Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:OGEAC:2024:296

Op 19 February 2024 heeft de Gerecht in eerste aanleg van Curaçao een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is CUR202204732, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAC:2024:296.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
CUR202204732
Datum uitspraak:
19 February 2024
Datum publicatie:
5 June 2026

Indicatie

Bewijs van bestaan huurovereenkomst tussen partijen niet geleverd.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202204732

Vonnis van 19 februari 2024

in de zaak van

[Eiser], gevestigd in [woonplaats], eiser, procederend in persoon,

tegen

[Gedaagde],

wonende in [woonplaats], gedaagde, gemachtigde: mr. N.A. Evertsz.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] worden genoemd.

Procesverloop

1
Het procesverloop
1.1.

Het procesverloop blijkt uit:- het vonnis van 5 juni 2023 (hierna: het tussenvonnis),

- de akte tot uitlating en overlegging van stukken met producties van [eiser], ingediend op 21 augustus 2023,

- de antwoordakte met producties van [gedaagde], ingediend op 23 oktober 2023,

- de akte tot uitlating en overlegging van stukken met producties van [eiser], ingediend op 20 november 2023,

- de akte uitlating producties van [gedaagde], ingediend op 8 januari 2024.

1.2.

Vonnis is bepaald op vandaag.

Overwegingen

2
De verdere beoordeling
2.1.

Gezien het bewijs van onvermogen dat hij in het geding heeft gebracht, staat naar het oordeel van het gerecht voldoende vast dat [gedaagde] niet in staat is de kosten in verband met het voeren van onderhavige procedure te dragen. Zijn verzoek hem toe laten kosteloos te procederen is toewijsbaar.

2.2.

Het gerecht volhardt bij het tussenvonnis, behoudens wat betreft de verwijzing naar het wetsartikel, als overwogen in r.o. 2.7 van dit vonnis.

2.3.

Bij het tussenvonnis heeft het gerecht [eiser] toegelaten tot het bewijs van zijn stelling dat hij met [gedaagde] de huurovereenkomst [eiser]/[gedaagde] is aangegaan.

Met de huurovereenkomst [eiser]/[gedaagde] is bedoeld de huurovereenkomst met betrekking tot een appartement in het appartementencomplex aan het adres [adres] tussen [eiser] en [gedaagde] (tussenvonnis, r.o. 2.1 en 3.2).

2.4. [

eiser] heeft schriftelijk bewijs bijgebracht. In het tussenvonnis is bepaald dat [eiser], indien hij bewijs door getuigen wil leveren, dat voor of uiterlijk op de zitting van 3 juli 2023 schriftelijk aan het gerecht moet mededelen. Een dergelijke mededeling heeft het gerecht niet bereikt, zodat het ervoor moet worden gehouden dat [eiser] geen bewijs door getuigen wil leveren.

2.5.

Naar het oordeel van het gerecht is [eiser] niet in het bewijs geslaagd. Dit oordeel zal hierna aan de hand van de producties en stellingen van de zijde van [eiser] worden gemotiveerd.

2.6.

In het licht van dat oordeel heeft [gedaagde] geen belang bij een beslissing op zijn verzoek de akte van 20 november 2023 van [eiser] buiten beschouwing te laten voor zover deze geen betrekking heeft op de producties bij de antwoordakte van 23 oktober 2023 van [gedaagde], zodat die beslissing niet zal worden gegeven.

2.7.

Allereerst benadrukt [eiser] dat hij de huurovereenkomst d.d. 1 januari 2018 tussen hem en [gedaagde] in het geding heeft gebracht. Dit is op zichzelf juist. Met betrekking tot de bewijskracht daarvan is in het tussenvonnis, r.o. 4.3 – 4.5, reeds geoordeeld: aan de huurovereenkomst komt dwingende bewijskracht toe, waartegen tegenbewijs openstaat. De verwijzing naar artikel 151 lid 2 Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering in r.o. 4.4 van het tussenvonnis is onjuist en wordt dus niet gehadhaafd. Volgens het tussenvonnis is dat tegenbewijs geleverd (r.o. 4.5) en rust daardoor de bewijslast weer ten volle op [eiser] (r.o. 4.6).

2.8. [

gedaagde] erkent de huurovereenkomst met [eiser] te hebben ondertekend, maar stelt dat hij dit uitsluitend heeft gedaan omdat [eiser] daarom had gevraagd voor belastingdoeleinden en dat partijen geen huurovereenkomst zijn aangegaan.

Waar [eiser] een andere uitleg tot uitgangspunt kiest – bijvoorbeeld door te benadrukken dat [gedaagde] erkent de huurovereenkomst te hebben ondertekend en daaraan de conclusie te verbinden dat [gedaagde] de huurovereenkomst erkent -, berust die op een onjuiste lezing van de stellingen van [gedaagde].

2.9.

Hetgeen volgens [eiser] in 2019 in de familiekring is gebeurd (randnummer 11+12 van de akte d.d. 20-11-2023), formuleert hij in algemene en met weinig concrete bewoordingen. Bovendien heeft hij dat niet onderbouwd. Aan deze stelling wordt daarom voorbijgegaan.

Om hem moverende redenen heeft hij ervoor gekozen personen die behoren tot “de familiekring met tantes, zussen en anderen” evenmin als getuigen voor te brengen.

2.10.

Zonder toelichting van de zijde van [eiser], die telkens niet is gegeven, valt ten slotte niet in te zien dat diens volgende stellingen kunnen bijdragen tot het bewijs:

- de stelling dat [gedaagde] (al dan niet met zijn zusje) het appartement heeft bewoond. Dat behoeft namelijk niet op basis van een huurovereenkomst met [eiser] te zijn gebeurd;

- in het licht van de stelling van [gedaagde] dat hij de huurovereenkomst op verzoek van [eiser] heeft ondertekend voor ‘belastingdoeleinden’: de stelling dat [eiser] bij de belastingdienst de huurovereenkomst heeft overgelegd. Dat laatste is immers niet meer dan een eenzijdige handeling van althans namens [eiser]. Dat wordt niet anders indien de “door de boekhouder ingediende huurovereenkomst is behandeld als een aan te slagen document bij Inkomstenbelasting van het jaar 2018” (akte d.d. 20-11-2023, randnummer 1), waarmee [eiser] kennelijk bedoelt dat de belastingdienst de huurovereenkomst als zodanig heeft aanvaard. Aan enige beslissing van de belastingdienst is het gerecht niet gebonden. Bovendien is niet gesteld of gebleken dat de belastingdienst naar de huurovereenkomst enig onderzoek heeft gedaan;

- de niet-onderbouwde stelling dat [gedaagde] na enige datum niets meer heeft betaald aan [belanghebbende 1].

Bovendien acht het gerecht zonder toelichting – en ook die is niet gegeven – onbegrijpelijk dat [eiser] in randnummer 3b van zijn akte d.d. 20-11-2023 [belanghebbende 1] aanduidt als tussenpersoon: eerder in deze procedure is niet gesteld of gebleken dat zij als zodanig is opgetreden. Ook de stelling dat [belanghebbende 1] zou zijn opgetreden als tussenpersoon, draagt overigens niet bij aan het bewijs;

- de stelling dat [eiser] zijn hypotheekschuld moet aflossen (kennelijk met de huuropbrengsten);

- de stelling dat [gedaagde] vermogend is.

2.11. [

eiser] is niet in het bewijs geslaagd. In rechte is dus niet komen vast te staan dat partijen met elkaar de door [eiser] gestelde huurovereenkomst zijn aangegaan.

2.12.

Daaruit volgt dat de vorderingen van [eiser] zullen worden afgewezen.

2.13. [

eiser] zal worden veroordeeld in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde]. Deze worden tot aan dit vonnis begroot op NAf 4.375,- (3,5 punten, tarief 5) aan salaris gemachtigde.

Beslissing

3
De beslissing

Het gerecht:

verleent [gedaagde] toestemming kosteloos te procederen;

wijst de vorderingen af;

veroordeelt [eiser] in de kosten van dit geding aan de zijde van [gedaagde], die tot aan dit vonnis worden begroot op NAf 4.375,-.

Dit vonnis is gewezen door mr. O. Nijhuis, rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.