Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, eerste aanleg - enkelvoudig belastingrecht

ECLI:NL:OGEAC:2026:86

Op 3 July 2026 heeft de Gerecht in eerste aanleg van Curaçao een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van belastingrecht, wat onderdeel is van het bestuursrecht. Het zaaknummer is CUR202500627 tot en met CUR202500629, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAC:2026:86.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
CUR202500627 tot en met CUR202500629
Datum uitspraak:
3 July 2026
Datum publicatie:
6 July 2026

Indicatie

Het Gerecht oordeelt bij tussenuitspraak dat aan de fusie geen terugwerkende kracht wordt verleend. De akte van fusie is verleden op 30 december 2019. Dit betekent dat belanghebbenden (vrijwel) het gehele jaar zelfstandig belastingplichtig zijn en aangifte winstbelasting voor het jaar 2019 hadden moeten doen. Het Gerecht stelt belanghebbende in de gelegenheid om binnen zes weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak de gronden van hun beroep aan te vullen. Het Gerecht houdt iedere versie beslissen aan tot de (eind)uitspraak.

Uitspraak

Tussenuitspraak van 3 juli 2026

BBZ nrs. CUR202500627 tot en met CUR202500629 (tussenuitspraak)

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

TUSSENUITSPRAAK

op het beroep in de zin van de

Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:

[Belanghebbende 1], [belanghebbende 2] EN [belanghebbende 3], gevestigd te Curaçao,

Belanghebbende(n), hierna ook: belanghebbende [belanghebbende 1], belanghebbende [belanghebbende 2] en belanghebbende [Belanghebbende 3],

gericht tegen:

DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,

de Inspecteur.

Procesverloop

1
PROCESVERLOOP
1.1

Aan belanghebbende [belanghebbende 1] is op 30 juni 2021 een naheffingsaanslag winstbelasting voor het jaar 2019 opgelegd naar een te betalen bedrag van NAf 282.000 (hierna: de naheffingsaanslag [belanghebbende 1]). Daarbij is tevens een verzuimboete opgelegd van NAf 2.500.

1.2

Aan belanghebbende [belanghebbende 2] is op 30 juni 2021 een naheffingsaanslag winstbelasting voor het jaar 2019 opgelegd naar een te betalen bedrag van NAf 180.000 (hierna: de naheffingsaanslag [belanghebbende 2). Daarbij is tevens een verzuimboete opgelegd van NAf 5.000.

1.3

Aan belanghebbende [belanghebbende 3] is op 30 juni 2021 een naheffingsaanslag winstbelasting voor het jaar 2019 opgelegd naar een te betalen bedrag van NAf 18.000 (hierna: de naheffingsaanslag [belanghebbende 3]). Daarbij is tevens een verzuimboete opgelegd van NAf 2.700.

1.4

Belanghebbenden [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] hebben op 27 augustus 2021 en belanghebbende [belanghebbende 3] heeft op 20 augustus 2021 tegen de aan hen opgelegde naheffingsaanslag en verzuimboete (pro forma) bezwaar gemaakt.

1.5

Belanghebbenden hebben allen op 18 maart 2022 hun bezwaar gemotiveerd.

1.6

Belanghebbende [belanghebbende 1] heeft op 9 mei 2023 en belanghebbende [belanghebbende 2] en [belanghebbende 3] hebben op 22 mei 2023 beroep ingesteld tegen het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Belanghebbenden hebben allen afzonderlijk daarvoor een bedrag aan griffierecht betaald van NAf 150.

1.7

De zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2024 te Willemstad alwaar de zaken van belanghebbenden gelijktijdig, maar niet gevoegd, zijn behandeld samen met de zaken die bij het Gerecht bekend zijn onder de zaaknummers [zaaknummer 1] en [zaaknummer 2]. Belanghebbenden zijn toen vertegenwoordigd door [A], destijds verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur zijn toen verschenen [B] LL.M en [C].

1.8

Het Gerecht heeft bij uitspraak van 24 april 2024 de beroepen tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar van belanghebbenden gegrond verklaard, de Inspecteur opgedragen om uiterlijk 1 oktober 2024 alsnog uitspraak op bezwaar te doen tegen de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen en verzuimboetes, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbenden en de Inspecteur gelast de door belanghebbenden betaalde griffierechten te vergoeden.

1.9

Op 19 februari 2025 hebben belanghebbenden wederom beroep wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar door de Inspecteur ingesteld, omdat de Inspecteur op uiterlijk 1 oktober 2024, zoals aan hem opgedragen door het Gerecht, geen uitspraak op bewaar heeft gedaan.

1.10

Eerst op 27 oktober 2025, vier dagen voor de zitting, heeft de Inspecteur ‘uitspraak op bezwaar’ gedaan op het bezwaar van belanghebbenden in de vorm van schermprints. Daarbij wordt het bezwaar van belanghebbenden afgewezen en worden de aanslagen en boetebeschikkingen gehandhaafd.

1.11

De zitting tegen het onder 1.9 vermelde beroep heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2025 te Willemstad alwaar de zaken van belanghebbenden gelijktijdig, maar niet gevoegd zijn behandeld. Belanghebbenden zijn toen vertegenwoordigd door [D] LL.M en mr. [E] verbonden aan [X]. Namens de Inspecteur is toen verschenen [B] LL.M.

1.12

Voorafgaande aan de zitting hebben belanghebbenden een pleitnotitie overgelegd aan het Gerecht en de wederpartij.

2
FEITEN
2.1

Op 29 oktober 2019 heeft Curaçao [Y] (hierna: [Y]), statutair gevestigd te Willemstad en handelend als het bestuur van de volgende vennootschappen:

- [ Z], de verkrijgende vennootschap;

- [ XX], de verdwijnende vennootschap 1;

- [ belanghebbende 1], de verdwijnende vennootschap 2;

- [ belanghebbende 2]; de verdwijnende vennootschap 3;

- [ XY]; de verdwijnende vennootschap 4;

- [ XZ]; de verdwijnende vennootschap 5;

- [ belanghebbende 3]; de verdwijnende vennootschap 6; en

- [ YX]; de verdwijnende vennootschap 7,

het voorstel tot juridische fusie gedaan.

Het voorstel is getekend door [F] bestuurder van [Y] en door [G], bestuurder van zowel de verkrijgende vennootschap als van alle verdwijnende vennootschappen.

Op 1 november 2019 is het voorstel tot juridische fusie tezamen met de in artikel 2:314, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek genoemde stukken ten kantore van het Handelsregister van de Kamer van Koophandel van Curaçao neergelegd en is die nederlegging aangekondigd in de Landscourant en in het Antilliaans Dagblad.

2.2

Het voorstel om te komen tot een fusie is door de besturen van de fuserende vennootschappen voorzien van een ‘Toelichting uit Economisch, Juridische en Sociaal Oogpunt. Onder ‘Juridische aspecten’ is, voor zover van belang het volgende vermeld:

De besturen van de Fuserende Vennootschappen hebben gekozen voor de Fusie zodat de activa en passiva van de Verdwijnende Vennootschappen onder algemene titel overgaan op de Verkrijgende Vennootschap.

(…)

De door de Fuserende Vennootschappen in de vorm van commanditaire vennootschappen gedreven ondernemingen zullen ten gevolge van de Fusie op grond van artikel 7:817, lid 1 van het Burgerlijk Wetboek worden ontbonden, waarbij conform artikel 7:831a van het Burgerlijk Wetboek vereffening achterwege kan blijven en de door deze openbare vennootschappen gedreven ondernemingen door de Verkrijgende Vennootschap zullen worden voortgezet, een en ander ter uitvoering van door de vennoten hieromtrent gesloten overeenkomsten.

2.3

De akte van de juridische fusie is verleden op 30 december 2019. Ter zake van de juridische fusie is vermeld:

JURIDISCHE FUSIE

De comparant handelend als gemeld, verklaarde over te gaan tot juridische fusie conform het onder B. genoemde voorstel tot juridische fusie en de toelichting daarop (“Fusie”) welke mitsdien van kracht wordt met ingang van de dag na heden en ten gevolge waarvan:

1. Het gehele vermogen van ieder van de Verdwijnende Vennootschappen onder algemene titel overgaat op de Verkrijgende Vennootschap;

2. De Verdwijnende Vennootschappen van rechtswege zullen ophouden te bestaan; en

3. De Verkrijgende Vennootschap geen aandelen toekent aan de enige aandeelhouder van de Fuserende Vennootschappen.

Vervolgens verklaarde de comparant, handelend als gemeld, dat de Verkrijgende Vennootschap de financiële gegevens van ieder van de Verdwijnende Vennootschappen met ingang van een januari tweeduizend negentien in haar jaarrekening zal verantwoorden.

2.4

Blijkens een organogram van de juridische structuur per 30 december 2019 kan worden afgeleid dat de aandelen van de verdwijnende vennootschappen allen werden gehouden door de verkrijgende vennootschap, [Z] Laatgenoemde vennootschap is een transparante vennootschap, waarvan alle aandelen worden gehouden door [Y], die op haar beurt eveneens transparant is. De aandelen van [Y] worden vervolgens gehouden door [YY] (58,75%), [YZ] (33,75%) en [ZX] (7,5%).

3
GESCHIL
3.1

Tussen partijen is de hoogte van de aan belanghebbenden opgelegde naheffingsaanslagen in geschil. Volgens belanghebbende kunnen aan de verdwijnende vennootschappen, waaronder belanghebbenden, voor het jaar 2019 geen naheffingsaanslagen worden opgelegd, omdat zij per 1 januari 2019 niet langer belastingplichtig zijn, althans zo begrijpt het Gerecht belanghebbenden. Als gevolg van de fusie zijn zij per 1 januari 2019 ‘verdwenen’, opgehouden te bestaan, en is er ten aanzien van belanghebbenden geen nieuw boekjaar meer aangevangen.

Naar het Gerecht veronderstelt zijn belanghebbenden voorts de mening toegedaan dat een verzuimboete wegens het niet tijdig doen van aangifte en/of betalen van de verschuldigde belasting niet op zijn plaats is, omdat er voor wat betreft het jaar 2019 geen aangifteplicht is en daarmee evenmin een betalingsverplichting.

3.2

De Inspecteur is van mening dat de bij de fusie verdwijnende vennootschappen, waaronder belanghebbenden, voor het jaar 2019 nog zelfstandig belastingplichtig zijn, omdat de juridische fusie pas op 30 december 2019 is verleden. Voor het jaar 2019 dient het belastbaar bedrag volgens de Inspecteur te worden geheven bij de verdwijnende vennootschappen en niet bij de verkrijgende vennootschap.

3.3.

Het geschil spitst zich in wezen toe op de vraag of aan de juridische fusie terugwerkende kracht kan worden verleend. Belanghebbende beantwoordt die vraag bevestigend, de Inspecteur ontkennend.

Overwegingen

4
OVERWEGINGEN
Beroep niet tijdig beslissen
4.1

Belanghebbenden hebben op 19 februari 2025 beroep ingesteld wegens het niet tijdig doen van uitspraak op bezwaar. Hangende onderhavige beroepsprocedure heeft de Inspecteur op 27 oktober 2025 alsnog uitspraken op bezwaar gedaan. Belanghebbende heeft derhalve geen belang meer bij dit beroep wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Dit beroep is mitsdien niet-ontvankelijk.

4.2

Het door belanghebbende ingestelde beroep van 19 augustus 2025 wordt ook geacht te zijn gericht tegen de (reële) uitspraken op bezwaar van 27 oktober 2025 (vgl. GHvJ, 28 juni 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:104). Ook deze uitspraken zijn dus onderwerp van onderhavige procedure.

Inhoudelijk

4.3

Belanghebbende heeft per schrijven van 3 september 2021 de Inspecteur het volgende bericht:

Namens [Z], [XX], [belanghebbende 1], [belanghebbende 2], [XY] [XZ], [belanghebbende 3] en [YX] (hierna: ‘de Vennootschappen) stellen wij op de hoogte dat de Vennootschappen op basis van artikel 14B van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 (hierna: ‘LWB’) per 1 januari 2019 een geruisloze fusie zijn aangegaan. De van belang zijnde feiten in deze zijn als volgt:

1. Feiten

? De vennootschappen zijn op gericht naar het recht van de voormalige Nederlandse Antillen.

? De vennootschappen zijn gevestigd in Curaçao.

? De Vennootschappen worden aangemerkt als regulier belaste vennootschappen in de zin van artikel 1, lid 1 sub a LWB.

? De Vennootschappen hebben geen recht op verrekening van verliezen zoals bedoeld in artikel 10 LWB.

2. Kennisgeving

In het kader van een herstructurering en bundeling van activiteiten zijn de Vennootschappen per 1 januari 2019 met toepassing van de fusiefaciliteit van artikel 14B LWB, geruisloos gefuseerd. Aan de voorwaarden genoemd in artikel 14 LWB, te weten:

? zowel de verkrijgende als verdwijnende rechtspersonen zijn in Curaçao gevestigd;

? per 1 januari 2019 is zowel bij de verkrijgende als verdwijnende rechtspersonen hetzelfde belastingregime, te weten het reguliere belastingregime, van toepassing;

? bij geen van de rechtspersonen aanspraak bestaat op verrekening van verliezen; en

? de fusie vindt plaats op grond van zakelijke overwegingen, te weten het bundelen van activiteiten en herstructurering van de groep;

wordt voldaan.

Eventuele winst behaald als gevolg van deze fusie blijft door toepassing van artikel 14B LWB buiten aanmerking.

4.4

Het standpunt van de Inspecteur is met name kenbaar uit de ‘uitspraak op bezwaar’, zijnde screenshots , zonder rechtsmiddelenverwijzing, alwaar met betrekking tot alle belanghebbenden het volgende is vermeld:

U hebt tijdig een bezwaarschrift ingediend en bent daarom ontvankelijk in uw bezwaar.

Op grond van art. 1 Landsverordening op de Winstbelasting (WB) is een lichaam verplicht aangifte winstbelasting te doen met de daarbij behorende bijlage, zoals vermeld in art. 19 WB.

De aankondiging van fusie in de Landscourant van Curaçao was op 1 november 2019. De akte van de Juridische Fusie is gepasseerd op 30 december 2019. Tot die tijd was het lichaam zelfstandig belastingplichtig voor de winstbelasting.

Tot op heden is niet voldaan aan de voorwaarden van art. 19 WB. Hierdoor ben ik genoodzaakt uw bezwaarschrift af te wijzen.

De aanslag blijft gehandhaafd.

Ten aanzien van de boetes vermelden de screenshots dat de boete gehandhaafd blijft wegens het niet of niet tijdig doen van aangifte/betaling.

4.5

Ingevolge artikel 311 (Voetnoot 1) van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: Boek 2 BW) houden met uitzondering van de verkrijgende rechtspersoon de fuserende rechtspersonen door het van kracht worden van de fusie op te bestaan. Krachtens artikel 318 van Boek 2 BW geschiedt de fusie bij notariële akte en wordt van kracht met ingang van de dag na die waarop de akte is verleden. Artikel 321, lid 1 van Boek 2 BW bepaalt dat op het tijdstip met ingang waarvan de verkrijgende rechtspersoon de financiële gegevens van een verdwijnende vennootschap zal verantwoorden in de eigen jaarrekening, het laatste boekjaar van die verdwijnende rechtspersoon als geëindigd moet worden beschouwd.

4.6

In de akte van fusie is invulling gegeven aan het bepaalde van artikel 321, lid 1 van Boek 2 BW. Zoals opgenomen in onderdeel 2.3 is in de akte van fusie bepaald dat de verkrijgende vennootschap met ingang van 1 januari 2019 de financiële gegevens van elk van de verdwijnende vennootschappen in haar jaarrekening zal verantwoorden.

4.7

Artikel 14B van de Landsverordening op de winstbelasting 1940 (hierna: LWB) bepaalt dat indien vermogen van een belastingplichtige onder algemene titel in het kader van een fusie overgaat (de verdwijnende rechtspersoon), de verdwijnende rechtspersoon geacht wordt zijn vermogensbestanddelen ten tijde van de fusie te hebben overgedragen aan de rechtspersoon waarop deze vermogensbestanddelen onder algemene titel overgaan (verkrijgende rechtspersoon) en ten tijde van de fusie zijn opgehouden uit onderneming in Curaçao belastbare winst te genieten.

Bij de invoering artikel 14B LWB is tijdens de parlementaire geschiedenis ter zake van fiscale gevolgen voor de bij een juridische fusie betrokken rechtspersonen het volgende opgemerkt:

De juridische fusie wordt voor de verdwijnende rechtspersoon fiscaal aangemerkt als een overdracht van vermogensbestanddelen die in het kader van de fusie op de verkrijgende rechtspersoon overgaan. Voorts wordt de verdwijnende rechtspersoon geacht zijn onderneming te hebben gestaakt. Hiermee is vastgelegd wat de gevolgen van een juridische fusie zijn, ongeacht of belastingplichtige gebruik wenst te maken of kan maken van de geruisloze doorschuiving. (…)

Statenstukken 2015-2016-093 nr. 3, blz. 8.

En:

Op grond van het eerste lid wordt bij een fusie de verdwijnende rechtspersoon geacht zijn vermogensbestanddelen te hebben overgedragen aan de verkrijgende rechtspersoon en te zijn opgehouden in Curaçao belastbare winst te genieten. Deze overdacht vindt plaats ten tijde van de fusie. Daardoor behoort de winst die als gevolg van de vervreemding wordt genoten en de daardoor ontstane belastingschuld nog tot het vermogen van de verdwijnende rechtspersoon. (…)

Statenstukken 2015-2016-093 nr. 3, blz. 91

4.8

Zowel uit het civiele recht, in het bijzonder uit artikel 318 van Boek 2 BW, als uit het bij het civiele recht aansluitende fiscale recht, blijkt dat de juridische fusie geschiedt bij notariële akte en een dag na het verlijden van de akte van kracht wordt. Als gevolg van de voltrekking van de juridische fusie houden de fuserende rechtspersonen, behoudens de verkrijgende rechtspersoon, op te bestaan (artikel 321 van Boek 2 BW). Voor fiscale doeleinden wordt de overgang onder algemene titel getransformeerd in een overdracht van vermogensbestanddelen en worden de verdwijnende rechtspersonen bij wetsfictie geacht op te houden in Curaçao belastbare winst te genieten. Deze fictieve overdracht (vervreemding) en het geacht worden opgehouden te bestaan vindt dan ook, naar het oordeel van het Gerecht, plaats op 30 december 2019, de dag waarop de akte van fusie is verleden. Dit betekent dat belanghebbenden (vrijwel) het gehele jaar 2019 zelfstandig belastingplichtig zijn en aangifte winstbelasting voor het jaar 2019 hadden moeten doen. De verantwoording van de door belanghebbenden behaalde belastbare winst voor het jaar 2019 dient derhalve niet plaats te vinden bij de verkrijgende vennootschap, maar bij de belanghebbenden zelf.

4.9

Hetgeen in artikel 321, lid 1 van Boek 2 BW is bepaald maakt het vorenstaande niet anders. Die bepaling biedt slechts de mogelijkheid om op een eerder moment dan het moment waarop de juridische fusie plaatsvindt de financiële gegevens van een verdwijnende rechtspersoon in de verslaggeving van de verkrijgende rechtspersoon te verwerken. Artikel 321, lid 1 Boek 2 BW creëert evenwel geen civielrechtelijke terugwerkende kracht van de juridische fusie zelf.

4.10

Op zichzelf genomen is het niet onmogelijk om voor fiscale doeleinden bij wijze van goedkeurend beleid terugwerkende kracht te verlenen aan een juridische fusie. Zulks is in Nederland geschied. Aldaar is sedert het ontstaan van de wettelijke regeling juridische fusie per 1 januari 1998 steeds, onder te stellen voorwaarden, beleidsmatig goedgekeurd (Voetnoot 2) dat voor toepassing van de fiscale regeling terugwerkende kracht aan de juridische fusie kan worden verleend tot het tijdstip waarop de verkrijgende rechtspersoon de financiële gegevens van de verdwijnende rechtspersoon verantwoordt in diens eigen jaarrekening. De wet en/of regelgever van Curaçao heeft om hem moverende redenen een dergelijke (beleidsmatige) regeling nimmer in het leven geroepen. Gesteld noch gebleken is dat gedurende de parlementaire behandeling of daarna de optie van het verlenen van terugwerkende kracht door de wet- of besluitgever is overwogen. Het al dan niet verlenen van terugwerkende kracht aan een regeling is een keuze die tot het domein van de wet- of besluitgever behoort en niet tot die van de rechter. Nu in een dergelijke regeling niet is voorzien, kan de fiscale rechter niet anders oordelen dan zoals vermeld in onderdeel 4.8.

Conclusie en vervolg

4.11

De slotsom is dat aan de juridische fusie geen terugwerkende kracht kan worden verleend en dat het Gerecht op een later tijdstip zal beslissen over de onder 1.1 tot en met 1.3 aan belanghebbenden opgelegde naheffingsaanslagen en verzuimboetes. Daartoe zal het Gerecht het onderzoek ter zitting voortzetten op een later tijdstip.

4.12

Het Gerecht stelt belanghebbenden in de gelegenheid om binnen zes weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak de gronden van hun beroep aan te vullen, indien nodig. Daarbij dienen belanghebbenden ervan uit te gaan dat zij in de periode 1 januari 2019 tot en met 30 december 2019 zelfstandig belastingplichtig zijn.

De Inspecteur krijgt daarna zes weken om op het nader stuk van belanghebbenden te reageren en om verweerschriften in te dienen.

Het Gerecht is voornemens om de zaken van belanghebbenden vervolgens op 22 oktober 2026 op zitting te behandelen.

4.13

Het Gerecht wijst er, wellicht ten overvloede, op dat tegen een tussenuitspraak, als de onderhavige, geen hoger beroep openstaat.

4.14

Het Gerecht houdt iedere verdere beslissing aan tot de (eind)uitspraak op beroep. Dat laatste betekent voorts dat op dit moment ook nog geen beslissing wordt genomen over de door belanghebbenden gedane verzoeken om proceskosten en griffierecht.

Beslissing

5
BESLISSING

Het Gerecht:

zet het onderzoek op een later tijdstip voort met inachtneming van het hiervoor overwogene;

stelt belanghebbenden in de gelegenheid om binnen zes weken na de datum van verzending van deze tussenuitspraak de gronden van het beroep inhoudelijk aan te vullen;

stelt de Inspecteur daarna in de gelegenheid om binnen zes weken op het nadere stuk van belanghebbenden te reageren en een verweerschrift in te dienen; en

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze tussenuitspraak is gegeven door mr. drs. P.A.M. Pijnenburg, rechter, en uitgesproken op 3 juli 2026, in tegenwoordigheid van de griffier mr. L.M. de Leeuw van Weenen.

De griffier, De rechter,

Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

Tegen deze uitspraak kan geen hoger beroep worden ingesteld.

Voetnoot

Voetnoot 1

Van toepassing is de tekst zoals opgenomen in de Landsverordening van de 15e december 2011 tot wijziging van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek (Landsverordening herziening Boek 2 BW), A° 2011, N° 66.

Voetnoot 2

Voor het eerst in het Besluit van de Staatssecretaris van Financiën van 19 december 2000, nr. CPP2000/3131M en nadien door opvolgende besluiten.