoor beschreven is het de neef geweest die de trekker die avond heeft overgehaald. Maar op basis van het schiethandenonderzoek stelt het Gerecht vast dat ook de verdachte het wapen in handen moet hebben gehad die avond. Het Gerecht gaat ervan uit dat de verdachte het wapen van de neef heeft overgenomen vlak na het schieten. De verdachte is vervolgens achter het bushokje verdwenen en heeft het wapen ergens in het gebied achter het bushokje weggemaakt. Daarmee is de rol van de verdachte groter geweest dan enkel het bevorderen of vergemakkelijken van de door de neef begane moord.
Gelet op het voorgaande vindt het Gerecht dat van een nauwe en bewuste samenwerking kan worden gesproken, en dat zowel de neef als de verdachte een substantiële bijdrage hebben geleverd aan het delict.
Is sprake van voorbedachten raad?
Uit de hiervoor beschreven feiten en omstandigheden blijkt van een vooropgezet plan van de verdachte en zijn neef om het slachtoffer van het leven te beroven. Het hele observeren, de walkietalkies, het omkleden in donkere kleding: het kan niet anders dan dat dit door verdachte en zijn neef zorgvuldig is voorbereid. Daarmee is sprake van moord.
De conclusie van hetgeen hiervoor is overwogen is dat de verdachte en zijn neef zich in de avond van 12 september 2025 schuldig hebben gemaakt aan het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van moord op [slachtoffer].
OPLEGGING VAN STRAF
Bij de bepaling van de op te leggen straf heeft het Gerecht gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij heeft het Gerecht in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer]. De neef van verdachte heeft [slachtoffer] op straat, vlak voor zijn eigen woning vermoord door hem op een laffe manier van achteren te naderen en dood te schieten. Bij het uitvoeren van deze moord zijn de verdachte en zijn neef op planmatige en doordachte wijze te werk gegaan. Zij hebben de moord voorbereid en na afloop geprobeerd ontdekking te voorkomen. Hiermee hebben de verdachte en zijn neef het meest fundamentele recht waarover de mens beschikt, het recht op leven, van het slachtoffer ontnomen. Door zijn handelen heeft de verdachte blijk gegeven van een totaal gebrek aan respect voor het leven van een medemens en onherstelbaar leed en verdriet toegebracht aan de familie, partner en kinderen van het slachtoffer. Daarvan is ook gebleken uit de slachtofferverklaringen van de zus en partner van het slachtoffer.
Saba is een klein eiland, met een hechte en kleine gemeenschap. Het behoeft geen betoog dat door dergelijke misdrijven de samenleving op Saba ernstig is geschokt. In een gemeenschap waar inwoners elkaar veelal persoonlijk kennen en nauw met elkaar verbonden zijn, hebben dergelijke gebeurtenissen een diepgaande impact.
De impact van deze moord op de gemeenschap van Saba, en ook op Bonaire, is duidelijk. Dat bleek al meteen op 12 september 2025, toen de familie zich verzamelde en de verdachten in veiligheid moesten worden gebracht. Het bleek ook later, uit de reacties in de media, en ook uit de grote belangstelling die er is voor de behandeling door het Gerecht van deze zaak. Dat is iets om – in strafverzwarende zin – mee te wegen.
Het Gerecht heeft gekeken naar straffen die in vergelijkbare gevallen worden opgelegd, en naar de oriëntatiepunten straftoemeting. Daarin wordt voor het (mede)plegen van een moord als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren gegeven. Strafverhogende omstandigheden zijn onder andere een grote mate van planning en een ernstig geschokte samenleving. Zoals gezegd zijn beide omstandigheden hier aan de orde.
Er zijn geen persoonlijke omstandigheden die zouden moeten leiden tot een lagere straf.
Alles bij elkaar vindt het Gerecht een gevangenisstraf voor de duur van 21 jaren passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
DE VORDERINGEN TOT SCHADEVERGOEDING
De volgende personen hebben zich als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding:
Mevrouw [benadeelde partij 2], namens de familie, tot een bedrag van USD 27.933,00.
Mevrouw [benadeelde partij 1], tot een bedrag van USD 27.933,00.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zowel ten aanzien van mevrouw [benadeelde partij 2] als van mevrouw [benadeelde partij 1] gevorderd dat zij niet-ontvankelijk worden verklaard in hun vorderingen tot schadevergoeding.
Met betrekking tot de vordering van mevrouw [benadeelde partij 2], betoogt de officier van justitie dat de grondslag van deze vordering, te weten affectieschade, geen wettelijke basis kent in het rechtssysteem op de BES. Met betrekking tot de vordering van mevrouw [benadeelde partij 1] stelt de officier van justitie dat de door haar gestelde immateriële schade onvoldoende is onderbouwd.
Standpunt van de verdediging
De raadsvrouw heeft zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partijen primair op het standpunt gesteld dat deze niet-ontvankelijk verklaard moeten worden, dan wel afgewezen, in verband met de bepleite vrijspraak. Subsidiair sluit de raadsvrouw zich aan bij hetgeen de officier van justitie naar voren heeft gebracht.
Ad 1. Vordering tot immateriële schadevergoeding namens de familie [familienaam]
Op de zitting heeft de advocaat van de familie van [slachtoffer] de vordering tot schadevergoeding toegelicht, en aangevoerd dat de nabestaanden van het slachtoffer door het verlies immateriële schade hebben geleden.
Voor het Gerecht staat buiten twijfel dat de moord op het slachtoffer de nabestaanden veel leed heeft berokkend. Het gewelddadige overlijden van een familielid brengt een diep verdriet en een groot gemis met zich mee. De vordering van de familie van het slachtoffer stuit echter op twee formeel strafrechtelijke bezwaren. Ten eerste is de vordering namens de familie als geheel ingediend. De wet biedt echter geen grondslag voor een dergelijke collectieve vordering.
Ten tweede ziet de vordering feitelijk op vergoeding van affectieschade. Affectieschade is kortgezegd immateriële schade die bestaat uit het verdriet dat wordt veroorzaakt door het overlijden van een naaste als gevolg van een gebeurtenis waarvoor iemand anders aansprakelijk is. Juist in verband met situaties als deze is in Europees Nederland de mogelijkheid ingevoerd om affectieschade te vorderen. Die mogelijkheid bestaat op de BES echter (nog) niet. Waarom deze ongelijkheid tussen Europees Nederland en Caribisch Nederland bestaat, is het Gerecht niet duidelijk, en is in de ogen van het gerecht ook onwenselijk. Het Gerecht is bekend met de omstandigheid dat de wetgever bezig is ook op de BES toekenning van affectieschade mogelijk te maken, en het Gerecht hoopt dat de wetgever hiermee haast maakt. Maar het gaat de rechtsvormende taak van het Gerecht te buiten om in deze zaak, zonder wettelijke basis, affectieschade toe te kennen. Hoe zuur dit voor de nabestaanden ook is.
Het Gerecht zal daarom de familie niet-ontvankelijk verklaren in de vordering tot schadevergoeding. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Ad 2. Vordering tot immateriële schadevergoeding van mevrouw [benadeelde partij 1]
Op de zitting heeft de advocaat namens mevrouw [benadeelde partij 1] het woord gevoerd. Zij heeft de vordering tot vergoeding van immateriële schade toegelicht en aangevoerd dat deze uit twee schadeposten bestaat. Enerzijds ziet de vordering op de immateriële schade die mevrouw [benadeelde partij 1] heeft geleden doordat zij zelf slachtoffer is en op haar is geschoten. Anderzijds ziet de vordering op het verlies van haar partner. Mevrouw [benadeelde partij 1] heeft door het gebeuren een posttraumatisch stresssyndroom (PTSS) ontwikkeld.
Voor het deel van de vordering dat ziet op de schade die mevrouw [benadeelde partij 1] heeft geleden als gevolg van de dood van haar partner, overweegt het Gerecht als volgt. Hoewel mevrouw [benadeelde partij 1] aanwezig is geweest bij de moord op haar partner is niet gesteld (en zonder nadere onderbouwing ook niet gebleken) dat zij schade heeft geleden in de vorm van shockschade.
Voor het toekennen van affectieschade is op de BES wettelijk geen ruimte, zoals hiervoor is overwogen.
Voor zover de vordering ziet op de schade die mevrouw [benadeelde partij 1] heeft geleden als direct slachtoffer van het onder feit 2 ten laste gelegde, overweegt het Gerecht als volgt. Nu het Gerecht de verdachte vrijspreekt van het ten laste gelegde handelen waardoor de gestelde schade zou zijn veroorzaakt, kan mevrouw [benadeelde partij 1] ook niet voor dit deel van haar vordering worden ontvangen.
Het Gerecht zal daarom mevrouw [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering tot schadevergoeding. De vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
TOEPASSELIJKE WETTELIJKE VOORSCHRIFTEN
De op te leggen straf is, behalve op het reeds aangehaalde wettelijke voorschrift, gegrond op de artikelen 31 en 49 van het Wetboek van Strafrecht BES zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte onder 2 en 3 ten laste is gelegd en spreekt hem daarvan vrij;
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 21 (éénentwintig) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
verklaart de benadeelde partijen mevrouw [benadeelde partij 2] en mevrouw [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in hun vordering en bepaalt dat zij hun de vorderingen slechts bij de burgerlijke rechter kunnen aanbrengen;
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door mr. J.J. Scholte ter Horst, zittingsgriffier, en op 25 juni 2026 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht op Bonaire.