GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Vonnis in kort geding van 5 december 2024
[Eiseres],
wonende in [woonplaats], eiseres, hierna te noemen: de moeder, gemachtigde: mr. A.M. Tromp,
tegen
[Gedaagde],
wonende in [woonplaats], gedaagde, hierna te noemen: de vader, gemachtigde: mr. N.A.A. Montroos,
betreffende de minderjarige kinderen:
[Minderjarige 1,
geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[Minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
[Minderjarige 3],
geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 3].
3.1.
De moeder vordert, bij vonnis in kort geding en uitvoerbaar bij voorraad, vervangende toestemming te verlenen om op 18 december 2024 met de kinderen naar Colombia te reizen en daar met hen te verblijven tot en met 7 januari 2025. Daarnaast verzoekt de moeder te bepalen dat de door haar betaalde procedurele kosten (de oproepingskosten, de griffierechten en salaris van gemachtigde) voor rekening van de vader komen.
3.2.
De moeder legt aan haar vordering, samengevat, ten grondslag dat zij met de kinderen naar Colombia op vakantie wil, maar dat de vader weigert toestemming voor de vakantie te verlenen. De moeder voert aan dat de vliegtickets al zijn gekocht, dat de verblijfplaats in Colombia is betaald en de directeuren van de scholen van de kinderen toestemming hebben verleend voor de verlofdagen van de kinderen buiten de schoolvakantie. Omdat de vader door het weigeren van toestemming de moeder onnodig op kosten heeft gejaagd, verzoekt zij dat de vader wordt veroordeeld in de proceskosten.
3.3.
De vader voert verweer en verzoekt de vordering van de moeder af te wijzen. Indien en voor zover het gerecht van oordeel is dat de vordering toegewezen zou moeten worden, verzoekt de vader de vordering zo toe te wijzen dat de toestemming uitsluitend geldt voor de officiële vakantieperiode (21 december 2024 tot en met 3 januari 2025) en dat de vader volgend jaar de gelegenheid krijgt om de volledige kerstvakantie met de kinderen door te brengen. De vader voert daartoe, samengevat, het volgende aan. Ten eerste is de vakantie niet in het belang van de kinderen, omdat zij een aantal schooldagen moeten missen. Bovendien zal [minderjarige 1] de examens Papiamentu en Frans missen. Dit zal de schoolprestaties van de kinderen niet ten goede komen. Daar komt bij dat de moeder, hoewel partijen gezamenlijk gezag hebben, zonder voorafgaand overleg met de vader besloten heeft om de vakantie te boeken. Bovendien weet hij niet waar de kinderen zullen verblijven tijdens de vakantie, welke activiteiten er op de planning staan en of de veiligheid van de kinderen gewaarborgd is. Tenslotte voert de vader aan dat hij op grond van de overeengekomen regeling in het echtscheidingsconvenant het recht heeft om de feestdagen met de kinderen door te brengen.
3.4.
Op de stellingen van de ouders wordt hierna, voor zover van belang voor de beoordeling, nader ingegaan.
Overwegingen
4.1.
Op grond van de gedingstukken en de toelichting door de moeder ter zitting staat naar het oordeel van het gerecht het spoedeisend belang van de moeder bij haar vordering vast, nu zij op 18 december 2024 met de kinderen naar Colombia wil reizen en zij daarvoor niet de benodigde toestemming heeft kunnen verkrijgen van de vader, die mede met het gezag belast is over de kinderen.
4.2.
Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het gezag op verzoek van de ouders of van een van hen aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt alsdan een zodanige beslissing als haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
4.3.
Het gerecht acht het in het belang van de kinderen dat zij met hun moeder op vakantie naar Colombia kunnen. De verweren van de vader slagen niet. Het gerecht overweegt daartoe als volgt.
4.4.
De stelling van de vader dat de vakantie niet in het belang is van de kinderen omdat zij schooldagen zullen missen, volgt het gerecht niet. De scholen van de kinderen hebben immers, zo blijkt uit de door de moeder overgelegde producties, toestemming gegeven voor het verlof van de kinderen tijdens de door de moeder gewenste vakantieperiode (de conrector van de school van [minderjarige 1] op 23 september 2024 en het schoolhoofd van de school van [minderjarige 2] en [minderjarige 3] op 2 oktober 2024). De vader stelt dat hij beter dan het schoolbestuur kan inschatten of zijn kinderen nadeel zullen ondervinden van de gemiste schooldagen, omdat het zijn eigen kinderen betreft. Het gerecht is echter van oordeel dat er geen reden is om te twijfelen aan de door het schoolbestuur verleende toestemming, nu zij als deskundigen een gedegen inschatting kunnen maken of de kinderen schooldagen of toetsen kunnen missen. Uit de door deze deskundigen verleende toestemming leidt het gerecht af dat de kinderen geen direct nadeel zullen ondervinden als zij door de vakantie een aantal schooldagen, dan wel examens zullen missen.
4.5.
Het gerecht gaat ook voorbij aan de stelling van de vader dat de moeder de vakantie heeft geboekt zonder hem vooraf in te lichten. Of de moeder de vader wel of niet vooraf heeft geïnformeerd, kan het gerecht gelet op de tegengestelde stellingen van partijen op dit punt niet vaststellen. Wel heeft de vader ter zitting te kennen gegeven dat hij de moeder op alle communicatiekanalen, waaronder de mail, heeft geblokkeerd. Hieruit concludeert het gerecht dat de vader het de moeder, ook al had zij hem willen informeren over de vakantie, onmogelijk heeft gemaakt om hem te bereiken. De vader kan de moeder aldus niet verwijten dat zij hem niet zou hebben geïnformeerd. Het gerecht benadrukt daarbij richting beide ouders dat zij elkaar niet dienen te blokkeren, nu zij als ouders van de kinderen voor elkaar bereikbaar moeten zijn. Het punt van de vader dat hij niet op de hoogte is van hoe de vakantie in Colombia er precies uit zal zien en dat hij niet weet of de veiligheid van de kinderen is gewaarborgd, volgt het gerecht ook niet. De gemachtigde van de moeder heeft onweersproken gesteld dat het verblijfadres is vermeld op de brief waarin de vader om toestemming voor de vakantie is gevraagd. Verder is gesteld noch gebleken van redenen om aan te nemen dat de kinderen niet veilig zouden zijn bij hun moeder tijdens hun vakantie in Colombia, het land van herkomst van zowel de vader als de moeder.
4.6.
Ook het verweer van de vader dat hij op grond van de overeengekomen regeling in het echtscheidingsconvenant het recht heeft om de feestdagen met de kinderen door te brengen, slaagt niet. De moeder heeft ter zitting te kennen gegeven dat de vader zijn gemiste vakantiedagen met de kinderen wat haar betreft kan inhalen in de paasvakantie en de zomervakantie. Als alternatief is zij ermee akkoord dat de vader de volgende kerstvakantie de kinderen bij zich zal hebben. Naar het oordeel van het gerecht zal de vader door deze welwillende opstelling van de moeder niet worden benadeeld in zijn omgang met de kinderen indien zij deze kerstvakantie met de moeder in Colombia zullen verblijven.
4.7.
Het voorgaande brengt met zich mee dat de vordering zal worden toegewezen. Het gerecht zal aan de moeder dan ook vervangende toestemming verlenen om met de kinderen op vakantie naar Colombia te gaan in de periode van 18 december 2024 tot en met 7 januari 2025. Voor toewijzing van de vordering waarbij de toestemming uitsluitend geldt voor de officiële vakantieperiode, zoals door de vader aangevoerd, ziet het gerecht geen aanleiding gelet op hetgeen overwogen onder rechtsoverweging 4.4.. Evenmin ziet het gerecht aanleiding om te bepalen dat de vader de volgende kerstvakantie met zijn kinderen mag doorbrengen. Gelet op de welwillende houding van de moeder om de vakanties eerlijk tussen de ouders te verdelen, heeft het gerecht er voldoende vertrouwen dat de ouders hier onderling zullen uitkomen.
4.8.
Het gerecht zal dit vonnis in het belang van de kinderen uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit betekent dat de beslissing ongeacht een eventueel hoger beroep kan worden uitgevoerd.
4.9.
Gelet op de relatie die tussen partijen heeft bestaan, zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt. Het gerecht ziet aldus, anders dan de moeder, geen aanleiding om de vader te veroordelen in de proceskosten.
Beslissing
Het gerecht, rechtdoende in kort geding:
5.1.
verleent aan de moeder, [eiseres], toestemming, die de toestemming van de vader vervangt, om van 18 december 2024 tot en met 7 januari 2025 op vakantie naar Colombia te gaan met:
[minderjarige 1], geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats];
[minderjarige 2], geboren op [geboortedatum]2016 in [geboorteplaats];
[minderjarige 3], geboren op [geboortedatum] 2018 in [geboorteplaats];
5.2.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.3.
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.4.
wijst af het meer of anders verzochte.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. H.M. Contermans, griffier, en in het openbaar uitgesproken.