GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO
Vonnis in kort geding van
in de zaak van 23 februari 2024
SHAM INTERNATIONAL LTD.,
te Curaçao,
eiseres in conventie, gedaagde in reconventie,
gemachtigde: mr. J.G. Bloem (te Sint Maarten),
HARSHI'S INTERNATIONAL B.V.,
handelend onder de naam GAZINI,
te Curaçao,
gedaagde in conventie, eiseres in reconventie,
gemachtigden: mrs. C.A. Peterson en A.M. Faria.
Partijen worden hierna verhuurster en huurster genoemd.
Procesverloop
Het procesverloop blijkt uit:
- het verzoekschrift van 4 januari 2024,
- de akte houdende eis in reconventie van huurster,
- de pleitnotities van de gemachtigden en de door hen overgelegde producties,
- de mondelinge behandeling van 6 februari 2024.
3
De vordering en de grondslag van die vordering
3.1.
Verhuurster stelt dat huurster vanaf het jaar 2018 in gebreke is gebleven met betaling van de huur. Om die reden is ontbinding van de huurovereenkomst wegens wanprestatie volgens verhuurster op haar plaats, evenals in dit kort geding de ontruiming van het gehuurde.
3.2.
Verhuurster vordert in conventie – samengevat – de ontruiming van het gehuurde en betaling van USD 105.000 terzake onbetaald gelaten huurpenningen, met nevenvorderingen. Het gevorderde bedrag betreft volgens verhuurster de huur over de laatste vijf jaar, omdat voor die jaren een beroep op verjaring volgens verhuurster in elk geval niet zou opgaan.
4
De tegenvordering en de grondslag van de tegenvordering
4.1.
Volgens huurster heeft zij in 2020 NAf 29.883,48 besteed aan het herstel van het dak van het gehuurde. Met verwijzing naar de huurovereenkomst en naar het leerstuk van zaakwaarneming stelt zij dat verhuurster haar deze kosten moet vergoeden.
4.2.
In reconventie vordert huurster op grond hiervan betaling van NAf 29.883,48, met nevenvorderingen.
Overwegingen
De door verhuurster gevorderde ontruiming
6.1.
In reactie op het door verhuurster in deze zaak ingediende verzoekschrift, heeft huurster de huur per e-mail van 31 januari 2024 opgezegd tegen 29 februari 2024. Ter zitting is namens huurster bevestigd dat zij het gehuurde per die datum ontruimd zal hebben.
6.2.
Gelet op het voorgaande heeft verhuurster geen belang meer bij het gevorderde ontruimingsbevel. Er is geen aanleiding aan te nemen dat huurster het gehuurde niet conform haar toezegging vrijwillig zal ontruimen. Dit te meer, nu aan dit kort geding geen duidelijke sommatie door verhuurster is voorafgegaan, en dus ook geen weigering van huurster om daaraan te voldoen.
De door verhuurster gevorderde betaling van USD 105.000
6.3.
Deze betalingsvordering betreft de huur teruggaand tot 2019.
6.4.
Huurster heeft als verweer gevoerd dat zij de huur over de periode 1 juli 2017 tot 30 juni 2022 – in totaal USD 105.000 – bij cheque van 5 april 2017 vooruit heeft betaald. Zij verwijst hiervoor naar een ‘receipt’ en een ‘affidavit’ van toenmalig bestuurder van verhuurster […]. Voor de na 30 juni 2022 verschenen huurpenningen doet huurster een beroep op verrekening met de NAf 29.883,48 die zij in reconventie vordert.
6.5.
Verhuurster heeft haar vraagtekens geplaatst bij de door huurster gestelde vooruitbetaling van de huur. Zij bestrijdt dat deze betaling daadwerkelijk (en aan haar) heeft plaatsgevonden. Zij trekt ook de authenticiteit in twijfel van door huurster overgelegde (bewijs)stukken, evenals de vertegenwoordigingsbevoegdheid van toenmalig bestuurder […].
6.6.
Voor nader onderzoek naar de gestelde feiten over de vooruitbetaling van de huur en vraag of door huurster bevrijdend is betaald, is in dit kort geding geen plaats. Bij de huidige stand van zaken kan niet met voldoende zekerheid worden aangenomen dat in een eventuele bodemprocedure de betalingsvordering van verhuurster zal worden toegewezen. In dit kort geding kan dus ook geen voorschot worden genomen op die toewijzing. De geldvordering van verhuurster zal dan ook worden afgewezen.
6.7.
Dit laatste geldt echter niet voor het door huurster erkende deel van de gestelde huurachterstand, te weten de huurpenningen over de maanden juli 2022 tot en met februari 2024, dus (20 x USD 1.750 =) USD 35.000. Een redelijke uitleg van het petitum van verhuurster brengt mee dat dit mede omvat de sinds de indiening van het verzoekschrift verschuldigd geworden (en erkende) huurtermijnen voor januari en februari 2024. Op genoemd bedrag van USD 35.000 zal echter in mindering worden gebracht het bedrag van NAf 29.883,48 terzake herstelkosten waarvoor door huurster een beroep op verrekening wordt gedaan. Dit beroep op verrekening kan in dit kort geding niet voorshands als ongegrond worden verworpen. Dit brengt mee dat in dit kort geding bij wijze van voorschot aan verhuurster toewijsbaar is een bedrag van (USD 35.000 - NAf 29.883,48 =), afgerond, USD 18.000. De wettelijke rente over het voorschot zal worden toegewezen met ingang van de indieningsdatum van het verzoekschrift. Voor toewijzing van buitengerechtelijke incassokosten bestaat onvoldoende grond.
De door huurster gevorderde betaling van NAf 29.883,48
6.8.
Het door huurster met haar vordering in reconventie gevorderde bedrag is in conventie reeds verrekend bij de bepaling van het door huurster te betalen voorschot terzake de huurachterstand. De eis in reconventie zal dan ook worden afgewezen.
6.9.
Partijen zijn deels in het gelijk en deels in het ongelijk gesteld. Daarbij past een verrekening van proceskosten.
Beslissing
7
De beslissing in kort geding
7.1.
verstaat dat het belang van verhuurster bij de gevorderde ontruiming is vervallen;
7.2.
veroordeelt huurster om aan verhuurster te betalen USD 18.000, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 4 januari 2024 tot de dag der voldoening;
7.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
7.4.
wijst af het overigens door verhuurster gevorderde;
7.5.
wijst af het gevorderde;
in conventie en in reconventie
7.6.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.E. de Kort, rechter, en in het openbaar uitgesproken.