Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:OGEAC:2025:319

Op 2 October 2025 heeft de Gerecht in eerste aanleg van Curaçao een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is CUR202501058 en CUR202501059, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAC:2025:319.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
CUR202501058 en CUR202501059
Datum uitspraak:
2 October 2025
Datum publicatie:
16 March 2026

Indicatie

Familiezaak. Wijziging zorgregeling.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202501058 en CUR202501059

Beschikking van 2 oktober 2025

op het verzoek van:

[Verzoeker],

wonend in [woonplaats],

verzoeker, hierna te noemen: de vader,

gemachtigde: mr. S.C. LARMONIE,

tegen

[Verweerster],

wonend in [woonplaats],

verweerster, hierna te noemen: moeder,

procederend in persoon,

betreffende:

[Minderjarige],

geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats],

hierna te noemen: de minderjarige.

1
Het verloop van de procedure:
1.1.

Dat blijkt uit:

het verzoekschrift met producties, op 31 maart 2025 bij de griffie ingediend;

het verweerschrift, ingediend op de rolbehandeling van 29 april 2025;

de mondelinge behandeling op 28 augustus 2025, waarbij aanwezig waren: de vader, bijgestaan door zijn gemachtigde, de moeder en een vertegenwoordiger van de Voogdijraad.

1.2.

De uitspraak is bepaald op heden.

2
De feiten
2.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad en zijn de ouders van de minderjarige.

2.2.

Partijen zijn gezamenlijk met het gezag over de minderjarige belast.

2.3.

Bij eindbeschikking van 18 januari 2024, zoals verbeterd bij herstelbeschikking van 16 februari 2024, heeft het gerecht, na tussenbeschikkingen van 16 december 2021, 17 maart 2022 en 22 juni 202, een omgangsregeling vastgesteld en bepaald dat de kinderalimentatie van Cg 493 per maand wordt gehandhaafd. Bij beschikking 29 oktober 2024 heeft het Hof de bestreden beschikking bevestigd, met dien verstande dat de vader het kind eenmaal per twee weken tot maandagochtend bij zich houdt en vervolgens naar school brengt, in plaats van dat hij het kind op zondag om 18.00 uur bij restaurant [restaurant 1] te [plaats] aan de moeder overdraagt.

3
Het geschil
3.1.

Tussen partijen zijn in geschil kinderalimentatie en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen hen betreffende de minderjarige.

3.2.

Bij voormelde beschikking van het gerecht van 17 maart 2022 heeft het gerecht bepaald dat de vader met ingang van 1 april 2022 telkens bij vooruitbetaling aan de moeder dient te voldoen een bedrag aan kinderalimentatie van Cg 493,- per maand. Bij voormelde beschikking van 18 januari 2024 heeft het gerecht bepaald dat de aldus vastgestelde kinderalimentatie wordt gehandhaafd.

3.3.

Bij voormelde beschikking van het gerecht van 18 januari 2024, hersteld bij beschikking van 16 februari 2024, heeft het gerecht een definitieve omgangsregeling vastgesteld, inhoudende dat:

- de ene week haalt de vader de minderjarige vrijdag van de opvang en draagt hem zondag om 18.00 uur bij het restaurant [restaurant 1] te [plaats] over aan de moeder;

- de andere week haalt de vader de minderjarige woensdag van de opvang. De moeder zal die week de minderjarige vrijdag na opvangtijd van de opvang ophalen;

- gedurende beide periodes dat de minderjarige bij de vader is, hebben de minderjarige en de moeder telkens minstens een keer contact via videobellen (tijdstippen in onderling overleg te bepalen);

- in de week dat de minderjarige bij de moeder verblijft houdt de vader op zaterdag minstens 10 minuten via videobellen contact met de minderjarige (tijdstippen in onderling overleg te bepalen);

- op de verjaardag van de minderjarige is hij overdag evenveel uren bij de vader als bij de moeder (tijdstippen in onderling overleg te bepalen);

- op de verjaardag van de vader, op Vaderdag, op eerste kerstdag en op nieuwjaarsdag, telkens 6 uur (tijdstippen in onderling overleg te bepalen);

- op Moederdag brengt de minderjarige door met moeder. Indien deze dag op zondag valst wanneer de minderjarige bij vader is, dan zal moeder de minderjarige vanaf 10.00 uur bij de vader ophalen;

- op de verjaardag van de moeder brengt de minderjarige door met de moeder;

- de vader en de moeder hebben ieder de helft van de grote vakantie aaneengesloten de zorg voor de minderjarige (periode en tijdstippen in onderling overleg te bepalen).

3.4.

Bij voormelde beschikking van 29 oktober 2024 heeft het Hof de beschikking van het gerecht van 18 januari 2024 bevestigd, met dien verstande dat de vader het kind eenmaal per twee weken tot maandagochtend bij zich houdt en vervolgens naar school brengt, in plaats van dat hij het kind op zondag om 18.00 uur bij restaurant [restaurant 1] te [plaats] aan de moeder overdraagt.

3.5.

De vader verzoekt wijziging van de aldus vastgestelde zorgregeling. Hij voert aan dat de omstandigheden sindsdien zijn gewijzigd en wil dat gerecht een andere zorgregeling vaststelt, uitgaande van co-ouderschap, en dat het gerecht in het verlengde hiervan de kinderalimentatie wijzigt tot nihil.

3.6.

De moeder is het daarmee niet eens en voert verweer. De moeder is het ook niet eens met de eerder vastgestelde zorgregeling en verzoekt het gerecht deze op een aantal punten te wijzigen.

Overwegingen

4
De beoordeling
4.1.

Op grond van artikel 1:253a lid 4 van het Burgerlijk Wetboek (BW) in samenhang met artikel 1:377e BW kan de rechter op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de verdeling van zorg- en opvoedingstaken alsmede een door de ouders onderling getroffen regeling daarover wijzigen op de grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd.

4.2.

Beide ouders verzoeken op grond van gewijzigde omstandigheden wijziging van de vastgestelde zorgregeling. Dat sprake is van gewijzigde omstandigheden is tussen partijen dan ook niet in geschil en op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting genoegzaam komen vast te staan. Dit brengt met zich dat de eerder vastgestelde verdeling van de zorg- en opvoedingstaken – in beginsel – voor wijziging vatbaar is. Het gerecht zal dan ook beoordelen welke zorgregeling op dit moment in het belang van de minderjarige is.

4.3.

Aan het verzoek van de vader ligt ten grondslag zijn wens om meer betrokken te zijn bij de opvoeding en verzorging van de minderjarige. Volgens de vader dient het uitgangspunt te zijn dat beide ouders eenzelfde aandeel daarin hebben. Nu is dat niet het geval, aldus de vader, omdat de minderjarige minder dagen bij de vader verblijft, maar vooral omdat de moeder uiteindelijk de doorslag geeft waar het gaat om beslissingen omtrent de minderjarige. Zo is het de moeder die, in afwijking van de vastgestelde zorgregeling, beslist dat de minderjarige niet naar de vader toegaat bij ziekte. Behalve dat de vader meer tijd met de minderjarige wil besteden, wil hij ook dagelijkse belmomenten tussen de minderjarige en de ouder waar de minderjarige op dat moment niet verblijft.

4.4.

De moeder heeft bezwaar tegen uitbreiding van de vastgestelde regeling. Volgens de moeder toont de vader niet altijd interesse in het welzijn van de minderjarige, evenmin als hij belangstelling toont om betrokken te zijn in de ontwikkeling van de minderjarige. Daar komt bij dat de minderjarige moeite heeft met de overgang tussen beide ouders. Dat merkt zij aan het gedrag dat de minderjarige vertoont na de wisselmomenten. Ook geeft de minderjarige aan dat hij niet naar de vader wil, en wil hij niet met de vader videobellen. Al met al is de conclusie van de moeder dat co-ouderschap niet, althans niet nu, in het belang van de minderjarige is. Ten aanzien van de vastgestelde zorgregeling voor de vakanties, wil de moeder dat deze wordt gewijzigd, in overeenstemming met de reguliere zorgregeling. De moeder vindt het onwenselijk dat de minderjarige een volle week bij de vader verblijft. Verder wil de moeder niet dat het wisselmoment ooit bij haar thuis plaatsvindt; op de momenten dat er geen opvang is, moet het wisselmoment (weer) bij restaurant [restaurant 1] te [plaats] plaatsvinden, zo wil de moeder.

4.5.

Al vanaf het eerste levensjaar van de minderjarige, zijn de ouders met elkaar in procedures verwikkeld over onder meer het gezag over de minderjarige en het contact tussen de minderjarige en de vader. Aanvankelijk was de moeder belast met het eenhoofdig gezag, en eerst bij beschikking van het gerecht van 18 januari 2024 heeft het gerecht bepaald dat de ouders belast zullen worden met het gezamenlijk gezag over de minderjarige. Parallel aan deze procedure, heeft de procedure gelopen met betrekking tot een omgangs- dan wel zorgregeling betreffende de minderjarige, waarbij na diverse opbouwende voorlopige omgangsregelingen uiteindelijk de huidige definitieve zorgregeling is vastgesteld. Inmiddels is de minderjarige ruim vijf jaar oud en gaat hij bijna naar de (middenbouw van de) basisschool. Het is dan ook in het belang van de minderjarige, die gelet op zijn leeftijd steeds meer mee zal krijgen en ook bewuster zal zijn van de situatie tussen zijn ouders, dat er een definitieve structuur wordt aangebracht bij (het uitvoeren van) de zorgregeling, in het bijzonder ook de daarbij behorende communicatie tussen de ouders. Het is met dit uitgangspunt dat het gerecht een oordeel zal geven over het al dan niet gewijzigd vaststellen van een zorgregeling.

4.6.

Voor een evenwichtige ontwikkeling van kinderen is het een goed uitgangspunt dat beide ouders een wezenlijk aandeel hebben in hun opvoeding en verzorging. Naar het oordeel van het gerecht is dat met de huidige zorgregeling dan wel de wijze waarop deze wordt uitgevoerd ten aanzien van de minderjarige (nog) niet het geval. De minderjarige verblijft de ene week tweeënhalve dag bij de vader en de andere week anderhalve dag; de overige tijd verblijft de minderjarige bij de moeder. Daar komt bij dat in geval van ziekte van de minderjarige hij bij de moeder blijft, ongeacht of hij volgens de zorgregeling bij de vader zou verblijven. Gelet op het verhoudingsgewijs beperkt aantal dagen dat de minderjarige bij de vader verblijft, en de doorslaggevende stem van de moeder waar het gaat om beslissingen in dit verband, kan het aandeel van de vader in de opvoeding en verzorging nog niet als wezenlijk worden aangemerkt.

4.7.

Aanknopingspunten om van voormeld uitgangspunt af te wijken ziet het gerecht in de stukken en het verhandelde ter zitting niet. Er zijn geen aanwijzingen dat de moeder de minderjarige beter kan opvoeden en verzorgen dan de vader. De door de moeder gestelde zorgen over de betrokkenheid van de vader bij onder meer de school van de minderjarige zijn onvoldoende onderbouwd. Partijen houden er kennelijk elk een eigen wijze van opvoeden en verzorgen op na, waarbij de een niet per definitie beter is dan de ander. Dat op zichzelf is geen reden tot zorg; ook tussen ouders die samenwonen kunnen verschillen in inzichten over zorg en opvoeding bestaan.

4.8.

Ter zitting heeft de moeder te kennen gegeven dat het op dit moment goed gaat met de minderjarige, met zijn gezondheid en met het contact met de vader. Ook heeft de moeder te kennen gegeven dat zij ervaart dat de minderjarige last ondervindt van de wisselmomenten, hetgeen zich volgens haar uit in diverse emoties. Het gerecht onderschrijft met de moeder het belang om ten aanzien van de wisselmomenten voor de minderjarige rust en structuur aan te brengen. Verder is relevant dat de vader te kennen heeft gegeven dat hij het belangrijk vindt dat hij, behalve persoonlijk contact met de minderjarige, de minderjarige ook de gelegenheid kan bieden om contact te hebben met zijn nieuwe gezin, in het bijzonder zijn jongere broertje. Ook het gerecht ziet daar het belang van in. De mogelijkheden die de vader daartoe op basis van de huidige zorgregeling heeft, zijn beperkt. Verder zijn er wat betreft de (thuis)situatie van vader geen contra-indicaties naar voren gekomen voor een uitbreiding van de huidige zorgregeling. Zo is de minderjarige gedurende de zomervakantie voor het eerst een langere tijd bij vader verbleven, en niet is gebleken dat dat niet goed is gegaan.

4.9.

Wat een blijvend punt van zorg is, is de communicatie tussen de ouders. Beide ouders geven te kennen dat de communicatie tussen hen niet goed verloopt en dat zij geen goede verstandhouding hebben. Aan de niet optimale communicatie tussen de ouders moet naar het oordeel van het gerecht evenwel geen doorslaggevende betekenis ten aanzien van een vast te stellen zorgregeling worden toegekend. Gebleken is immers dat dit altijd een probleem is geweest, ongeacht de op dat moment geldende omgangs- dan wel zorgregeling, dan wel het gezag over de minderjarige. Het is en blijft dan ook de verantwoordelijkheid van de ouders om in het belang van hun beider kind hier werk van te maken, en op een volwassen manier met elkaar te communiceren aangaande de minderjarige, te meer nu de minderjarige steeds ouder wordt en daarmee ook steeds bewuster wordt van zijn situatie en zijn omgeving. Ook van de zijde van de Voogdijraad is ter zitting gehamerd op een transparante en volledige communicatie tussen de ouders, in het belang van de minderjarige, opdat hij niet het gevoel krijgt in twee werelden te leven en daarin mogelijk keuzes te moeten maken. Hoewel, zoals gezegd, een volwassen en volwaardige communicatie tussen partijen als ouders van de minderjarige een eigen verantwoordelijkheid is van de ouders, zal het gerecht bepalen dat de Voogdijraad een WhatsApp groep in het leven roept ter bevordering van de communicatie tussen partijen, en in elk geval tot aan het begin van het schooljaar 2026/2027 deelneemt aan die WhatsApp groep. De communicatie tussen partijen is al geruime tijd verstoord en partijen kunnen naar het oordeel van het gerecht dan ook een steuntje in de rug gebruiken bij het verbeteren van de communicatie.

4.10.

Alles overwegende, is het gerecht van oordeel dat de zorgregeling voor de minderjarige zo overzichtelijk mogelijk moet zijn. Het is in zijn belang dat er rust, duidelijkheid en structuur is ten aanzien van de regeling. Het gerecht is van oordeel dat dit het meest aan de orde is, wanneer hij de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader verblijft. Daarmee wordt bovendien het aantal wisselmomenten beperkt, momenten die in de uitvoering van de huidige regeling gevoelig voor incidenten of ergernissen bleken te zijn.

Het gerecht is echter ook van oordeel dat de overgang van de huidige regeling naar een co-ouderschap van het ene op het andere moment een te grote stap zou zijn. Het gerecht zal daarom voor de komende periode een opbouwregeling vaststellen, aansluitend op de regeling die nu wordt uitgevoerd, zoals weergegeven hierna onder de beslissing.

4.11.

Daarbij zal het gerecht ook een regeling vaststellen voor (video)belcontact tussen de minderjarige en de ouder waar hij niet verblijft. Daarbij neemt het gerecht mee de ter zitting door de moeder uitgesproken wens, dat zij het (video)belcontact met de minderjarige privé wenst te hebben. Dat betekent dat de ouders de minderjarige de gelegenheid moeten bieden om in een aparte ruimte met de andere ouder te (video)bellen.

4.12.

Voor een wijziging van de zorgregeling waar het gaat om bijzondere dagen en vakanties, ziet het gerecht in het aangevoerde geen aanleiding. Voor zover de moeder heeft verzocht om de vakantieregeling aan te passen, opdat deze aansluit op de reguliere regeling, is dat verzoek met de te nemen beslissingen achterhaald, omdat ook de reguliere regeling uit zal gaan van een verdeling van de tijd bij de ouders bij helfte.

4.13.

In het door de vader aangevoerde ten slotte, ziet het gerecht thans geen grond om tot wijziging van het bepaalde bedrag aan kinderalimentatie te beslissen. De enkele stelling dat sprake zal zijn van co-ouderschap is daartoe onvoldoende. Partijen hebben geen inzicht gegeven in hun draagkracht, dan wel in de behoefte van de minderjarige. Het verzoek van de vader zal dan ook in zoverre worden afgewezen.

4.14.

De proceskosten zullen vanwege het familierechtelijke karakter van de procedure worden gecompenseerd.

Beslissing

5
De beslissing

Het gerecht:

5.1.

wijzigt de reguliere zorgregeling betreffende [Minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 te [geboorteplaats], in die zin dat:

- in de maanden november 2025 tot en met februari 2026 de minderjarige eens in de twee weken van donderdag na de opvang tot maandag voor school bij de vader verblijft en in de andere week verblijft hij van donderdag na de opvang tot vrijdag voor school bij de vader;

- in de maanden maart tot en met juni 2026 verblijft de minderjarige eens in de twee weken van woensdag na de opvang tot maandag voor school bij de vader en in de andere week verblijft hij van woensdag na de opvang (of vanaf de ochtend als hij een vrije dag heeft) tot vrijdag voor school bij de vader;

- vanaf het schooljaar 2026/2027 verblijft de minderjarige de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader, waarbij het wisselmoment maandagochtend zal zijn;

- op vrije dagen dienen de ouders in onderling overleg en met de nodige flexibiliteit een wisselmoment te bepalen;

5.2.

bepaalt dat er dagelijks privé telefonisch (video)contact is tussen de minderjarige en de ouder waar de minderjarige op dat moment niet verblijft op een tijdstip tussen de 18.00 en 19.00 uur;

5.3.

gelast de Voogdijraad een whatsappgroep met de ouders aan te

maken en daarop – tot in elk geval de aanvang van het schooljaar 2026/2027 – toezicht te houden;

5.4.

compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;

5.5.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

5.6.

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door Y.N. Pietersz, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2025.