Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:OGEAC:2026:111

Op 2 February 2026 heeft de Gerecht in eerste aanleg van Curaçao een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is CUR202501261, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAC:2026:111.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
CUR202501261
Datum uitspraak:
2 February 2026
Datum publicatie:
27 July 2026

Indicatie

Tussenvonnis verdeling na echtscheiding-omvang boedel-uitsluitingsclausule-privevermogen-rekening-courantschuld- verkapt loon.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO

Zaaknummer: CUR202501261

Vonnis van 2 februari 2026

in de zaak van

[Eiseres], wonend in [woonplaats],eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,gemachtigde: mr. M-J. Eisden,

tegen

[Gedaagde], wonend in [woonplaats],gedaagde in conventie,

eiser in reconventie,gemachtigde: mr. O.E. Kostrzewski.

Partijen worden hierna ook de vrouw en de man genoemd.

Procesverloop

1
Het procesverloop
1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

het tussenvonnis van 25 augustus 2025,

de akte van de vrouw van 29 september 2025,

de akte van de man van 29 september 2025,

de aanvullende productie van de vrouw van 3 oktober 2025,

de aanvullende producties van de vrouw van 1 december 2025,

de aanvullende producties van de man van 1 december 2025,

de mondelinge behandeling op 4 december 2025,

de pleitnotities van partijen.

1.2.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2
De feiten
2.1.

Partijen zijn op [huwelijksdatum] 1998 in gemeenschap van goederen getrouwd.

2.2.

De man heeft op 13 april 2023 een verzoek tot echtscheiding ingediend. De echtscheiding is bij beschikking van het gerecht van 26 oktober 2023 uitgesproken. De beschikking is op 11 december 2023 ingeschreven in de registers van de

burgerlijke stand.

2.3.

In de echtscheidingsbeschikking is notaris mr. E. Steenbaar benoemd tot

notaris ten overstaan van wie de werkzaamheden der verdeling zullen plaatsvinden, voor het geval partijen niet binnen een maand na de uitspraak geen overeenstemming kunnen bereiken over de keuze van een notaris.

2.4.

De verdeling ten overstaan van de notaris is niet tot stand gekomen.

3
Het geschil

In conventie

3.1.

De vrouw heeft het gerecht verzocht om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. de omvang en de wijze van verdeling van de ontbonden huwelijks-

goederengemeenschap (hierna: gemeenschap) vast te stellen,

2. een boedelnotaris te benoemen,

3. te bepalen dat het in deze te wijzen vonnis op grond van artikel 3:301 BW in de plaats treedt van de daarop te baseren notariële akte van verdeling annex levering, in het geval de man zijn medewerking niet wenst te verlenen,

4. de man te bevelen om binnen dertig dagen na betekening van het vonnis volledige medewerking te verlenen aan de verdeling van de gemeenschap, op straffe van een dwangsom van Cg 5.000 per dag, met een

maximum van Cg 2.000.0000,

5. kosten rechtens.

3.2.

De man heeft verweer gevoerd.

In reconventie

3.3.

In reconventie heeft de man verzocht dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. beveelt dat de vrouw inzage geeft in financiële bescheiden met betrekking tot haar eenmanszaak [bedrijf 1],

2. de peildatum ter vaststelling van de omvang en de waarde van de gemeenschap vaststelt op 31 december 2020, althans 13 april 2023,

3. voor recht verklaart dat de aandelen in [bedrijf 2], [bedrijf 3], [bedrijf 4]en [bedrijf 5] op grond van de uitsluitingsclausule in het testament van de moeder van de man buiten de

gemeenschap vallen,

4. voor recht verklaart dat de gelden die door [bedrijf 2] aan

partijen zijn geleend ter zake de aankoop en/of renovatie van de

echtelijke woning een gemeenschapsschuld betreffen die aan [bedrijf 2] moeten worden terugbetaald en derhalve in mindering

dienen te worden gebracht op de netto-opbrengst na de verkoop van de

echtelijke woning,

5. voor recht verklaart dat uit de nalatenschap afkomstige voor de echtelijke woning aangewende gelden aan de man moeten worden terugbetaald en in mindering moeten worden gebracht op de te verdelen netto-opbrengst na verkoop van de woning,

6. de ontbonden gemeenschap tussen partijen te verdelen,

7. bepaalt dat het in deze te wijzen vonnis in de plaats treedt van de

medewerking van de vrouw,

8. kosten rechtens.

3.4.

De vrouw heeft verweer gevoerd in reconventie.

3.5.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

Overwegingen

4
De beoordeling
4.1.

Vanwege de samenhang zullen de vorderingen in conventie en reconventie

gezamenlijk worden behandeld.

Ontvankelijkheid

4.2.

Partijen kunnen worden ontvangen in hun vorderingen, nu is gebleken dat

de notaris geen aanvang heeft gemaakt met de verdeling.

Toepasselijk recht

4.3.

Partijen zijn het eens dat het Nederlandse recht van toepassing is.

Juridisch kader

4.4.

In zaken als de onderhavige geldt als uitgangspunt dat partijen niet gehouden zijn om in een onverdeelde gemeenschap te blijven.

4.5.

Beide partijen hebben als deelgenoten in beginsel (behoudens wettelijke uitzonderingen) recht op de helft van de waarde van de gemeenschap (artikel 1:100 BW). Op grond van artikel 3:179 lid 1 BW kan een deelgenoot verlangen dat ook de voor rekening van de gemeenschap komende schulden in de verdeling worden begrepen.

4.6.

Als de deelgenoten in een gemeenschap geen overeenstemming over de verdeling van een gemeenschap kunnen bereiken kan de rechter de verdeling daarvan op grond van artikel 3:185 lid 1 BW vaststellen. Daarbij dient, zoals in dat artikel is bepaald, naar billijkheid rekening te worden gehouden met de belangen van partijen en het algemeen belang. De rechter die de verdeling vaststelt, geniet een mate van vrijheid en is niet gebonden aan hetgeen partijen over en weer hebben gevorderd en hij behoeft niet expliciet in te gaan op hetgeen partijen aanvoeren. (Voetnoot 1)

Peildata

4.7.

Op grond van artikel 1:99, aanhef en onder b, BW dient 13 april 2023, de

datum van het echtscheidingsverzoek, te gelden als de peildatum voor de omvang van de gemeenschap. Als peildatum voor de waarde van de gemeenschap geldt in de regel de datum van de verdeling. Dit is slechts anders als (i) partijen een andere datum zijn overeengekomen, of (ii) als op grond van redelijkheid en billijkheid een andere datum moet worden aanvaard. (Voetnoot 2) Gelet hierop zal het gerecht voor de waardering uitgaan van de datum van verdeling, tenzij hierna anders wordt overwogen.

Omvang van de gemeenschap

4.8.

Partijen zijn het eens dat tot de ontbonden gemeenschap behoort:

Activa

- de woning en de daaraan gekoppelde hypothecaire lening,

- de aan de hypothecaire lening gekoppelde overlijdensrisico-

verzekeringen bij Sagicor,

- de inboedel van de woning, auto’s, boot, motoren, mountainbike,

- de pensioenvoorzieningen van de man en de vrouw,

- de saldi van de bankrekeningen van de man en de vrouw,

- de eenmanszaak van de vrouw: [bedrijf 1] (behoudens ten aanzien van de peildatum),

Passiva

- de schuld op naam van de man bij de belastingdienst (OZB en MRB),

- de lening van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1].

4.9.

Partijen zijn het oneens over:

Activa

- de ondernemingen van de man: [bedrijf 2], [bedrijf 3], [bedrijf 4], [bedrijf 5], [bedrijf 6],

- de garageboxen in [plaats],

- MCB-rekening met nummer [nummer 1],

- MCB-Mastercard met eindnummer [nummer 2],

Passiva

- de lening bij de broer van de man, dhr. [belanghebbende 1],

- de belastingschulden van [bedrijf 2] en [bedrijf 4],

- de rekening-courantschuld bij [bedrijf 2],

- de lening bij dhr. [belanghebbende 2].

Bestanddelen waarover (t.a.v. de waarde) overeenstemming bestaat

Activa

Woning en de hypothecaire lening bij RBC Royal Bank N.V.

4.10.

Partijen zijn het eens dat de echtelijke woning, plaatselijk bekend als [woning], en blijkens het taxatierapport van 29 september 2025 getaxeerd op Cg 1.775.000, dient te worden verkocht, waarna de overwaarde (dan wel het tekort) na aflossing van de hypothecaire lening, bij helfte tussen partijen dient te worden verdeeld.

4.11.

Het gerecht draagt de man op een onderbouwde opgave van de actuele

hoogte van de hypotheekschuld te overleggen.

Aan de hypothecaire lening gekoppelde overlijdensrisicoverzekeringen bij Sagicor

4.12.

De man heeft gesteld dat deze verzekeringen ([verzekering 1] en [verzekering 2],

gekoppeld aan de hypothecaire lening, geen afkoop- of restwaarde vertegenwoordigen en komen te vervallen bij verkoop van de woning. De vrouw heeft verzocht om inzage in de betreffende polissen.

4.13.

Ter bepaling van de waarde van de overlijdensrisicoverzekeringen draagt het

gerecht de man op de polissen te overleggen.

Inboedel, auto’s, boot, motoren en mountainbike

4.14.

Partijen hebben elk een inboedellijst overgelegd. Zij hebben ter zitting verklaard dat alles wat daarop staat is verdeeld en dat zij dienaangaande over een weer niets meer van elkaar te vorderen hebben. Een beslissing van het gerecht is dus niet meer nodig en deze vorderingen worden als ingetrokken beschouwd.

Pensioenen

4.15.

Partijen zijn het eens dat de tijdens het huwelijk opgebouwde

pensioenrechten bij Guardian Group / Fatum Life N.V. (polisnummers [polisnummer 1] en [polisnummer 2]) en [bedrijf 6], bij helfte dienen te worden verdeeld. De man heeft verklaard hiertoe actuariële berekeningen te zullen laten maken.

4.16.

De man wordt opgedragen de actuariële berekeningen van de waarde van

de pensioenrechten per peildatum 13 april 2023 te overleggen.

Bankrekeningen

4.17.

Partijen zijn het eens dat de saldi van de volgende bankrekeningen bij helfte

dienen te worden verdeeld:

MCB met eindnummer [nummer 3] t.n.v. de vrouw

MCB met eindnummer [nummer 4] t.n.v. [bedrijf 1]

MCB met eindnummer [nummer 5] t.n.v. de man

4.18.

Het gerecht gaat voor de saldi op de bankrekeningen uit van peildatum 13

april 2023. Op deze datum is het saldo op de rekening van [bedrijf 1]

Cg 46.320,82 en op de rekening van de man Cg 2.669,48.

4.19.

De vrouw heeft geen gegevens verstrekt over het saldo op de peildatum van

de rekening op haar naam. Het gerecht draagt haar op een saldo-overzicht op peildatum 13 april 2023 te overleggen.

Passiva

Schuld bij de belastingdienst (OZB en MRB)

4.20.

Partijen zijn het eens dat deze schuld op naam van de man in de

gemeenschap valt. De schuld bedraagt blijkens het door de man overgelegde overzicht van 14 oktober 2025 het bedrag van Cg 6.526.

Lening van [bedrijf 2] aan [bedrijf 1]

4.21.

Partijen zijn het eens dat deze schuld, ten bedrage van Cg 110.562,31,

behoort tot de gemeenschap en aan de vrouw dient te worden toegedeeld, waarbij de man is gehouden haar de helft van dit bedrag te voldoen (Cg 55.281,55).

Bestanddelen waarover (t.a.v. de waarde) geen overeenstemming bestaat

Activa

[bedrijf 2], [bedrijf 3], [bedrijf 4], [bedrijf 5],

[bedrijf 6]

4.22.

De man stelt zich op het standpunt dat deze ondernemingen niet in de

gemeenschap vallen omdat zij zijn opgericht met (de vruchten van) gelden afkomstig uit de erfenis van zijn op [overlijdensdatum] 2002 overleden moeder, [overledene], die hij onder uitsluitingsclausule vanuit de daartoe opgerichte trust heeft verkregen. De vrouw stelt dat de ondernemingen tot de gemeenschap behoren.

4.23.

In het testament van 25 oktober 2002 van de moeder van de man staat:

IV. UITSLUITINGSCLAUSULE

Ik bepaal dat wat door of ten gevolge van mijn overlijden wordt verkregen buiten enige gemeenschap van goederen zal blijven waarin een verkrijger gehuwd is of zal zijn of ten gevolge van geregistreerd partnerschap voor de verkrijger is ontstaan of zal ontstaan en niet betrokken zal worden in enig deelgenootschap of verrekenbeding. Ditzelfde geldt ook voor de vruchten en hetgeen als gevolg van zaaksvervanging uit het geërfde vermogen wordt verkregen.

4.24.

In artikel 1:94 lid 2 sub a BW (oud) en 1:94 lid 4 BW is bepaald dat goederen

alsmede de vruchten van die goederen buiten de gemeenschap blijven als dat bij uiterste wilsbeschikking is bepaald. Volgens de Hoge Raad heeft de wil van de erflater die aan een nalatenschap een uitsluitingsclausule heeft verbonden dwingendrechtelijke betekenis.  (Voetnoot 3) Dit betekent dat de man niet tegen de wil van de overledene (de waarde van) de nalatenschap in de gemeenschap met de vrouw kan brengen, zelfs al zou hij deze bedoeling hebben gehad.

4.25.

In artikel 1:124 lid 2 BW (oud) en artikel 1:95 lid 1 BW is bepaald dat

een goed dat een echtgenoot anders dan om niet verkrijgt, buiten de gemeenschap blijft indien de tegenprestatie bij de verkrijging van dit goed voor meer dan de helft ten laste komt van zijn eigen vermogen. Met andere woorden: hetgeen ter belegging of wederbelegging van buiten de gemeenschap vallende gelden is gekocht komt in privé toe aan de betreffende echtgenoot. Ook de via zaaksvervanging verkregen goederen blijven in dat geval buiten de gemeenschap.

4.26.

Het gerecht is, op basis van de kwitantie van 9 januari 2003 ter zake de

oprichting van [bedrijf 2], de oprichtingsakte van [bedrijf 2] (ondanks dat daarop de datum ontbreekt), de afschriften waaruit blijkt dat op

31 maart 2003 vanuit een trustrekening bij ABN AMRO geld is overgemaakt naar MCB-rekening nummer [nummer 1] ten name van [bedrijf 2] (welke rekening daarvoor geen saldo bevatte), het afschrift van het aandeelhoudersregister en het uittreksel van de Kamer van Koophandel waaruit het geplaatste en gestorte kapitaal blijkt, alsmede de gegeven toelichting, van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat is voldaan aan de volstortingsplicht en dat dit is gedaan met middelen uit de erfenis die onder een uitsluitingsclausule zijn verkregen. Voorts acht het gerecht voldoende aannemelijk gemaakt, gezien de oprichtingsaktes en de uittreksels van de aandeelhoudersregisters, dat de overige ondernemingen voortkomen uit middelen die afkomstig zijn uit de opbrengsten van [bedrijf 2], zodat ook de aandelen in deze rechtspersonen moeten worden geacht te zijn volgestort met gelden die direct dan wel indirect uit de nalatenschap afkomstig zijn. Dit leidt het gerecht tot het oordeel dat zowel de aandelen in [bedrijf 2] als de aandelen in de overige ondernemingen tot het privévermogen van de man behoren en derhalve buiten de gemeenschap vallen. De ondernemingen zullen om die reden niet in de verdeling worden betrokken.

Eenmanszaak van de vrouw [bedrijf 1]

4.27.

Partijen zijn het eens dat de eenmanszaak van de vrouw behoort tot

de gemeenschap en aan de vrouw kan worden toegedeeld onder verrekening van de waarde. Partijen zijn het oneens over de peildatum.

4.28.

Een eenmanszaak is geen goed (in de zin van art. 3:1 BW) dat in de

gemeenschap valt. De eenmanszaak kan dus ook niet aan een van de echtgenoten worden toegedeeld of bij helfte worden verdeeld. De eenmanszaak is een rechtsvorm, zonder afgescheiden vermogen, waarin een onderneming kan worden gedreven. Wanneer een van de echtgenoten tijdens het huwelijk een onderneming start, zoals in het onderhavige geval is gebeurd, dan valt niet de eenmanszaak of de onderneming in de gemeenschap, maar het ondernemingsvermogen. Met dat laatste wordt bedoeld het geheel van activa en passiva dat dienstbaar is aan de activiteit van het ondernemen. Ondernemingsvermogen is als zodanig evenmin een goed in de zin van art. 3:1 BW.

4.29.

Met betrekking tot de afzonderlijke activa en passiva die tot het

ondernemingsvermogen behoren, geldt als uitgangspunt dat enkel de activa in de gemeenschap vallen en in aanmerking komen voor verdeling en dat met betrekking tot de schulden de echtgenoten ieder voor de helft draagplichtig zijn. Om toe te kunnen komen aan waardering van de eenmanszaak in zijn geheel moet dus eerst duidelijkheid bestaan over wat behoort tot het ondernemingsvermogen.

4.30.

Zoals in het kader van de waardering van ondernemingen gebruikelijk is zal

worden aangesloten bij de datum van de ontbinding van de gemeenschap. Als peildatum voor zowel de omvang als de waardering van de eenmanszaak zal het gerecht daarom 13 april 2023 bepalen. Het gerecht ziet geen aanleiding hiervan, zoals door de man is verzocht, af te wijken en 31 december 2020 als peildatum te hanteren, enkel omdat de vrouw in haar aangifte IB over 2021 zou hebben gemeld dat zij toen reeds gescheiden was. Voorts wordt overwogen dat de aard van de onderneming, de omstandigheid dat de vrouw de onderneming na de ontbinding van de gemeenschap zelfstandig heeft gedreven en dat winsten en verliezen daardoor een directe relatie hebben met haar persoonlijke inspanningen, voornoemde peildatum rechtvaardigt. (Voetnoot 4)

4.31.

Het gerecht ziet op grond van het karakter van de eenmanszaak, de

overgelegde Aangifte IB 2022, de definitieve aanslagen, de bankafschriften en de winst- en verliesrekeningen over 2021 en 2023 geen aanleiding een deskundige te benoemen en zal de waarde van de eenmanszaak, op peildatum 13 april 2023, bepalen op het saldo op de hiervoor genoemde MCB-rekening van [bedrijf 1], te weten Cg 46.320,82. Zoals hiervoor onder 4.17 vermeld zijn partijen het eens dat dit bij helfte dient te worden verdeeld.

Garageboxen in [plaats]

4.32.

De man heeft gesteld dat de twee garageboxen in [plaats] niet tot de

gemeenschap behoren omdat deze zijn geërfd van zijn moeder, onder de in haar testament opgenomen uitsluitingsclausule. De vrouw maakt aanspraak op de helft van de waarde van de garageboxen.

4.33.

Het gerecht draagt de man op te onderbouwen dat hij de garageboxen onder

een uitsluitingsclausule uit de nalatenschap van zijn moeder heeft verkregen en een onderbouwing te geven van de actuele waarde van de garageboxen.

MCB-rekening [nummer 1]

4.34.

De vrouw heeft gesteld dat de MCB-rekening met nummer [nummer 1] in de

verdeling dient te worden betrokken. De man heeft verklaard dat deze rekening op naam van [bedrijf 2] staat en daarom buiten de gemeenschap valt.

4.35.

Het gerecht heeft op grond van de stukken vastgesteld dat deze

rekening inderdaad op naam van [bedrijf 2] staat, zodat deze buiten de verdeling valt (zie onder 4.26).

MCB-Mastercard

4.36.

De vrouw heeft verklaard dat zij kennis draagt van het bestaan van een

MCB-Mastercard met eindnummer [nummer 2], maar dat zij niet beschikt over afschriften en niet bekend is met het saldo.

4.37.

Het gerecht draagt de man op een opgave te verstrekken van het saldo van

de MCB-Mastercard op peildatum 13 april 2023, onder overlegging van de daarbij behorende afschriften.

Passiva

Rekening-courantschuld bij [bedrijf 2]

4.38.

De man stelt zich op het standpunt dat de rekening-courantschuld bij [bedrijf 2] in de gemeenschap valt. Hij heeft een overzicht van de rekening-couranttransacties overgelegd en toegelicht dat de opgenomen gelden zijn aangewend voor de gezamenlijke huishouding van partijen. De man stelt dat hij vanuit zijn ondernemingen niet in staat is de rekening-courantschuld af te lossen, nu zij geen ruimte bieden voor dividenduitkeringen. De vrouw stelt dat nu de man geen enkel inzicht heeft gegeven in zijn bedrijfsvoering, en -resultaten, niet is aangetoond dat aflossing niet mogelijk was vanuit de ondernemingen en voorts dat de man de gemeenschap heeft benadeeld door zichzelf structureel een te laag salaris toe te kennen.

4.39.

Het gerecht stelt voorop dat van een directeur-grootaandeelhouder die

leiding geeft aan meerdere ondernemingen mag worden verwacht dat hij zich, binnen de financiële mogelijkheden van die ondernemingen, een reëel en marktconform salaris toekent. Daarbij is niet uitsluitend het formeel toegekende loon van belang, maar tevens of de gekozen beloningsstructuur aansluit bij hetgeen in vergelijkbare ondernemingen gebruikelijk is. Tegen deze achtergrond acht het gerecht een nettosalaris van circa Cg 6.576 per maand, zoals is gebleken uit de stukken, te laag om te worden aangemerkt als een passende vergoeding. Dit geldt temeer nu ook uit de stukken blijkt dat uit een voorlopige berekening van de man van de winstbelasting over de jaren 2020–2023 een bedrag van Cg 945.000 volgt, hetgeen duidt op substantiële winsten binnen de ondernemingen. Daarbij heeft de man, ondanks het lage formele salaris, gedurende meerdere jaren aanzienlijke bedragen aan de ondernemingen onttrokken via de rekening-courantverhouding, welke schuld op peildatum 13 april 2023 Cg 3.652.266,14 bedraagt. Het langdurig kunnen handhaven van een rekening-courantpositie van deze omvang vormt eveneens een aanwijzing dat de ondernemingen beschikten over voldoende financiële ruimte. Het gerecht volgt gelet hierop het standpunt van de vrouw dat reguliere beloningsvormen, zoals een marktconform salaris of dividenduitkeringen, niet bij voorbaat waren uitgesloten en dat de man er bewust voor heeft gekozen zijn beloning vorm te geven via rekening-courantopnamen. Deze kunnen derhalve worden aangemerkt als verkapt loon, althans als een onzakelijke beloningsstructuur, waardoor de gemeenschap is benadeeld. Onder deze omstandigheden acht het gerecht het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om de rekening-courantschuld ten laste van de gemeenschap te brengen. Dit te meer nu, zoals hiervoor is overwogen, de onderneming zelf niet in de gemeenschap valt maar geheel tot het privévermogen van de man behoort.

Belastingschulden [bedrijf 2] en [bedrijf 4]

4.40.

De man heeft verklaard dat dit bedrijfsschulden zijn, waarvoor hij op grond

van de belastingwetgeving ook persoonlijk aansprakelijk kan worden gesteld. Indien de man persoonlijk aansprakelijk wordt gesteld dan valt de schuld volgens hem in de gemeenschap. De vrouw stelt zich op het standpunt dat de schulden horen bij de bedrijven van de man.

4.41.

Nu niet is gebleken, en door de man ook niet nader is onderbouwd, dat hij

ten aanzien van voornoemde — dan wel andere, niet nader gespecificeerde — ondernemingsgerelateerde belastingschulden persoonlijk aansprakelijk is of zal worden gesteld, behoren de belastingschulden van [bedrijf 2] en [bedrijf 4] niet tot de gemeenschap en zullen zij niet in de verdeling worden betrokken.

Lening bij de broer van de man, dhr. [belanghebbende 1]

4.42.

De man heeft verklaard dat deze lening, aangegaan op 1 februari 2021,

behoort tot de gemeenschap. De hoogte van de schuld bedraagt volgens de man thans EUR 600.000. De lening is volgens de man aangewend voor de woning, kosten van de huishouding en voor de aflossing van de rekening-courantschuld bij [bedrijf 2] De vrouw stelt zich op het standpunt dat de schuld verband houdt met de ondernemingen van de man. Zij verzoekt om een onderbouwing van de daadwerkelijke ontvangst van de lening alsmede om een overzicht van de actuele omvang en de tot heden verrichte aflossingen.

4.43.

Het gerecht stelt vast dat de overeenkomst van geldlening door de man is

getekend. De lening betreft een bedrag van EUR 600.000, welk bedrag blijkens de overeenkomst is samengesteld uit een reeks van eerder verstrekte leningen, waarvan een deel is uitbetaald op een (niet nader geduide) rekening bij de RBC Bank. In de overeenkomst staat dat de lening uitsluitend is bedoeld voor de aanschaf van handelsgoederen, machines en linnen. Ook staat in de overeenkomst dat [bedrijf 2], [bedrijf 5] en [bedrijf 4] als dekking worden gegeven.

4.44.

Gelet op de inhoud en strekking van de overeenkomst, waaruit blijkt dat de

lening is aangegaan ten behoeve van ondernemingen van de man, het geld kennelijk op een zakelijke rekening is gestort, de omstandigheid dat [bedrijf 2], [bedrijf 5] en [bedrijf 4] als zekerheid aan de lening zijn verbonden, alsmede het ontbreken van een onderbouwing van de door de man gestelde aanwending van de geleende gelden voor privédoeleinden, en in aanmerking genomen dat de vrouw heeft gesteld dat sprake is van een bedrijfsmatige lening, is het gerecht van oordeel dat de lening door de man (in zijn hoedanigheid van bestuurder) is aangegaan in het kader van zijn ondernemingsactiviteiten en, voor zover al door de man persoonlijk aangegaan, aan de man verknocht is. De lening behoort derhalve niet tot de gemeenschap en zal niet in de verdeling worden betrokken.

Lening van dhr. [belanghebbende 2] d.d. 21-09-2018

4.45.

De man stelt zich op het standpunt dat deze schuld, aangegaan op

21 september 2018, tot de gemeenschap behoort. De hoogte van de schuld bedraagt volgens de man thans EUR 470.000. De man heeft ten aanzien van deze lening verklaard dat deze is aangewend voor de woning, kosten van de huishouding en ter aflossing van de rekening-courant schuld bij [bedrijf 2] De vrouw heeft dit betwist en verzoekt om een onderbouwing van de ontvangst van de lening, de actuele omvang en de tot heden verrichte aflossingen. Zij stelt zich op het standpunt dat de schuld verband houdt met de bedrijven van de man.

4.46.

Het gerecht stelt vast dat de overeenkomst van geldlening door de man is

getekend “in rechte handelend namens [bedrijf 4] en [bedrijf 2]”. In artikel 1 van de overeenkomst staat voorts dat de lening voor een bedrag van EUR 270.000 in natura is verstrekt, in de vorm van machines en onderhouds- en installatiediensten, en daarnaast in de vorm van een geldbedrag van EUR 200.000. Nu de lening is aangegaan namens en ten behoeve van de ondernemingen van de man en niet is gebleken dat de lening voor de gemeenschap is gebruikt, oordeelt het gerecht ook ten aanzien van deze lening dat zij buiten de gemeenschap valt.

Slotsom

4.47.

Het gerecht zal de zaak verwijzen naar een hierna te bepalen datum voor

indiening van nadere stukken door partijen, zoals hiervoor genoemd. Daarna zal het gerecht (de wijze van) verdeling vaststellen.

4.48.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

Beslissing

5
De beslissing

Het gerecht:

5.1.

verwijst de zaak naar de maandagrol van 16 maart 2026 voor het overleggen van een akte door de man, zoals weergegeven onder 4.11, 4.13, 4.16, 4.33, 4.37 en een akte door de vrouw, zoals weergegeven onder 4.19,

5.2.

verwijst de zaak naar de maandagrol van 30 maart 2026 voor het nemen van een antwoordakte door partijen,

5.3.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.W.J. Vinkes, rechter, bijgestaan door de griffier, en in het openbaar uitgesproken.

Voetnoot

Voetnoot 1

HR 17 april 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2631

Voetnoot 2

HR 8 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY4279, r.o. 4.2.2

Voetnoot 3

HR 21 november 1980, NJ 181/193

Voetnoot 4

vgl. HR 6 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1378