GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Zaaknummer: CUR202600605
Beschikking van 26 juni 2026
in de zaak van [Verzoekster], wonend in [woonplaats], verzoeker, gemachtigde: mr. R.M.L. Conquet,
tegen
[Verweerder],
wonend in [woonplaats], verweerder, gemachtigde: mr. E.B. Wilsoe.
Partijen worden hierna [verzoekster]en [verweerder]genoemd.
Overwegingen
2
De verdere beoordeling 2.1. Bij de tussenbeschikking heeft het gerecht voorshands bewezen geacht dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst bestaat. Het gerecht heeft in dat kader overwogen dat
[verweerder]heeft erkend dat een gesprek heeft plaatsgevonden tussen hem en de klachtenbehandelaar van SOAW en daarbij mede de inhoud van het rapport van die klachtenbemiddelaar in aanmerking genomen.
Het gerecht heeft [verweerder]in de gelegenheid gesteld om tegenbewijs te leveren van voormeld bewijsvermoeden. [verweerder]heeft van die gelegenheid gebruik gemaakt en heeft een verklaring overgelegd. Beoordeeld moet nu worden of [verweerder]met de door hem overgelegde verklaring erin is geslaagd voormeld bewijsvermoeden te ontzenuwen. Hiervoor is voldoende dat er zoveel twijfel is ontstaan dat de vaststelling die berust op het vermoeden, niet langer houdbaar is.
2.2.
Het gerecht is van oordeel dat de [verweerder]er niet in is geslaagd om het bewijsvermoeden in voldoende mate te ontzenuwen, mede gelet op de hiervoor weergegeven overwegingen die hebben geleid tot het bewijsvermoeden. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
2.3.
Om het tegenbewijs te leveren, heeft [verweerder]een verklaring overgelegd van [directeur 1], volgens diens verklaring directeur van Aqua Casino. In die verklaring staat kort gezegd dat tussen Aqua Casino en [verweerder]geen enkele (rechts)verhouding bestaat en dat Aqua Casino bevestigd dat [verzoekster]nimmer werkzaamheden heeft verricht voor [verweerder]. Volgens [verweerder]is daarmee het tegenbewijs geleverd, nu [verzoekster]ter zitting heeft gesteld dat hij werkzaamheden voor Aqua Casino heeft verricht.
2.4.
Naar het oordeel van het gerecht is deze verklaring onvoldoende om het vermoeden te ontzenuwen. Dat, zoals in die verklaring gesteld, tussen Aqua Casino en [verweerder]geen enkele (rechts)verhouding bestaat, sluit niet uit dat tussen [verweerder]en [verzoekster]wel een rechtsverhouding bestaat, ook indien moet worden aangenomen dat [verzoekster]heeft gesteld werkzaamheden voor Aqua Casino te hebben verricht. Verder kent het gerecht aan de verklaring dat [verzoekster]nimmer werkzaamheden voor [verweerder]heeft verricht, geen doorslaggevend gewicht toe. Die verklaring is algemeen gesteld en niet nader onderbouwd, en daartegenover staan de stellingen van [verzoekster]en het rapport van de klachtenbehandelaar van SOAW.
2.5.
Voor het overige heeft [verweerder]geen gebruik gemaakt van de bij de tussenbeschikking geboden gelegenheid tot het leveren van tegenbewijs, althans niet verzocht om getuigen te doen horen. Het gerecht merkt de slotzin in de akte uitlating levering tegenbewijs van [verweerder]“Voorzover nodig biedt verweerder derhalve, geheel onverplicht, bewijs aan middels het doen horen van de directie van Aqua Casino, waaronder de heer [directeur 1] althans de onder de directeur ressorterende werknemers die belast zijn met de security werkzaamheden” niet aan als een concreet verzoek om een aantal getuigen te horen. Daarbij neemt het gerecht in aanmerking dat [verweerder]dat aanbod kennelijk alleen doet voor zover (het gerecht het) nodig (acht), en dat [verweerder]dit aanbod niet heeft gespecificeerd, zoals overwogen in de tussenbeschikking onder 4.4.: “[verweerder]zal in de gelegenheid worden gesteld om bij akte te kennen te geven of en, zo ja, op welke wijze hij tegenbewijs wenst te leveren en, indien hij dat bewijs door middel van het horen van getuigen wenst te leveren, opgave te doen van het aantal te horen getuigen en de verhinderdata van beide partijen en van de getuigen.”
2.6.
Dit leidt tot de slotsom dat bewezen is dat sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen [verzoekster]en [verweerder]. Het gerecht zal dan ook overgaan tot een inhoudelijke beoordeling van de vorderingen van [verzoekster](zie 4.5. tussenbeschikking). Daartoe overweegt het gerecht als volgt.
2.7.
Een ontslag op staande voet moet worden gezien als een uiterste middel om een arbeidsovereenkomst te beëindigen. Om die reden worden aan het ontslag op staande voet zware eisen gesteld. Voor een werkgever worden als dringende redenen beschouwd zodanige daden, eigenschappen of gedragingen van een werknemer, die ten gevolge hebben dat van en werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd het dienstverband te laten voortduren. Bij de beoordeling van de gerechtvaardigdheid van het ontslag dienen alle omstandigheden van het geval, inclusief de persoonlijke omstandigheden van de werknemer, in onderling verband en samenhang in aanmerking te worden genomen. De werkgever die een werknemer op staande voet heeft ontslagen, dient in geval van betwisting van de dringende reden door de werknemer, te stellen en zo nodig te bewijzen dat de door de werkgever meegedeelde ontslaggrond zich heeft voorgedaan en is aan te merken als dringende reden.
2.8.
Naar het oordeel van het gerecht is in dit geval geen sprake van een dringende reden zoals hiervoor bedoeld. [verzoekster]heeft betwist dat zich een dringende reden heeft voorgedaan. [verzoekster]heeft in dit verband gesteld dat bij de uitbetaling van zijn loon op 1 november 2025 een loonbedrag van Cg 437,76 ontbrak, en toen hij om dit bedrag vroeg, hij op zeer onbeschofte wijze door [verweerder]werd verzocht zijn uniform in te leveren en te kennen gegeven dat hij niet meer terug hoefde te komen (zie 3.2. tussenbeschikking). Daartegenover heeft [verweerder]niet gesteld dat en waarom de aan [verzoekster]meegedeelde ontslaggrond is aan te merken als een dringende reden. Dit leidt het gerecht tot de conclusie dat geen sprake is van een dringende reden in vorenbedoelde zin. Het ontslag op staande voet kan dan ook geen standhouden.
2.9.
Aangezien [verzoekster]tijdig de nietigheid van het ontslag heeft ingeroepen, moet het ontslag op staande voet als nietig worden aangemerkt. Dit brengt mee dat de arbeidsovereenkomst tussen partijen niet is geëindigd op 1 november 2025, maar is blijven voortbestaan.
2.10.
Uit artikel 7A:1614d van het Burgerlijk Wetboek (BW) volgt dat de werkgever gehouden is het naar tijdruimte vastgestelde loon te voldoen zolang de arbeidsovereenkomst voortduurt. Aangezien [verzoekster]zich (via tussenkomst van SOAW) beschikbaar heeft gesteld om zijn werkzaamheden te hervatten, is naar het oordeel van het gerecht [verweerder]in beginsel gehouden het overeengekomen salaris aan [verzoekster]door te betalen vanaf 1 november 2025 totdat de arbeidsovereenkomst tussen partijen rechtsgeldig zal zijn geëindigd, vermeerderd met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Ter zitting heeft [verzoekster]te kennen gegeven dat hij met ingang van 1 februari 2026 ander werk heeft gevonden, en dat het verzoek in zoverre strekt tot doorbetaling van het loon gedurende de periode vanaf het ontslag tot die datum. Nu [verzoekster]na 1 februari 2026 niet meer beschikbaar was om de werkzaamheden bij [verweerder]te verrichten, en er verder geen omstandigheden zijn gesteld of gebleken op grond waarvan de loonvordering overigens dient te worden gematigd, zal het gerecht deze op na te melden wijze toewijzen.
2.11. [
verzoekster]verzoekt het gerecht ook om [verweerder]te veroordelen tot betaling van achterstallig loon over de maand oktober 2025 voor het bedrag van Cg 437,76, vermeerderd met de wettelijke rente en de vertragingsrente van 50% conform artikel 1614q BW tot aan de dag van de algehele voldoening. In dit verband stelt [verzoekster]dat hij gedurende deze maand meer heeft gewerkt, dan waar hij voor werd betaald. [verweerder]heeft deze stelling gemotiveerd bestreden. Daartegenover heeft [verzoekster]geen nadere toelichting gegeven, zodat zijn stelling niet vast is komen te staan. Het verzoek in zoverre wordt dan ook afgewezen.
2.12.
Omdat [verweerder]ter zake van het verzoek van [verzoekster]grotendeels in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij veroordeeld in de proceskosten, tot op heden begroot op Cg 50 aan griffierechten en Cg 1.500 aan gemachtigdensalaris.
Beslissing
3.1.
verklaart voor recht dat het aan [verzoekster]gegeven ontslag (op staande voet) nietig is;
3.2.
veroordeelt [verweerder]tot doorbetaling van het loon aan [verzoekster]over de periode van 1 november 2025 tot 1 februari 2026, te vermeerderen met de wettelijke verhoging ex artikel 7A:1614q BW, alsmede vermeerderd met de wettelijke rente vanaf veertien dagen na de datum van deze beschikking tot aan de dag van betaling;
3.3.
veroordeelt [verweerder]in de aan de zijde van [verzoekster]gevallen proceskosten, tot op heden begroot op Cg 1.550;
3.4.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
3.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, en in het openbaar uitgesproken.