Uitspraak van 28 mei 2026
BBZ nr. CUR202503752
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:
[Belanghebbende]
, gevestigd te Curaçao,
belanghebbende,
DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.
Procesverloop
1.1
Aan belanghebbende is op 15 februari 2024 een naheffingsaanslag winstbelasting (WB) over het jaar 2022 opgelegd van NAf 6.000. Gelijktijdig met de naheffingsaanslag is een verzuimboete opgelegd van NAf 1.000.
1.2
Belanghebbende heeft daartegen op 4 oktober 2024 bezwaar gemaakt.
1.3
De Inspecteur heeft met dagtekening 21 juli 2025 uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens termijnoverschrijding. Ook ambtshalve heeft de Inspecteur geen aanleiding gezien de naheffingsaanslag en verzuimboete te verminderen.
1.4
Belanghebbende heeft op 11 september 2025 pro forma beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Inspecteur. Belanghebbende heeft daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.
1.5
Belanghebbende heeft haar beroep op 12 november 2025 gemotiveerd.
1.6
De Inspecteur heeft op 20 april 2026 per mail contact opgenomen met de gemachtigde van belanghebbende. De Inspecteur heeft op 21 april 2026 een verweerschrift ingediend.
1.7
De Inspecteur heeft op 22 april 2026 een aanvulling op het verweerschrift ingediend.
1.8
Belanghebbende heeft op 30 april 2026 een pleitnota ingediend.
1.9
Belanghebbende heeft op 6 mei 2026 een nader stuk overgelegd.
1.10
De Inspecteur heeft op 7 mei 2026 een pleitnota ingediend.
1.11
De zitting heeft plaatsgevonden op 7 mei 2026 te Willemstad. Namens belanghebbende zijn verschenen [A] en [B], verbonden aan [X] verschenen. Namens de Inspecteur is verschenen mr. [C].
2.1
Belanghebbende is op 17 juli 1974 opgericht. Belanghebbende was tot en met het jaar 2019 een offshore vennootschap voor winstbelastingdoeleinden. Volgens de over de jaren tot en met 2019 ingediende aangiften WB bestonden de inkomsten van belanghebbende met name uit royalties en interest. Belanghebbende is vanaf het jaar 2020 een onshore vennootschap geworden.
2.2
Omdat belanghebbende geen aangifte heeft gedaan zijn aan haar over het onderhavige jaar, alsmede over de jaren 2020 en 2021, (taxatieve) naheffingsaanslagen en verzuimboetes opgelegd.
2.3
Belanghebbende heeft (nadat de naheffingsaanslagen zijn opgelegd) op 10 november 2025 (2022) en 11 november 2025 (2020 en 2021) alsnog aangiften WB 2020, 2021 en 2022 ingediend.
Overwegingen
Ontvankelijkheid bezwaar
4.1
In artikel 29, lid 1, Algemene landsverordening Landsbelastingen (ALL) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.
4.3
Het onderhavige aanslagbiljet WB 2022 heeft als dagtekening 15 februari 2024. Het bezwaarschrift is op 4 oktober 2024 ingediend. Dit bezwaarschrift is dus buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend.
4.4
Belanghebbende heeft zich op het standpunt gesteld dat zij het aanslagbiljet niet heeft ontvangen en dat om die reden het bezwaar ontvankelijk is. De Inspecteur is van mening dat belanghebbende het aanslagbiljet wel heeft ontvangen, dat het bezwaar te laat is ingediend en dat het daarom in de uitspraak op bezwaar terecht niet ontvankelijk is verklaard.
4.5
Het Gerecht stelt voorop dat het in beginsel aan de Inspecteur is om aannemelijk te maken dat het aanslagbiljet door belanghebbende is ontvangen, dan wel dat dit belanghebbende op andere wijze heeft bereikt. Indien echter sprake is van een door belanghebbende evident ongeloofwaardige ontkenning van de ontvangst van een besluit, wordt de ontvangst daarvan genoegzaam aannemelijk geacht zonder bewijs van de verzending van dat besluit (vgl. Centrale Raad van Beroep 19 februari 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BL4548 en Gerechtshof Amsterdam 21 februari 2023, ECLI:NL:GHAMS:2023:582).
4.6
De ontkenning door belanghebbende van de ontvangst van het aanslagbiljet acht het Gerecht evident ongeloofwaardig. Het Gerecht onderbouwt dit als volgt. De Inspecteur heeft belanghebbende er verschillende malen, onder andere in de uitspraak op bezwaar, in het emailbericht van 20 april 2026 en in het verweerschrift, op gewezen dat het bezwaarschrift te laat is ingediend en daarom niet ontvankelijk is. Echter, noch in het bezwaarschrift, noch in de (nadere motivering) van het beroep, noch in andere stukken is daarover door de gemachtigde iets gezegd. Pas voor het eerst ter zitting is door de gemachtigde van belanghebbende, daartoe gevraagd door het Gerecht, verklaard dat het aanslagbiljet niet door belanghebbende is ontvangen. De hiervoor geschetste gang van zaken vormt naar het oordeel van het Gerecht een gegronde reden voor twijfel aan de juistheid van het standpunt van belanghebbende dat zij het aanslagbiljet nooit heeft ontvangen.
4.7
Belanghebbende heeft in haar pleitnota gesteld dat zij naar aanleiding van een door haar ontvangen aanmaning bezwaar heeft gemaakt (en, zo begrijpt het Gerecht, dus niet naar aanleiding van de naheffingsaanslag). Dat acht het Gerecht niet geloofwaardig nu de Inspecteur onbetwist heeft gesteld dat de aanmaning dateert van april 2024, dus van een half jaar voordat het bezwaar werd ingediend. Wel kan daaruit afgeleid worden dat belanghebbende al geruime tijd voordat het bezwaar werd ingediend op de hoogte was van de naheffingsaanslag. Dat blijkt overigens ook uit een door belanghebbende zelf overgelegde uitstelbeschikking van de Ontvanger van 9 juli 2024 waarop onder meer de onderhavige naheffingsaanslag wordt vermeld. Kennelijk heeft belanghebbende vóór 9 juli 2024 verzocht om uitstel van de betaling van de naheffingsaanslag.
4.8
Het Gerecht acht op grond van de hiervoor vermelde feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang bezien, aannemelijk dat belanghebbende in ieder geval geruime tijd vóór 9 juli 2024 op de hoogte was van de naheffingsaanslag en die toen ook onder ogen heeft gehad. Gelet hierop is het Gerecht van oordeel dat het bezwaarschrift van 4 oktober 2024 niet tijdig is ingediend.
4.9
Feiten of omstandigheden die kunnen leiden tot verschoonbaarheid van de termijnoverschrijding zijn gesteld noch gebleken. Dat betekent dat de Inspecteur het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het Gerecht komt in dat geval niet toe aan een inhoudelijke boordeling. Het beroep is ongegrond.
Het Gerecht:
- verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gegeven door mr. drs. M.M. de Werd, rechter, en uitgesproken op 28 mei 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.
Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.
HOGER BEROEP
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:
Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)
Emancipatie Boulevard Dominico “Don” Martina 18
Willemstad
Curaçao
U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).
Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie:
belastinggriffie@caribjustitia.org.
Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: Cg 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: Cg 500