2. [eiser 2],
3. [eiser 3],
eisers 1 en 2 wonende te [woonplaats] en eiser 3 te [woonplaats],
eisers,
die zelf procederen, zonder bijstand van een gemachtigde,
tegen
[gedaagde],
wonende te [woonplaats],
gedaagde,
die zelf procedeert, zonder bijstand van een gemachtigde.
De partijen worden hierna ‘[eisers]’ en ‘[gedaagde]’ genoemd.
2.1.
Op [overlijdensdatum] 2019 is [overledene], de vader van [eisers], overleden.
2.2.
In het kader van het afwikkelen van de nalatenschap van [overledene] heeft [eisers] in 2021 [gedaagde] opdracht gegeven om een notariële akte van de afgifte van een legaat op te stellen. [eisers] heeft op 23 december 2021 de factuur voor deze opdracht van Cg 4.092,93 aan [gedaagde] betaald.
2.3. [
gedaagde] is begin 2022 gestopt met zijn werkzaamheden als notaris.
2.4.
Op 19 oktober 2022 heeft [eisers] via de e-mail bij [gedaagde] geïnformeerd naar de stand van zaken en haar onvrede geuit over het feit dat zij nog geen akte van [gedaagde] heeft mogen ontvangen. Daarbij heeft [eisers] [gedaagde] verzocht om, indien hij niet in staat is de akte af te handelen omdat hij geen notariële verrichtingen meer mag uitvoeren, haar het reeds betaalde bedrag terug te betalen.
2.5. [
gedaagde] heeft naar aanleiding van de e-mail van [eisers] van 19 oktober 2022 een concept van de akte naar [eisers] gestuurd en haar geïnstrueerd om voor het passeren van de akte contact op te nemen met notaris Naaldijk, met de mededeling dat hij de afrondingskosten zou betalen.
2.6. [
eisers] heeft vervolgens contact opgenomen met notaris Naaldijk. Deze heeft aan [eisers] laten weten de zaak niet aan te nemen.
2.7. [
eisers] heeft zich nadien gewend tot notaris Baaten. Zij heeft hem een nieuwe opdracht gegeven voor het opstellen van de akte.
3.1. [
eisers] vordert dat het gerecht bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeeld tot betaling van Cg 4.092,93, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf januari 2023, en tot vergoeding van de door haar geleden schade, nader op te maken bij staat.
3.2. [
eisers] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. Volgens [eisers] heeft [gedaagde] nagelaten een deugdelijke notariële akte van de afgifte van een legaat op te stellen en te passeren. [eisers] stelt dat zij als gevolg van deze tekortkoming schade heeft geleden.
3.3. [
gedaagde] heeft verweer gevoerd tegen de vorderingen van [eisers]
Overwegingen
4.1.
Het spoedeisend belang van [eisers] volgt uit de aard van de vordering. [gedaagde] heeft het spoedeisend belang ook niet betwist of weersproken.
Het gerecht slaat geen acht op de aanvullende producties van [eisers]
4.2. [
eisers] heeft bij e-mail van 3 juli 2026 een aantal aanvullende producties (producties 15 tot en met 19) ingediend bij het gerecht. Tijdens de zitting is gebleken dat [eisers] deze producties niet naar [gedaagde] heeft gestuurd. [gedaagde] heeft daardoor geen kennis kunnen nemen van de inhoud van deze producties. Het gerecht zal daarom geen acht slaan op deze producties.
[gedaagde] moet Cg 4.092,93 aan [eisers] (terug)betalen
4.3. [
eisers] vordert dat [gedaagde] wordt veroordeeld tot (terug)betaling van Cg 4.092,93. Volgens vaste jurisprudentie is ten aanzien van geldvorderingen in kort geding terughoudendheid op zijn plaats. Onderzocht moet worden of het bestaan van de vordering voldoende aannemelijk is. Dat betekent dat met een grote mate van waarschijnlijkheid te verwachten moet zijn dat in een bodemprocedure de vordering van [eisers] zal worden toegewezen. Daarnaast moet sprake zijn van feiten of omstandigheden die meebrengen dat uit hoofde van onverwijlde spoed een onmiddellijke voorziening vereist is. Bij de afweging van de belangen van partijen dient voorts het restitutierisico (het risico dat [eisers] niet in staat zal zijn het bedrag terug te betalen indien in een bodemprocedure anders wordt geoordeeld) meegewogen te worden.
4.4. [
eisers] legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. Op grond van artikel 6:265 BW geeft iedere tekortkoming van een partij in de nakoming van een van haar verbintenissen de wederpartij de bevoegdheid om de overeenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. Daarbij bepaalt artikel 6:271 BW dat een ontbinding de partijen bevrijdt van hun verbintenissen. Voor zover verbintenissen reeds zijn nagekomen, blijft de rechtsgrond voor die nakoming in stand, maar ontstaat voor partijen een verbintenis tot ongedaanmaking van de reeds door hen ontvangen prestaties.
4.5.
Het gerecht is voorshands van oordeel dat [gedaagde] de overeenkomst niet (volledig) is nagekomen. [gedaagde] heeft tijdens de zitting immers erkend dat hij niet in staat is geweest de notariële akte te passeren omdat hij sinds begin 2022 niet meer werkzaam is als notaris. Voor zover [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat het passeren van de akte niet onder de opdracht viel, volgt het gerecht hem daarin niet. Op de factuur die [gedaagde] heeft opgesteld zijn immers ook de kosten voor het passeren van de akte in rekening gebracht en [gedaagde] heeft zelf tijdens de zitting aangegeven dat hij ten tijde van het opstellen van de factuur nog werkzaam was als notaris en niet had verwacht dat hij kort nadien met zijn werk als notaris zou (moeten) stoppen.
4.6.
Het voorgaande betekent dat [gedaagde] tekortgeschoten is in de nakoming van de overeenkomst. Nu [gedaagde] momenteel niet meer werkzaam is als notaris, is nakoming niet meer mogelijk. Het gerecht acht het onder deze omstandigheden aannemelijk dat in een bodemprocedure de overeenkomst tussen partijen zal worden ontbonden, voor zover niet tot het oordeel wordt gekomen dat [eisers] met de e-mail van 19 oktober 2022 de overeenkomst al rechtsgeldig (buitengerechtelijk) heeft ontbonden, en dat [gedaagde] (in het kader van de ongedaanmakingsverbintenis) zal worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [eisers] reeds aan hem heeft betaald. Daarbij merkt het gerecht op dat voor zover [gedaagde] meent dat hij een deel van de overeenkomst wel is nagekomen en hij derhalve recht heeft op een vergoeding voor de werkzaamheden die hij heeft verricht, het op zijn weg had gelegen om dit nader te concretiseren. Het enkele feit dat er een concept akte ligt, is daarvoor niet voldoende. Het is immers niet duidelijk hoeveel werk hij daaraan heeft gehad en partijen zijn het ook niet eens over de vraag of dit concept bruikbaar is.
4.7.
Gelet op het feit dat [eisers] inmiddels dubbele kosten heeft moeten maken voor het afhandelen van de nalatenschap en in die zin een financieel (spoedeisend) belang heeft bij toewijzing van haar vordering, er een hoge mate van waarschijnlijkheid is dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen en niet is gebleken dat er sprake is van een restitutierisico, wordt de vordering van [eisers] toegewezen. Dit betekent dat [gedaagde] Cg 4.092,93 aan [eisers] moet (terug)betalen. De gevorderde wettelijke rente over dit bedrag zal – zoals gevorderd – worden toegewezen vanaf 1 januari 2023.
Het gerecht kan in deze procedure geen aansprakelijkheid vaststellen
4.8. [
eisers] stelt dat zij als gevolg van de tekortkoming van [gedaagde] extra kosten heeft gemaakt en in die zin schade heeft geleden. Zij heeft in het verzoekschrift wel gesteld dat de schade Cg 14.573,06 bedraagt, maar zij heeft in deze procedure geen voorschot op een eventuele schadevergoeding gevorderd. Het gerecht begrijpt haar vordering zo dat zij een verklaring voor recht vordert dat [gedaagde] aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden en dat voor het begroten van die schade de zaak moet worden verwezen naar de schadestaatprocedure. Het gerecht kan echter in een kortgedingprocedure geen aansprakelijkheid vaststellen, omdat dit niet strookt met het voorlopige karakter van het rechterlijk oordeel in kort geding. De vordering van [eisers] wordt daarom afgewezen.
[gedaagde] moet de proceskosten van [eisers] betalen
4.9.
Omdat [gedaagde] c.s. grotendeels in het ongelijk wordt gesteld, wordt hij veroordeeld in de proceskosten. De proceskosten van [eisers] worden tot aan deze uitspraak begroot op Cg 404,48 aan oproepingskosten en Cg 450,- aan griffierecht.
Uitvoerbaarheid bij voorraad
4.10.
De veroordelingen in deze uitspraak gaan meteen in en kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van de partijen een rechtsmiddel tegen deze beslissing instelt.
Beslissing
5
De beslissing in kort geding
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van Cg 4.092,93, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 1 januari 2023 tot aan de dag van betaling;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van [eisers] van Cg 854,48, te vermeerderen met Cg 250 aan nakosten zonder betekening, verhoogd met Cg 150 in geval van betekening;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst af wat verder is gevorderd.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.E.B. de Haseth, rechter, bijgestaan door
mr. D. Meijer, griffier, en in het openbaar uitgesproken.