Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt het Gerecht het beroep van eiseres tegen de beslissing van verweerder om aan vergunninghoudster een bouwvergunning te verlenen ter legalisering van een gebouwde keermuur.
1.1
Verweerder heeft deze beslissing genomen bij beschikking van 4 september 2024 (de bestreden beschikking).
1.2
Eiseres heeft een beroepschrift en een aanvullend beroepschrift met producties tegen de bestreden beschikking ingediend. Verweerder heeft een verweerschrift met producties ingediend. De vergunninghoudster heeft een schriftuur met producties ingediend.
1.3
Het Gerecht heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar directeur, [naam directeur], bijgestaan door haar gemachtigde. Ook de echtgenote van de directeur van eiseres is ter zitting verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De vergunninghoudster heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam projectleider] (projectleider) en [naam architect] (architect), bijgestaan door haar gemachtigde.
1.4
Het Gerecht heeft dit beroep gelijktijdig behandeld met twee andere beroepen van eiseres, geregistreerd onder de nummers CUR202403824 en CUR202500414. Ook op het beroep met nummer CUR202403824 – dat betrekking heeft op een verzoek om handhavend op te treden tegen de door vergunninghoudster gebouwde keermuur – wordt vandaag uitspraak gedaan. In de zaak CUR202500414, die ziet op het uitblijven van een beslissing van verweerder op een verzoek om handhaving wegens bouwen in afwijking van de verleende vergunning voor flatgebouwen, heeft verweerder inmiddels alsnog een beslissing genomen. In dat verband heeft het Gerecht aan eiseres de vraag voorgelegd of haar beroep mede is gericht tegen deze (reële) beschikking. In die zaak wordt vandaag dus nog geen uitspraak gedaan.
Overwegingen
Beoordeling door het Gerecht
2. Het Gerecht beoordeelt de beslissing van verweerder om aan vergunninghoudster een bouwvergunning te verlenen ter legalisering van een gebouwde keermuur aan de hand van de beroepsgronden van eiseres.
2.1
Het Gerecht komt tot het oordeel dat verweerder de bouwvergunning terecht heeft verleend. Geen van de door eiseres genoemde weigeringsgronden uit artikel 22 van de Bouw- en woningverordening (Bwv) doet zich voor.
2.2
Hierna legt het Gerecht dit oordeel uit en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Wat is relevant om te weten in deze zaak?
3.1
Het Gerecht verwijst voor de relevante feiten en omstandigheden in deze zaak naar de uitspraak die het Gerecht in de zaak CUR202401358 (ECLI:NL:OGEAC:2024:175) tussen partijen heeft gedaan. Daaraan voegt het Gerecht het volgende toe.
3.2
Op 2 maart 2024 hebben toezichthouders van verweerder een controle uitgevoerd bij de keermuur, die is gebouwd tussen de percelen van eiseres en vergunninghoudster. Naar aanleiding van die controle is een inspectierapport opgesteld. Daarin staat, voor zover hier relevant en kort samengevat, het volgende vermeld:
uit terreincontrole en gelet op de situatietekening en de kadastrale grenzen staat de keermuur volledig op eigendomsgrond van vergunninghoudster, op ongeveer 50 – 70 cm afstand van de erfgrens;
de keermuur fungeert als een grond kerende constructie voor het perceel van vergunninghoudster;
er was een vergunning verleend voor een keermuur (met nummer [nummer vergunning][nummer vergunning 1]) met een bouwhoogte van 2 meter. Uit hoogtemetingen volgt dat de keermuur op sommige punten hoger is dan 2 meter. Het hoogst gemeten punt is 2.60 meter.
3.3
Op 11 april 2024 heeft vergunninghoudster een aanvraag ingediend voor het bouwen van een keermuur. Dat heeft geleid tot de in de inleiding van deze uitspraak genoemde bestreden beschikking.
Waarom heeft verweerder de vergunning verleend?
4. Verweerder heeft met de bestreden beschikking een bouwvergunning verleend voor het wijzigen van bouwvergunning [nummer vergunning 1] voor het bouwen van een keermuur. Bij de vergunning, die nummer [nummer vergunning 2] heeft, zijn ook bouwtekeningen gevoegd. Verweerder heeft de aanvraag ter advisering voorgelegd aan UO ROP. In haar advies van 30 augustus 2024 heeft UO ROP geconcludeerd dat geen van de weigeringsgronden in artikel 22 van de Bwv zich voordoet. Gelet daarop heeft de minister de vergunning vervolgens verleend.
Wat voert eiseres hiertegen aan en wat vindt het Gerecht?
5. Eiseres voert in de eerste plaats aan dat de bestreden beschikking onzorgvuldig is voorbereid. Ter zitting heeft zij toegelicht dat volgens haar de beginselen van behoorlijk bestuur met zich brengen dat verweerder met eiseres in overleg had moeten treden alvorens de bestreden beschikking te nemen.
6. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt. In de Bwv is geen artikel aan te wijzen waaruit volgt dat verweerder in het geval van eiseres haar had moeten horen alvorens de bouwvergunning te verlenen. Dat kan anders zijn als er omstandigheden zijn die maken dat verweerder op grond van het zorgvuldigheidsbeginsel eiseres wel had moeten horen. In wat eiseres aanvoert ziet het Gerecht geen grond voor het oordeel dat van zulke omstandigheden sprake is. Daarbij is ook relevant dat het gaat om een aanpassing van een eerdere bouwvergunning voor dezelfde constructie, waartegen de bezwaren van eiseres reeds bij verweerder bekend waren.
7. Eiseres voert vervolgens aan dat de bestreden beschikking onvoldoende is gemotiveerd. Verweerder is immers niet ingegaan op de vlak na de realisering van de keermuur gedane ophoging van de grond en de flatgebouwen die op het opgehoogde terrein zijn gebouwd. De bouw van de keermuur kan in ruimtelijk opzicht niet los worden gezien van de op de opgehoogde grond gebouwde flatgebouwen. Die flatgebouwen zijn veel te hoog en hebben een enorme impact op eiseres.
8. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
8.1
De aanvraag die is gedaan ziet op de bouw van de keermuur, niet op de ophoging van de grond op het terrein van vergunninghoudster achter die keermuur en niet op de gerealiseerde flatgebouwen op het terrein van vergunninghoudster. Verweerder hoefde bij het verlenen van de bouwvergunning voor de keermuur gelet op de aanvraag daarom niet in te gaan op die aspecten. Het Gerecht volgt eiseres ook niet in haar stelling dat de keermuur niet los kan worden gezien van de ophoging van de grond en de bouw van de flatgebouwen. De keermuur is zowel functioneel als bouwkundig te onderscheiden van de gebouwde flatgebouwen.
8.2
De kern van het bezwaar van eiseres tegen de flatgebouwen is dat deze volgens haar te dicht op haar perceel en te hoog zijn gebouwd, zeker als daarbij de ophoging van de grond in aanmerking wordt genomen. De ophoging van de grond achter de keermuur raakt de rechtmatigheid van de voor de keermuur verleende bouwvergunning niet, maar kan uitsluitend een rol spelen bij de beoordeling van de bouwvergunning voor de flatgebouwen. Hoewel het ophogen van het perceel op zichzelf niet vergunningplichtig is, is deze activiteit wel relevant bij het berekenen van de bouwhoogte van de flatgebouwen die op het opgehoogde terrein worden gerealiseerd. Op grond van het Eilandelijk Ontwikkelingsplan Curaçao (EOP) mag de bouwhoogte van een gebouw in stedelijk woongebied in beginsel niet meer dan 8 meter bedragen. Volgens het EOP wordt de bouwhoogte gemeten vanaf de gemiddelde hoogte van het terrein waarop het bouwwerk staat, na het bouwrijp maken daarvan, tot aan het hoogste punt van het bouwwerk. Als het maaiveld bij het bouwrijp maken wordt opgehoogd, wordt deze ophoging dus meegenomen in de berekening van de bouwhoogte van de gebouwen die daarop worden gerealiseerd. Indien eiseres bezwaar heeft tegen de ophoging van de gronden, kan zij dat aan de orde stellen in het kader van de beoordeling van de bouwhoogte van de gebouwde flatgebouwen. Dat betekent dat de beroepen die betrekking hebben op de keermuur afzonderlijk kunnen worden behandeld en beoordeeld, los van de beroepen die zien op de bouw van de flatgebouwen.
8.3
Eiseres heeft ter zitting verzocht om aanhouding van dit beroep en van een ander beroep van haar, met zaaknummer CUR20240824, dat ziet op een handhavingsverzoek met betrekking tot de keermuur. Volgens eiseres kunnen de bouw van de keermuur en de bouw van de flatgebouwen niet los van elkaar worden gezien. Zij wil daarom dat haar beroepen over de keermuur gelijktijdig worden behandeld met de beroepen die zij naar verwachting nog zal instellen tegen beschikkingen die verweerder nog moet nemen over de flatgebouwen. Ten aanzien van de flatgebouwen moet verweerder nog beslissen op het verzoek om handhavend op te treden tegen bouwen in afwijking van de verleende vergunning. Daarnaast zal verweerder mogelijk een gewijzigde bouwvergunning verlenen voor de flatgebouwen.
8.4
Wat het Gerecht in 8.1 en 8.2 heeft overwogen, is aanleiding geweest voor het Gerecht om in raadkamer te beslissen om dit beroep en het beroep met nummer CUR202403824 niet aan te houden en daarin uitspraak te doen.
9. Eiseres voert verder aan dat de muur ontsierend is. Voor de bouw van de keermuur liepen haar perceel en dat van vergunninghoudster naadloos in elkaar over. Dat beeld is nu doorbroken door de aanwezigheid van een keermuur van 3,5 meter hoog. Daarnaast is sprake van hinder. De wind had voor de bouw van de keermuur vrij spel en er was een mooi uitzicht. Dat is er nu niet meer.
10. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
10.1
Artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv bepaalt kort gezegd dat een bouwvergunning wordt geweigerd als het gebouw wegens de ligging of wegens de bouwwijze de omgeving zal ontsieren of hinderlijk dan wel brandgevaarlijk voor de omgeving zal zijn.
10.2
Verweerder heeft zich onder verwijzing naar het advies van UO ROP van
30 augustus 2024 op het standpunt gesteld dat deze weigeringsgrond zich niet voordoet. In het ROP-advies staat het volgende vermeld.
Het gaat om een keermuur om de hoger gelegen grond tegen te houden. Het bouwplan is geprojecteerd op een kavel die bestemd is voor woondoeleinden in de wijk Girouette. Er zijn geen historische gebouwen of architectonisch interessante gebouwen in de omgeving. Hierdoor kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een ontsierend effect door de ligging.
De bouwwijze laat zich kenmerken als traditionele bouwmethode. Een fundering, een muur met gewapende ringbalken en gewapende steunberen. De muur is qua bouwwijze niet ontsierend voor de omgeving.
Het terrein waarop de keermuur staat heeft een hoogteverschil van bijna 9 meter. De woning op het perceel [adres] zou enige hinder kunnen ondervinden van de keermuur. De kavel van deze woning ligt lager dan de omliggende kavels. Ter hoogte van de [straatnaam] is een hoogteverschil van ca 4.20 meter. De kortste afstand van de keermuur tot de woning [adres] is ruim 2 meter. De hoogte van de keermuur aldaar is ca. 2.90 meter gemeten vanuit de kavel van [adres]. Hierdoor wordt enige wind en zicht van de bewoners van deze woning ontnomen. De hoogte van de keermuur aldaar, gemeten vanuit de andere kant van de keermuur, de kavel waarop de keermuur staat, is circa 10 cm. De keermuur is vanuit bouwkundig oogpunt noodzakelijk om het terrein te egaliseren en om de grond tegen te houden. De keermuur is juist ook opgericht voor de veiligheid van de omliggende woningen. In dit opzicht weegt de veiligheid van de omliggende woningen zwaarder dan de geringe ontneming van wind en zicht. Het bouwplan vormt vanwege de ligging geen hinder voor de omgeving.
In dit geval is sprake van traditionele bouwmaterialen, gewapend beton die niet reflecteren en ook geen andere bekende vorm van hinder opleveren. De keermuur is vlak en is geheel gebouwd op de eigen kavel.
Het gebouw is qua bouwwijze niet hinderlijk voor de omgeving.
10.3
Het Gerecht is van oordeel dat verweerder zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de weigeringsgrond als bedoeld in artikel 22, aanhef en onder 5, van de Bwv zich niet voordoet. Het Gerecht stelt daarbij voorop dat op het perceel sowieso een gebouw is toegestaan met een door het EOP toegestane bouwhoogte. Dat betekent dus ook automatisch enige hinder voor de omgeving vergeleken met een perceel zonder bebouwing. Het is vervolgens aan verweerder om zich een oordeel te vormen over de ontsiering en de hinder voor de omgeving. Verweerder komt daarbij beoordelingsruimte toe. Het is niet aan de bestuursrechter om die beoordeling vol te toetsen. Het advies van ROP is naar het oordeel van het Gerecht voldoende gemotiveerd om het standpunt van verweerder te kunnen dragen. In wat eiseres aanvoert, ziet het Gerecht geen grond om tot een ander oordeel te komen.
11. Eiseres wijst ten slotte op een brief van ing. [naam ingenieur] die bij de constructieberekening zit. In die brief staat dat de blokken goed verankerd moeten worden tussen de kolommen en dat ook drainagebuizen toegepast moeten worden om regenwater achter de wand af te voeren. Eiseres heeft geen drainagebuizen gezien. In de vergunning is het verankeren van de blokken en het plaatsen van de drainagebuizen niet verplicht gesteld en dat kan leiden tot een gevaarlijke situatie. Ter zitting heeft eiseres gewezen op het water dat volgens haar door de muur spoot toen er een put werd geslagen op het perceel van vergunninghoudster.
12. Deze beroepsgrond slaagt niet. Het Gerecht motiveert dat als volgt.
12.1
Artikel 22, aanhef en onder 2, van de Bwv bepaalt kort gezegd dat een bouwvergunning wordt geweigerd als het gebouw ook in verband met de toegepaste bouwwijze niet zodanige hechtheid geacht kan worden te zullen bezitten, dat het voor het leven van de bewoners of gebruikers of voor de omgeving geen gevaar oplevert.
12.2
Het Gerecht stelt vast dat drie bouwtekeningen onderdeel uitmaken van de bouwvergunning. Op de bouwtekeningen wordt verwezen naar de berekeningen en tekeningen van de constructeur. In het ROP-advies van 30 augustus 2024 staat dat de constructieve berekeningen en tekeningen door een extern bureau zijn getoetst en gevalideerd. In de brief van 29 augustus 2024 van ing. [naam ingenieur ]staat dat hij de constructieve impact van de keermuur heeft onderzocht. Hij keurt de constructie van de keermuur in zijn brief goed.
12.3
Naar het oordeel van het Gerecht heeft verweerder op basis van wat in 12.2 is overwogen kunnen oordelen dat de weigeringsgrond van artikel 22, aanhef en onder 2, van de Bwv zich niet voordoet. Aan de bouwvergunning zitten drie bouwtekeningen gehecht waarop naar de berekeningen en tekeningen van de constructeur wordt verwezen. De muur moet dus conform die tekeningen en berekeningen worden gerealiseerd. Als eiseres vindt dat dat niet is gebeurd, dan zal zij zich met een handhavingsverzoek tot verweerder moeten wenden.
Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen alle partijen hoger beroep instellen bij het Gemeenschappelijk Hof van Justitie.
Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Het hoger beroep moet worden ingediend bij het Gerecht dat de uitspraak heeft gedaan.
De indiener van het hoger beroep moet in ieder geval:
het hoger beroepschrift indienen in tweevoud;
een afschrift van deze uitspraak bijvoegen;
vermelden waarom hij het niet eens is met de uitspraak (hoger beroepsgronden).
Partijen kunnen gebruik maken van de mogelijkheid om binnen de gegeven hoger beroepstermijn te volstaan met een pro-forma hoger beroepschrift. Dit betekent dat de hoger beroepsgronden op een later moment worden ingediend.
Voor het instellen van het hoger beroep is griffierecht verschuldigd.