2
Waar gaat deze zaak over?
2.1.
De bank vordert van [gedaagde] het restant terug van een persoonlijke lening, vermeerderd met rente en kosten. Die vordering heeft de volgende achtergrond.
2.2
Op 3 april 2013 heeft de bank aan een onderneming van [gedaagde], Rekha International NV, een commerciële lening verstrekt voor Cg 23.555,00. Op 19 februari 2014, na de sluiting van deze onderneming, heeft hij het openstaande saldo van die lening ad Cg 21.550,00 overgenomen. Dit bedrag zou worden terugbetaald in 149 maandelijkse termijnen van Cg 322,35 en, uiterlijk op 28 juli 2022, een laatste termijn van Cg 315,61.
2.3
De overeenkomst vermeldt een reguliere rente van 10% per jaar (effectieve rente 15,25%) over het restant van het nog niet opeisbare deel van deze lening, en 18% per jaar over achterstallige aflossingen.
2.4 [
gedaagde] heeft niet stipt aan zijn betalingsverplichtingen voldaan. Op 11 september 2017 is de ontstane achterstand nog wel ingelopen met een betaling van Cg 25.000,00, maar daarna is opnieuw een achterstand ontstaan.
2.5
Op 31 juli 2018 heeft de bank hem meegedeeld dat het openstaande saldo op dat moment Cg 4.909,50 beliep. [gedaagde] heeft toen met ingang van 28 augustus 2018 maandelijkse betalingen van Cg 500,00 toegezegd.
2.6
Hij heeft zich niet aan deze afspraak gehouden, en sindsdien is weer een betalingsachterstand ontstaan. Daarvan wordt veroordeling tot betaling gevorderd, te vermeerderen met een boeterente van 18% per jaar en – na een eisvermindering – 1,5 punt van het overeenkomstig het procesreglement toepasselijke liquiditeitstarief.
3
Het oordeel van het gerecht
3.1 [
gedaagde] erkent dat hij per augustus 2018 Cg 4.909 verschuldigd was. Hij vindt een rente van 15,25% na zijn betaling van Cg 25.000,00 echter te hoog en merkt op dat de bank hem indertijd niet heeft geschreven dat over het restant rente en boete in rekening zou worden gebracht als hij niet zou betalen. Uitgaande van een jaarlijkse renteverplichting van 18% over Cg 4.909,50 van telkens Cg 883,71 vanaf 2018, komt hij bovendien zelf uit op een achterstand in 2025 van slechts Cg 11.095,47 (4.909,50 + (7 x 883,71)).
3.2
Dat de rentepercentages moeten worden gehanteerd waar de bank vanuit gaat, blijkt naar het oordeel van het gerecht uit de door de bank overgelegde overeenkomst. Die rente is daarmee onvoldoende bestreden. Bovendien is de berekening die [gedaagde] op basis van dat boetepercentage heeft gemaakt onjuist. In de loop van de jaren is namelijk weliswaar steeds hetzelfde boetepercentage verschuldigd geweest, maar - doordat rente op rente wordt berekend - niet steeds hetzelfde bedrag aan boete.
3.3
Ook de berekeningen van de bank kan het gerecht niet in alle gevallen volgen. Zij heeft uitgerekend dat de achterstand per 6 augustus 2024 (althans per dagtekening van het verzoekschrift op 18 september 2024) Cg 18.959,39 beliep. Dat saldo is in het verzoekschrift ook gevorderd.
3.4
Later in de procedure beweert de bank dat de achterstand per 27 oktober 2025 zou zijn opgelopen tot in totaal Cg 22.638,59. In een op 13 juni 2025 (dus voor die datum) gedateerde akte werd echter uitgegaan van een grotere achterstand van in totaal Cg 24.239,74, terwijl nadien geen betalingen zijn gedaan. Wat met name ontbreekt, is een begrijpelijke toelichting op een bij het bedrag van Cg 24.239,74 inbegrepen negatief saldo in rekening-courant van Cg 2.730,14. Daarvan was eerder nog geen sprake. Kennelijk heeft de bank haar incasso- en proceskosten ten laste van [gedaagde] in rekening-courant geboekt. Waarop dat is gebaseerd, en hoe zich dit verhoudt tot de ook afzonderlijk gevorderde incassokosten- en proceskostenveroordeling, wordt niet toegelicht.
3.5
Het voorgaande neemt niet weg dat het per dagtekening van het verzoekschrift openstaande saldo van Cg 18.959,39 onvoldoende is bestreden. Dat bedrag is dus toewijsbaar.
3.6
Wat de boeterente betreft: in het verzoekschrift wordt die over Cg 18.959,39 gevorderd vanaf 13 mei 2014. Dat is evenmin te begrijpen, omdat de tot aan het verzoekschrift verschuldigde boete al in de hoofdsom is verdisconteerd. De boete zal worden toegewezen vanaf de datum van dit vonnis.
3.7
De gevorderde buitengerechtelijke incassokosten acht het gerecht in overeenstemming met het procesreglement toewijsbaar tot 1,5 punt van het toepasselijke liquidatietarief. Dit komt neer op een bedrag van Cg 1.500,00.
3.8
Omdat [gedaagde] grotendeels in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij veroordeeld in de proceskosten. De kosten van de bank worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 300,00 aan griffierecht, Cg 1.067,94 (Cg 335,58 + Cg 366,18 + Cg 366,18) aan oproepingskosten en Cg 4.000 (4 punten in tarief 4) aan gemachtigdensalaris.
3.9
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
Beslissing
4.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan de bank van Cg 18.959,39, vermeerderd met een boeterente van 18% per jaar vanaf de datum van dit vonnis tot aan de dag van betaling;
4.2.
veroordeelt [gedaagde] om aan de bank Cg 1.500,00 te voldoen aan buitengerechtelijke incassokosten;
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van de bank van Cg 5.367,94, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;
4.4.
bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
4.6.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.