GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
RAGING RHINO N.V.,
gevestigd in Curaçao, eiseres in conventie,
verweerster in reconventie, gemachtigde: mrs. N. Blokland, R.F. van den Heuvel en R.L. Mogen,
tegen
[Gedaagde],
wonende in [woonplaats], gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie, gemachtigde: mr. E. Bokkes.
Partijen worden hierna Raging Rhino en [gedaagde] genoemd.
3.1.
Raging Rhino exploiteert een online casino in Curaçao onder de licentie van een vergunninghouder in Curaçao.
3.2. [
gedaagde] heeft in Oostenrijk in een online casino van Raging Rhino gespeeld. Nadat haar is gebleken dat het casino in Oostenrijk niet over de voor het aanbieden van online-gokdiensten benodigde vergunning beschikt, is zij in Oostenrijk een procedure gestart tegen Raging Rhino om het geld dat zij heeft verloren terug te vorderen.
3.3.
In een vonnis van het Landesgericht für zivilrechtssachen Wien (het Landesgericht) van 29 februari 2024 is de vordering van [gedaagde] toegewezen en is Raging Rhino veroordeeld om aan [gedaagde] haar verliezen te betalen van in totaal € 19.106,00 met rente en kosten.
3.4.
Het Oberlandesgericht Wien heeft het door Raging Rhino daartegen ingestelde hoger beroep op 3 mei 2024 verworpen en Raging Rhino veroordeeld in de proceskosten van [gedaagde].
4
De vorderingen in conventie en in reconventie
4.1.
Raging Rhino vordert dat het gerecht voor recht verklaart dat de Oostenrijkse vonnissen die als productie één en twee zijn overgelegd, zich hier te lande niet voor erkenning lenen, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van dit geding.
4.2. [
gedaagde] vordert – samengevat en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - om Raging Rhino te veroordelen om [gedaagde] te betalen op de voet van artikel 431 lid 2 Rv al hetgeen waartoe Raging Rhino in de onderhavige Oostenrijkse vonnissen is veroordeeld.
Overwegingen
5.1.
Gelet op de onderlinge samenhang zullen de vorderingen in conventie en in reconventie gezamenlijk worden beoordeeld.
5.2.
In deze zaak is de vraag aan de orde of de vorderingen uit de Oostenrijkse vonnissen al dan niet kunnen worden erkend in Curaçao en of Raging Rhino moet worden veroordeeld tot betaling van hetgeen waartoe zij in de Oostenrijkse vonnissen reeds is veroordeeld. Dit is een procesrechtelijke vraag die naar Curaçaos recht wordt beoordeeld.
5.3.
Aangezien tussen Curaçao en Oostenrijk geen verdragen zijn gesloten op het punt van de erkenning en tenuitvoerlegging van Oostenrijkse beslissingen wordt de erkenning en tenuitvoerlegging beheerst door het commune internationale privaatrecht. In dit verband is artikel 431 Rv van belang en de uitleg en erkenningsregels die de Hoge Raad heeft ontwikkeld in zijn Gazprombank-arrest (Voetnoot 1).
Op grond van artikel 431 lid 2 Rv kan het geding dat ten overstaan van de buitenlandse rechter heeft plaatsgevonden en tot diens beslissing heeft geleid, opnieuw bij de Curaçaose rechter worden behandeld en afgedaan. Als dit zich voordoet zoals in onderhavig geval, dan dient de Curaçaose rechter te beoordelen of en in hoeverre hij, gelet op de omstandigheden van het hem voorgelegde geval, aan een beslissing van de buitenlandse rechter gezag toekent.
5.4.
Bij de beoordeling of aan een beslissing van de Oostenrijkse rechter gezag toekomt, moet worden getoetst of aan de vereisten zoals die uiteen zijn gezet in het hiervoor vermelde Gazprombank-arrest is voldaan. Wanneer is voldaan aan de vier hierna te vermelden voorwaarden, kan het buitenlandse vonnis worden erkend en komt aan die beslissing gezag toe, in die zin dat de gebondenheid van partijen aan die buitenlandse beslissing tot uitgangspunt moet worden genomen. Het gaat om de volgende voorwaarden:
(i) de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is; (ii) de buitenlandse beslissing tot is stand gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging;
(iii) de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Curaçaose openbare orde; en
(iv) de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Curaçaose rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Curaçao vatbaar is.
5.5.
Tussen partijen is niet in geschil dat aan de vereisten onder i, ii en iv is voldaan en ook het gerecht is niet gebleken dat dit anders zou zijn. In deze zaak is uitsluitend in geschil of is voldaan aan het vereiste als hiervoor vermeld onder (iii), namelijk of de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Curaçaose openbare orde.
5.6.
Raging Rhino stelt dat dit niet het geval is en voert daartoe aan dat de vordering van [gedaagde] onder het bereik van de artikelen 7A:1807 en 7A:1810 Burgerlijk Wetboek valt, dat dit regels van Curaçaose openbare orde zijn en dat erkenning van de Oostenrijkse vonnissen met die regels van openbare orde onverenigbaar is en dat de vonnissen daarom hier te lande niet kunnen worden erkend. Volgens Raging Rhino is de ratio achter de regeling dat het onwenselijk is dat de rechtsmacht wordt belast met rechtsvorderingen ter zake van een schuld die zijn voorgesproten uit spel of uit weddenschap.
5.7.
Het gerecht volgt het betoog van Raging Rhino niet en overweegt daartoe als volgt.
5.8.
Volgens vaste rechtspraak moet de rechter bij het beantwoorden van de vraag of het erkennen van een buitenlands vonnis in strijd is met de Curaçaose (materiële) openbare orde zeer terughoudend zijn. Niet snel zal sprake zijn van strijd met de openbare orde. Er moeten bijzondere omstandigheden zijn die de conclusie rechtvaardigen dat erkenning in het betreffende geval achterwege moet blijven. De openbare orde is alleen in het geding als de erkenning en tenuitvoerlegging in strijd komen met rechtsbeginselen die voor fundamenteel moeten worden gehouden in de Curaçaose rechtsorde. Fundamentele rechtsbeginselen zijn bijvoorbeeld beslissingen die in strijd zijn met het non-discriminatiebeginsel. (Voetnoot 2)
5.9.
Dat de wetgever volgens Raging Rhino de rechtsmacht niet heeft willen belasten betreft naar het oordeel van het gerecht geen fundamenteel rechtsbeginsel. Voorts valt niet in te zien dat de artikelen 7A:1807-7A:1810 BW van (materieelrechtelijke) openbare orde zijn. Te meer niet nu door het Curaçaose Gemeenschappelijke Hof van Justitie naar Curaçaos recht is geoordeeld, en door de Hoge Raad is bevestigd, dat de regulering van gokdiensten door de Landsverordeningen Hazardspelen meebrengt dat de artikelen 7A:1807 en 7A:1810 BW buiten toepassing moeten worden gelaten, dat een spelovereenkomst ook naar het recht van Curaçao nietig is als de organisator geen vergunning heeft voor het aanbieden van de gokdiensten en dat de vordering uit onverschuldigde betaling van de speler, die van deze nietigheid het gevolg is, niet onder de artikelen 7A:1807- en 7A:1810 BW valt (Voetnoot 3). De invoering door de wetgever van een nieuwe Landsverordening op kansspelen (Voetnoot 4) heeft hierin geen wijziging gebracht, omdat deze niet het openbare orde aspect van de betreffende artikelen raakt.
5.10.
Verder is het voor de vraag of het Oostenrijkse vonnis in Curaçao kan worden erkend niet relevant dat een vordering zoals [gedaagde] die in Oostenrijk heeft ingesteld onder het Curaçaose recht (mogelijk) niet zou worden toegewezen omdat het recht hier te lande anders luidt. Erkenning van een buitenlandse beslissing wordt niet onthouden als de Curaçaose rechter, op grond van Curaçaos recht, anders zou hebben beslist. Wanneer naar Curaçaos recht zou moeten worden geoordeeld dat de artikelen 7A:1807-1810 BW dwingendrechtelijk van toepassing zijn en ambtshalve moeten worden toegepast door de rechter en, anders dan naar Oostenrijks recht, een kansspelovereenkomst niet nietig is als niet over de voor het aanbieden van gokdiensten benodigde vergunning wordt beschikt, staat dat dus niet aan erkenning van het vonnis in de weg.
5.11.
Overigens mag hierbij niet uit het oog worden verloren dat Raging Rhino een gokverbod heeft overtreden door gokdiensten in Oostenrijk aan te bieden zonder in Oostenrijk over de daarvoor benodigde vergunning te beschikken. Het niet kunnen terugvorderen van de inzet bij een illegaal opererend casino zou in strijd zijn met het doel van het gokverbod. Eventuele verstrekkende gevolgen van de erkenning van de Oostenrijke vonnissen in die zin dat spelers dan ‘gratis’ kunnen spelen, waarvoor Raging Rhino stelt bang te zijn, kan zij voorkomen door niet zonder een in het buitenland vereiste vergunning, en dus legaal, gokspelen aan te bieden.
Conclusie en proceskosten
5.12.
De conclusie van het bovenstaande is dat de Oostenrijkse vonnissen van 29 februari 2024 en 3 mei 2024 op de voet van artikel 431 lid 2 Rv in Curaçao kunnen worden erkend. De vordering in conventie zal derhalve worden afgewezen.
5.13.
Uitgangspunt is dat na de erkenning geen inhoudelijke beoordeling meer hoeft plaats te vinden en dat volstaan kan worden met een veroordeling van Raging Rhino tot datgene waartoe zij bij de buitenlandse beslissing is veroordeeld. Het gerecht zal daarom de reconventionele vordering toewijzen.
5.14.
Omdat Raging Rhino zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk wordt gesteld, wordt zij in beide procedures veroordeeld in de proceskosten. De kosten van [gedaagde] worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 2.500 in conventie (Voetnoot 5) en Cg 1.250 in reconventie (Voetnoot 6).
5.15.
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen deze beslissing voorlegt aan het Hof.
Beslissing
6.1.
wijst de vordering af;
6.2.
veroordeelt Raging Rhino tot betaling van de proceskosten welke tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] zijn begroot op Cg 2.500 aan gemachtigdensalaris, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;
6.3.
bepaalt dat de proceskosten moeten worden betaald binnen veertien dagen en dat die kosten worden verhoogd met de wettelijke rente als niet op tijd wordt betaald;
6.4.
veroordeelt Raging Rhino tot nakoming van datgene waartoe zij krachtens voornoemde vonnissen van het Landgericht op 29 februari 2024 en van het Oberlandesgericht op 3 mei 2024 jegens [gedaagde] is veroordeeld;
6.5.
veroordeelt Raging Rhino tot betaling van de proceskosten welke tot aan deze uitspraak aan de zijde van [gedaagde] zijn begroot op Cg 1.250 aan gemachtigdensalaris, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;
In conventie en in reconventie:
6.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
6.7.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door mr. M.R. Hoekstra, griffier, en in het openbaar uitgesproken.