MANNER OF DEATH
Most probably non-natural. (…)” (Voetnoot 8)
7. Door het Team Forensische Opsporing Curaçao is het volgende botmateriaal ten behoeve van DNA-vergelijkend onderzoek veiliggesteld:Het linker femur van de sporen identiteitszegel SIN: [SIN 3]. (Voetnoot 9)
8. Een NFI-rapport van 6 februari 2020 van [dokter 2] met de resultaten van een DNA-verwantschapsonderzoek naar voormeld botmateriaal. De deskundige heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
“(…) Onderzoeksmateriaal
(…)
Tabel 1. Ontvangen onderzoeksmateriaal uit 2020.01.14.297
(…) [SIN 4]
Een referentiemonster wangslijmvlies van [ vader van slachtoffer] (geboren op [geboortedatum] 1939), de biologische vader van de vermiste [slachtoffer].
(…)
Tabel 2. Ontvangen onderzoeksmateriaal uit 2020.01.16.190
(…)[SIN 5]*
Een referentiemonster bot veiliggesteld uit het femur [SIN 3].
(…)
Interpretatie en conclusie
Op basis van de resultaten van het DNA-verwantschapsonderzoek wordt geconcludeerd dat de ongeïdentificeerde man [SIN 5] de vermiste [slachtoffer] kan zijn. (…) De DNA-kenmerken van de drie Y-chromosomale loci in het DNA-profiel van de ongeïdentificeerde persoon [SIN 5] komen overeen met die in het DNA-profiel van [ vader van slachtoffer] [SIN 4](de biologische vader van de vermiste [slachtoffer]). (…)” (Voetnoot 10)
9. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 4]) werden middels “Opnemen Vertrouwelijke Communicatie” (hierna: OVC) gesprekken opgenomen die tussen [medeverdachte 4] en haar vriend op 30 augustus 2023 in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [ verbalisant 6] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
“(…) Waar in de uitwerking [medeverdachte 4] staat, wordt de verdachte [medeverdachte 4] bedoeld. [ vriend van medeverdachte 4] is de vriend van de verdachte [medeverdachte 4]. (…)
[medeverdachte 4]: de man die ze zijn gaan gooien hmm.
(…)
[medeverdachte 4]: Achter, daar achter mijn huis zo.
(…)
[vriend van medeverdachte 4]: Je bent daar toch niet bij betrokken?
[medeverdachte 4]: Ik was toen dat gebeurde wel daar, weet je. (…) Ik was daar. Want het punt is (…) Ze waren op zoek naar iemand om naar de man toe te gaan. Want mogelijk had de man geld.(…)” (Voetnoot 11)
10. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 4] werden middels OVC gesprekken opgenomen die tussen [medeverdachte 4] en haar vriend op 31 augustus 2023 in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 7] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
“(…) Als in het proces-verbaal gesproken wordt over [medeverdachte 4], wordt hier de verdachte [medeverdachte 4] mee bedoeld (…). Met [vriend van medeverdachte 4] wordt de vriend van de verdachte [medeverdachte 4] bedoeld (…). (…)
Onderstaande sessie start op 31 augustus 2023 om 08:50 uur en eindigt om 09:20 uur. (…)
[medeverdachte 4] = E
[vriend van medeverdachte 4] = R
(…)
E: Anyway daarna wilden ze iets te drinken maken en aan hem komen geven/ mee nemen. (…) Daarna zeiden ze zo van ja, dat ze zouden vertrekken (…)
E: (…) Ik bleef bij hem. Zij zijn vertrokken. (…)
E: Ze waren vertrokken…maar de man was…echt…het leek alsof hij dronken of onder invloed van drugs was. Maar hij was niet…hij is niet gaan slapen. (…)
E: Ik heb die meiden geappt na een half uur. Ik zei tegen hen: ‘kom mij halen, want deze man slaapt niet. (…)
E: Toen ik bij de auto aankwam zat [verdachte] in de auto want…Ze hadden een [automerk]. Ik zei tegen haar…want toen ik bij de auto aankwam zijn die gozers en de andere meid uit de auto gestapt. Zie liepen naar het huis toe. (…)
E: Ik zei tegen [verdachte]: “wat gaan ze doen?” (…) Ze zei: “Ja, ze gaan die man “hode” daarbinnen. (Opmerking tolk: “Hode” is iets of iemand iets slechts aandoen) (…)
E: Na een poosje is [verdachte] gekomen. Ze zei tegen mij: “ja, ze hebben met die man gevochten (…)” (Voetnoot 12)
11. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 4] werden middels OVC gesprekken opgenomen die tussen [medeverdachte 4] en de verdachte op 2 september 2023 in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 7] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
“(…) Onderstaande sessie start op 2 september 2023 om 10:39 uur tot en met 11:29 uur. Het betreft een conversatie tussen [medeverdachte 4] en [verdachte] welke in beide woningen middels de OVC is opgenomen. (…)
[medeverdachte 4] = F [medevedachte 4]
[verdachte]= J [verdachte]
F: (…) ze wilden het ding van die man halen/zoeken/hebben. En ik zag duidelijk dat die man zoals hij was niet in slaap zou vallen. Die man bleef praten praten praten (…)
F: Ja. Ik kwam jou in de auto tegen. En die gasten en die meid waren aan het lopen (…)
J: Ja, inderdaad…Je wist niet van het ding. Toen je ingestapt was, heb ik jou gezegd wat ze gingen doen.
12. In de woning van de (mede)verdachte [medeverdachte 4] werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 12 september 2023 tussen [medeverdachte 4] en NNV2 in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 7] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
“(…) Onderstaande sessie start op 12 september 2023 om 09:39 uur en eindigt omstreeks 09:53 uur. (…)
[medeverdachte 4]: (…) Dus hij deed de deur voor me open, dus ik stapte, tap, uit, stapte in de auto denkende dat het klaar was zodat iedereen weggaat, kwam ik, ik kwam de kerels en het andere meisje gewoon om de hoek tegen. Ze gingen daar naar binnen. Ik vroeg aan hen wat ze gingen doen. Ze zeiden ze gaan op zoek naar geld en zo. (…)” (Voetnoot 14)
13. In de woning van de verdachte werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 1 september 2023 tussen de verdachte en NN-man in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 7] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
“Onderstaand gesprek betreft een gesprek tussen de verdachte (…) [verdachte] en een NN-man die door [verdachte ] [NN-man] wordt genoemd. Mogelijk betreft het hier (…) de (ex)partner van [verdachte]. (…)
Onderstaande sessie start op 1 september 2023 om 17:42 uur en eindigt omstreeks 17:57 uur. (…)
E = [verdachte]
N = NN-man
(…)
E: We gingen rotzooien met een gast ‘makamba’ (= Hollander) in [adres 2] (…) we zouden hem beroven (…) we waren met z’n vijven (…)
E: (…) het ging fout. Nee, we hebben zijn sleutels en alle klote dingen gepakt om naar zijn andere huis te gaan (…) we kwamen daar wel aan, maar de sleutels maakten niet open…de mensen bleven boos/kwaad (…) ze dachten/bedoelden dat ze de man in elkaar zouden slaan, zodat de man zou praten … dat hij zou, dat hij zou zeggen waar de kluis was, want eigenlijk was de kluis in het huis, dat wisten we al maar euh…(…)
E: (…) maar we konden de sleutels niet vinden (…) hoe dan ook een meisje/meid waar ik goed mee was, zij werkte bij het ADC, die man wilde niet praten, dus zij gaf die man gewoon een injectie. (…)
E: Wij vochten met het lichaam en gingen naar [adres 4]. (…)
E: We hebben de auto, het lichaam en alle klote dingen de zee ingeduwd. (…)
E: Ja, maar ik was erbij. Ik heb gezegd ‘kom laten we dan maar naar [adres 4] gaan’. Ik kwam met het idee om naar [adres 4] te gaan. (…)” (Voetnoot 15)
14. Op 1 september 2023 tot en met 2 september 2023 vonden er tussen de verdachte [medeverdachte 4] en de verdachte de volgende Whatsapp-gesprekken plaats die door de verbalisant [verbalisant 8] – voor zover van belang – als volgt zijn gerelateerd:
Datum en tijdstip
Verzender
Origineel bericht
Vertaling
(…)
2023-09-01 10:26
[verdachte]
Pero e iPhone tami mes a zwaai e na laman
Maar de iPhone heb ik zelf in de zee gegooid
(…)
2023-09-01 10:37
[verdachte]
Anto ta [medeverdachte 2] ku [medeverdachte 3] a sali kune
En [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zijn met hem naar buiten gegaan/hebben hem meegenomen
2023-09-01 10:37
[verdachte]
Nos tabata ku [medeverdachte 1]
Wij waren met [medeverdachte 1]
(…)
2023-09-01 10:38
[verdachte]
Ora nos a yega [adres 4] tmb hombu tbt lila lila kaba
Toen wij bij [adres 4] aankwamen was die man al helemaal “paars” (liep die man al helemaal blauw aan)
2023-09-01 10:38
[verdachte]
[medeverdachte 1] a dal e hombu overdosis
[medeverdachte 1] heeft die man een overdosis “geslagen” (letterlijk. Vrij vertaald: toegediend)
(…)
(…)” (Voetnoot 16)
15. Op 30 augustus 2023 vonden er tussen de verdachte en ‘[betrokkene 3]’ de volgende Snapchat-gesprekken plaats. Het gesprek vond plaats nadat de uitzending van RTL Boulevard een item over de vermissing van [slachtoffer] had uitgezonden. De verbalisant [verbalisant 6] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
Afkomstig van
Aan
Bericht
Vertaling
Datum en tijdstip
(…)
[verdachte]
[betrokkene 3]
Ta e a bin ku e plan
Hij/zij kwam met het plan
30-8-2023 16:58:09
(…)
[verdachte]
[betrokkene 3]
E ta traha na ADC
Zij werkt bij de ADC
30-8-2023 16:58:21
(…)
[verdachte]
[betrokkene 3]
Nn a lastre hombu baha trapi kune
Ze hebben die man van de trap (het Gerecht begrijpt: afgesleept (van de trap afgetrokken)
30-8-2023 17:03:00
[verdachte]
[betrokkene 3]
E hombu su kabes a keda dal riba kada un trapi
Het hoofd van die man bleef tegen elke trede slaan/bonken
30-8-2023 17:03-29
(…)
(…) (Voetnoot 17)
16. Op 30 augustus 2023 vonden er tussen de verdachte en [betrokkene 3] (
[betrokkene 3]
) de volgende Whatsapp-gesprekken plaats, die door de verbalisant [verbalisant 9] als volgt zijn gerelateerd:
“(…) Het gesprek vond plaats nadat de uitzending van RTL Boulevard een item over de vermissing van Michel [slachtoffer] had uitgezonden. (…)
Afkomstig van
Aan
Bericht
Vertaling
Datum en tijd
(…)
[verdachte]
[betrokkene 3]
12019204-2731879-1695016641330.jpg
(Foto van de verdachte [medeverdachte 1])
30-8-2023 18:15:00
[betrokkene 3]
[verdachte]
E tbt sa?
Wist zij/hij het?
30-8-2023 18:15:06
[verdachte]
[betrokkene 3]
Un te a stel overdosis
Zij heeft toch overdosis geregeld (klaargemaakt)
30-8-2023 18:15:19
(…)
(…)” (Voetnoot 18)
17. In de woning van de verdachte werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 28 mei 2024 tussen de verdachte en [betrokkene 4] in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 6] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
“(…) [verdachte] = E [betrokkene 4]= N
(…)
N: Wie is gegaan? Ben jij gegaan?
E: De andere mensen en ik zijn naar [adres 4] gegaan. (…)” (Voetnoot 19)
18. In de woning van de verdachte werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 29 mei 2024 tussen de verdachte en NN-man in de woning van de verdachte zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 8] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
“(…) 00:03:38
[verdachte]: (…) Terwijl de kluis (ntv) [adres 7]. (…) Weet je tegenover Napa (fon) op Curaçao…Wanneer je die straat inrijdt…nou, die man had (ntv)…in dat huis (ntv). (…) slaappil. Die meid werkt vanzelf bij ADC. Ze heeft het vloeibaar gemaakt (…). (…) Ze heeft hem drugs gegeven. Ze heeft mollie gebruikt. (…)
[verdachte]: Die meid heeft gezegd dat we geld in het huis zouden vinden. Wij hebben geen moer gevonden. (…)
00:06:12
[verdachte]: (…) Zij zijn…naar binnen gestapt…(ntv)…Ze begonnen hem te slaan…ze hebben hem geslagen…geslagen…geslagen…(ntv)…waar de man was (ntv) helemaal onder het bloed…gooiden hen met z’n drieën omver (…) ze sloegen de man een prik in zijn “garganta” (nek/hals) (…) Geen eens tien seconden…Toen de man begon te snurken….(ntv)… (…) “nan a bah’é for di e trapi” (ze lieten hem van de trap zakken)…Dam! Dam! Dam! (…)
[verdachte]: (…) drie keer (ntv)…ze heeft mijn nicht thuis afgezet. (…) In plaats dat ik ook thuis uitstap ben ik naar [adres 4] gereden met hen. (…)” (Voetnoot 20)
19. In de woning van de verdachte werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 30 mei 2024 tussen de verdachte en [betrokkene 4] in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 6] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
“(…) E: Die meid werkte bij de ADC…[medeverdachte 1].
(…) E: (…) Ze zei tegen ons om naar het huis van die man in [adres 2] te gaan. Dus, toen liet ze mij weten dat het een semi-seks-pay was. En vanuit daar zou zij naar het huis van die man gaan in [adres 7]. (…)
E: …om in de kluis te gaan. Toen we aankwamen moest de beveiliging onze id’s en onze dingen nemen. (…)
E: De auto kwam toen net naar buiten. Die man toeterde en gaf de beveiliging aan: “Laat ze komen!” Ze hebben geen id’s genomen. We zijn naar binnen gegaan. (…)
E: (…) De mannen begonnen drank in te schenken en zo. (ntv) Ze hebben spul in de drank van die man gegooid. Ze hebben “mol/mollie” (fon) in de drank van die man gegooid. (…)
E: Het was zo, de man moest gedrogeerd worden om zo snel mogelijk bij de kluis te kunnen komen. (…)
E: (…) Ze hebben mollie in zijn drank gestopt. Ze hebben er slaappil in gestopt zodat hij ging slapen. Niets! (…)
E: (…) ze waren allemaal op het geld af (…)
E: Die man reageerde nergens op. Hij was dronken, maar hij was goed bij. Geen enkele drugs had toen nog reactie op hem. (…) Toen zeiden wij: “Nou laten we naar huis gaan.” Maar die man zat nog steeds op [medeverdachte 4] ([medeverdachte 4]). Die meid zei tegen [medeverdachte 4], blijf jij maar, wij nemen alle sleutels mee en gaan naar het huis in [adres 7]. (…) We waren toen met z’n vieren vertrokken en gingen naar het huis in [adres 7]. (…)
E: (…) we kwamen aan in [adres 7], geen enkele sleutel past. (…) De auto die de meid had, had ze net gehuurd, geld uitgegeven, dit gedaan, dat gedaan. Dus (…) ze moest haar geld weer eruit halen (…)
00:05:44
Ze zei: “E kos aki ta bira atrako o asesinato” (Dit wordt een overval of een moord)
(…)
E: Die meid, die meid die bij ADC werkte (…)
E: (…) Ze wist al dat de man een kluis had in [adres 7]. In ieder geval, ik begon [medeverdachte 4] te appen. (…) Ik zei tegen haar: “Ik zeg je zo meteen wanneer we er zijn.”
E: Toen we daar aankwamen, Ja….[medeverdachte 4]…Ik zei tegen haar: “We zijn er. Kom naar buiten.” (…) We zaten alleen met z’n tweeën in de auto (…) [medeverdachte 4] zei tegen mij: “Wat gaat er gebeuren?” Ik zei tegen haar: “Ze gaan de man slaan om hem te laten (ntv) (…)
E: Eigenlijk ben ik gekomen met de ‘tips di [adres 4]’ (tip over [adres 4]). Want er was niets anders wat ik kon doen. Om die man daar niet te vinden…er was niets anders. (…) Ik heb besloten om uit te stappen…want ik wilde de dingen beter zien. Ik kwam net aanlopen met de zaklamp die fel op hen scheen. (…) Ze waren hem aan het slaan, slaan, slaan [betrokkene 4]. (…) Ze vroegen die man naar de sleutel, vroegen die man naar de sleutel…Die man vocht met ze….Die man vocht met ze… (…)
E: Die man vocht met ze, Dam! Ze sloegen de man op het hoofd. (ntv) Die meid sloeg die man een prik hier. Luister [betrokkene 4]….[betrokkene 4], minder dan 10 minuten (…)
E: De man sliep…(…) Ze zeiden dat ze hem maar samen zouden dragen. Doordat de man zwaar was, konden ze hem niet dragen. Ze moesten hem slepen. (…)
E: (…) Ze sleepten hem naar buiten. (…) En naarmate ze de trap afgingen deed het hoofd van de man tok (fon)…tok (fon)…(ntv)…iets wat ik gezien heb, [betrokkene 4]. (…)
E: (…) Ze sloegen hem alleen zodat hij zou praten. (…)
E: (…) ze sloeg die man een prik (ntv) hebben hem achter in zijn pick-up gestopt. (…)
E: (…) In ieder geval zei [medeverdachte 4] tegen ons om haar thuis af te zetten: “Zet mij thuis af!” Die meid (ntv) heeft toen met (ntv) gebeld: “We zijn bijna bij [adres 4], maar we moeten de meid afzetten.” [betrokkene 4], nogmaals, in plaats dat ik samen met [medeverdachte 4] uitstap, deed ik weer nieuwsgierig en ben toch naar [adres 4] gegaan met ze. Toen kwamen we aan bij [adres 4]. (…) ik heb eigenlijk de telefoon van de Julianabrug gegooid. Toen we de brug opreden. (…) Toen we aankwamen bij [adres 4] zei ik hen: “Pon’é bou di stür pa e kos keda manera ta depressief e tabata anto ela mata” (Zet hem achter het stuur, zodat het zou lijken dat hij depressief was en doodde) (…)” (Voetnoot 21)
20. In de woning van de verdachte werden middels OVC gesprekken opgenomen die op 30 mei 2024 tussen de verdachte en [vriend van verdachte] in voormelde woning zijn gevoerd. De verbalisant [verbalisant 8] heeft – voor zover van belang – het volgende gerelateerd:
“(…) E: (…) op geen enkel moment was het opzettelijk (letterlijk. Vrij vertaald: de opzet) om die man te doden (…)
A: Maar het opzettelijke (letterlijk. Vrij vertaald: de opzet) was wel om dingen van hem af te pakken.
21. De (mede)verdachte [medeverdachte 4] werd op 3 juni 2024 omstreeks 14:14 uur verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
“(…) In 2018, september, had ik een vriendin, zij is [verdachte] (…). We zaten samen in de klas en ze zei: ‘er is een poolparty’. Ze vroeg mij om mee te gaan.(…) ik denk rond 20:00 uur vroeg [verdachte] ([verdachte]) mij weer of ik meega naar de poolparty. (…) ik ging mee. Ze kwamen ons ophalen, (…) We gingen naar de meneer. (…) We waren met z’n vijven. (…) ik zag ze drank inschenken voor de meneer. (…) Toen zeiden ze dat ze dingen zouden gaan kopen en toen bleef ik met die meneer. (…) Toen vroeg [verdachte] aan mij, via de app, is die meneer gaan slapen. Ik zei nee, kom mij halen (…) Na een tijdje kwamen ze mij halen. Hij is met mij naar beneden gegaan, ongeveer drie treden naar beneden (…) Het duurde wel voordat hij de deur openmaakte, hij was niet stabiel, hij wankelde. (…) Ik zag drie mensen staan (…). (…) Ik stapte in de auto. [verdachte] was in de auto en ik ging zitten. (…) [verdachte] zei, ik ga kijken. Het duurde heel lang. (…) daarna kwam ze terug. En toen vertelde zij aan mij dat die man dood was gegaan. (…) Ik bleef in de auto zitten, zij bleef bij mij in de auto, na een tijdje kwam het andere meisje en ze was agressief. (…)
V: Je zei eerder dat het meisje [medeverdachte 1] agressief was, hoe ging dat?
A: Ze gooide de deur van de auto hard dicht en zei: shit, shit, shit!!! (…)” (Voetnoot 23)
22. De (mede)verdachte [medeverdachte 4] werd op 5 juni 2024 omstreeks 10:52 uur verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
“(…) V: Is er door anderen wel wat gedronken daar?
A: Ik zag hen drank voor die meneer inschenken. De 2 mannen en [medeverdachte 1]. Die waren daar mee bezig (…)
A: (…) Toen ik wegging kwam ik hun tegen bij het zwembad (…)
V: Hoeveel zijn hun?
A: 3
V: En wie waren dat?
A: De 2 mannen en de zuster. (…)” (Voetnoot 24)
23. De verdachte werd op 12 juni 2024 omstreeks 09:41 uur verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
“(…) V: Hoe gingen jullie naar de woning van [slachtoffer]?
A: Met [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. We waren met z’n vieren in de auto. [medeverdachte 1] was er nog niet bij. (…)
V: Hoe kwamen jullie binnen bij [adres 2]?
A: Via de security kwamen we binnen. [slachtoffer] kwam net aanrijden en zei tegen de security laat hun doorgaan. Toen zijn we doorgereden (…)
V: Hoe ging dat nu met iets door het drankje doen? Wie van de twee mannen deed dit?
A: (…) de ene keer deed [medeverdachte 3] het en de andere keer [medeverdachte 2] (…)
V: Wat werd er door de drank gegooid?
A: (…) er was Molly en een slaappil. (…)
V: Wat was de bedoeling van het drogeren?
A: [medeverdachte 1] wilde dat hij in slaap zou vallen en dat zij naar het andere huis in [adres 7] zou gaan. (…)
V: Waar bleef [medeverdachte 4] achter?
A: [medeverdachte 1] had haar gezegd om te blijven. (…)
V: Wat moest [medeverdachte 4] doen bij de man in de woning toen jullie weggingen?
A: (…) Ik heb haar toen gezegd (…) dat we onderweg waren terug naar de woning. Toen ze uitstapten bij Kust Batterij zijn ze vreemd uitgestapt en zij ze alle drie uitgestapt. Ik vroeg wat is er gaande, ze zeiden je zal wel zien.(…)
A: Daarvoor zijn we naar [adres 7] gegaan. We gingen eerst naar een andere huis van [slachtoffer] in [adres 7]. Als je via Napa aan de [weg] erin rijdt, daar in de buurt. (…)
M: Via Google maps werd op aanwijzen van de verdachte [verdachte] door de [adres 1] gelopen en werd het pand waar het slachtoffer een woning in had door de verdachte herkend. (…)
V: Hoe kwamen jullie aan de sleutels?
A: Volgens mij had [medeverdachte 1] die binnen gepakt. Ik had sleutels daarbinnen gezien bij de woning te [adres 2]. (…)
A: We waren met z’n vieren.
V: Hoe wisten jullie van het bestaan van deze woning?
A: [medeverdachte 1] is daar naartoe gereden (…)
V: De vorige keer had jij het over een Rolex, hoe wist je dat?
A: [medeverdachte 1] had gezegd dat er een Rolex daar was en geld in een kluis. (…)
V: Wie zijn idee was dit om naar de andere woning te gaan?
A: (…) [medeverdachte 1] kwam ons zeggen dat [medeverdachte 4] zou achterblijven en dat wij zouden gaan.
V: Wie had de sleutels in zijn handen bij die andere woning in [adres 7]?
A: [medeverdachte 1] is uitgestapt. (…)
A: Volgens mij [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] ook. (…)
A: Ik bleef in de auto. (…)
V: Waar waren de sleutels in de auto?
A: Volgens mij had [medeverdachte 1] die op een moment in haar handen en later zag ik ze in de tussenruimte bij de handrem. (…)
V: Daarna zijn jullie naar de woning van [medeverdachte 1] gegaan. Wat gingen jullie daar doen?
A: Ze zijn allemaal uitgestapt en volgens mij zijn ze iets gaan pakken. (…)
A: (…) Daarna heeft ze gezegd dat ze een overdosis is gaan pakken of zoiets. (…)
V: Wat is er besproken toen jullie terugreden naar [adres 2]?
A: Zij vroegen mij om aan [medeverdachte 4] te vragen of de man al sliep. (…)
V: Waren de anderen nog steeds kwaad toen ze aankwamen bij de woning in [adres 2]?
A: Ja, ik geloof van wel. (…)
A: Ze zijn heel snel uitgestapt. (…)
V: Wie stapten uit de auto?
A: [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1]. (…)
V: Waar liepen ze naartoe?
A: Ze zijn teruggegaan richting de ingang van het huis. (…)
V: Wat gebeurde er toen?
A: Ik heb [medeverdachte 4] een app gestuurd, we zijn aangekomen kom naar buiten. (…)
A: [medeverdachte 4] is toen gekomen. Toen zei [medeverdachte 4] tegen mij dat ze zijn begonnen te vechten met de man. (…) en toen ben ik uitgestapt. Ik zei tegen haar ik ga kijken wat er gaande is. (…)
A: [medeverdachte 4] bleef in de auto zitten.
V: Wat gebeurde er binnen, wat zag je, wie deed wat?
A: Terwijl ik er naartoe liep, zag ik [medeverdachte 2] [slachtoffer] met een vuist slaan tegen zijn hoofd. (…) [medeverdachte 3] stond daar, ik kwam aan en ik stond in de deuropening. Toen injecteerde [medeverdachte 1] [slachtoffer]. (…)
V: Hoe ging het slaan op zijn hoofd?
A: Een keer hard op de zijkant van het hoofd tegen de slaap. De andere arm zat rond de nek van [slachtoffer]. [medeverdachte 2] heeft hem geslagen aan de kant waar niet met de injectie geprikt is, [medeverdachte 1] had hem geprikt aan de andere kant.
V: Wat gebeurde er nadat de prik gezet werd?
A: Binnen tien seconden was er geen reactie meer van [slachtoffer], toen is hij gevallen. (…) Toen droegen [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] [slachtoffer]. (…)
V: Waar ontstond de vechtpartij?
A: Binnen in de woning, in de keuken. (…)
V: We hebben het gehad over de vechtpartij, de injectie, wat gebeurde er toen?
A: (…) [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] hebben [slachtoffer] gedragen naar de auto. Terwijl ze aan het lopen waren met hem en de trap naar beneden gingen, bonkte het hoofd van [slachtoffer] op de trap. Op elke trede van de trap. (…)
V: Wie heeft het lichaam van [slachtoffer] in de auto getild?
A: [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. (…)
V: Waar is [slachtoffer] in de auto gelegd?
A: Achterin. (…)
A: Ze hadden me gevraagd of ik een plek wist en toen heb ik gezegd [adres 4]. (…)
V: Hoe zijn jullie naar [adres 4] gegaan?
A: We zijn de brug over gegaan en zijn gesplitst. We hebben [medeverdachte 4] thuisgebracht en ik had eigenlijk moeten uitstappen, maar ik was heel nieuwsgierig dus ben ik meegegaan. (…)
V: Wat zag je toen je aankwam rijden bij [adres 4]?
A: De pick-up stond er. De jongens waren al uitgestapt. [medeverdachte 1] stapte ook uit. Ze hebben [slachtoffer] uitgehaald en [medeverdachte 1] heeft geholpen om [slachtoffer] op de bestuurderstoel te zetten. (…)
V: Wie waren er allemaal op [adres 4]?
A: Ik, [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2]. (…)
V: Wat deed jij?
A: Ik bleef kijken. Ik heb ook mijn telefoonlicht aangezet om te kunnen kijken. (…)
V: Hoe kwam de auto uiteindelijk in het water terecht?
A: Ze hebben het in neutraal gezet en een beetje geduwd. (…)
O: (…) wij hebben in jouw telefoon een chatgesprek gevonden waarin jij zegt: “Maar ik heb zijn iPhone zelf in zee gegooid”.
V: Leg dit eens uit.
A: [medeverdachte 1] had me de telefoon van [slachtoffer] gegeven toen we op de Julianabrug reden. [medeverdachte 1] had me gevraagd om de telefoon weg te gooien. Ik heb toen de telefoon in het water weggegooid, vanaf de Julianabrug. (…)” (Voetnoot 25)
24. De (mede)verdachte [medeverdachte 2] [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) werd op 6 juni 2024 omstreeks 12:43 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
“(…) V: Je zegt dat je het hele verhaal wil vertellen vanaf het begin.
A: (…) Ik kan mij wel herinneren dat [medeverdachte 1] tegen mij had gezegd dat zij een oudere meneer had die bereid was te betalen voor seks en dat hij een trio wilde hebben. (…)
V: Hoe zijn jullie gegaan?
A: We zijn met de auto gegaan. De man stond buiten op ons te wachten. Hij was naar de portier gegaan om te zeggen dat wij zouden komen. (…)
V: Wie gingen er weg?
A: Ik, [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [verdachte].
V: Waar gingen jullie heen?
A: Het huis van [medeverdachte 1]. (…)
V: Wie heeft de slaappil erin gedaan?
A: Volgens mij was het [medeverdachte 1]. (…)
V: In welke drank ging die slaappil?
A: Black Label.
25. De (mede)verdachte [medeverdachte 2] werd op 12 juni 2024 omstreeks 10:45 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
“(…) V: Wie kwam er op het idee over de afspraak met [slachtoffer]?
A: [medeverdachte 1]. (…)
V: Wist iedereen van tevoren wat jullie gingen doen op [adres 2]?
A: Ja.
V: Wat wist iedereen toen jullie gingen naar [adres 2]. Kun je dat vertellen?
A: Het begon ermee dat [medeverdachte 1] zei dat ze de man in slaap zou brengen. Op dat moment zouden we kunnen zien wat we allemaal konden meenemen. (…)
V: Wie heeft drogerende spullen meegenomen?
A: [medeverdachte 1]. (…)
V: Jullie komen aan bij de woning op [adres 2]. Dan is er een poolparty. Vertel, wat gebeurt er in en rond het zwembad? (…)
A: De meneer kwam ons ophalen bij de poort. We zijn naar het huis gegaan. We zijn naar binnen gegaan. (…)
V: Je bent toch naar een ander huis gegaan in [adres 7]?
A: Het huis van die meneer? We zijn daar langs gegaan inderdaad. (…)
V: Waarom gingen jullie naar de andere woning?
A: (…) [medeverdachte 1] had gezegd dat daar een kluis was. (…)
V: Je zegt dat je terugkomt bij [adres 2]. Jij stapt uit, wat doe je dan? (…)
A: (…) [medeverdachte 3] was uitgestapt. Ik ging achter hem aan. (…) Daar was die man in opstand gegaan. Hij ging rebelleren tegen [medeverdachte 3]. (…) Ik ben hem gaan wurgen van achteren. (…) Daarna is [medeverdachte 1] gekomen. (…) en gaf hem toen een injectie. (…)
V: Je vertelde dat [medeverdachte 1] de meneer prikte. Hoelang duurde het toen dat het leven uit het lichaam van die meneer ging?
A: (…) Ik ben weggegaan en na een tijdje teruggekomen. (…)
V: Waarom ging je weg?
A: Ik ben toen de woning in gegaan om geld te gaan zoeken. Ik en [medeverdachte 3] zochten samen naar geld. (…)
V: Wie hielpen hem om naar de auto te dragen?
A: Ik maakte de deur van de pick-up open. Dat was de achterdeur (…).
V: Waar lag meneer precies?
A: De meneer lag achter de stoel. Daar waar je normaal met je voeten zit. (…)
V: [medeverdachte 4] stapte uit, en toen?
A: We zijn naar [adres 4] gegaan. [medeverdachte 1] is mij en [medeverdachte 3] weer gaan helpen. We hebben de meneer van achteren eruit gehaald.
V: Hoe ging dat dan?
A: We hebben hem opgetild. (…)
V: Dan zit hij daar, achter het stuur?
A: De stoel was achteruit gehaald zodat er genoeg ruimte was om de meneer in de bestuurdersstoel te zetten. (…)
V: En toen, wie deed wat?
A: (…) De auto stond in Drive. Ik deed de voet van de meneer op het gaspedaal. (…)” (Voetnoot 27)
26. De (mede)verdachte [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 3]) werd op 11 juni 2024 omstreeks 10:35 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
“(…) V: Eerder heb je verteld dat er een vechtpartij ontstond. Wie zijn er betrokken geweest bij de vechtpartij?
A:[medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en ik.
V: Wat heb jij tijdens die vechtpartij gedaan?
A: Ik heb geprobeerd om die man tegen te houden. Ik heb hem met mijn handen vastgehouden want [medeverdachte 2] kon hem niet in zijn eentje aan.
V: Jij komt aan bij die woning en ziet dat [medeverdachte 2] aan het vechten is en dat hij de man niet aankan. Neem ons mee in jou verhaal.
A: Ze waren aan het vechten met die meneer. Ik ben gaan helpen omdat ze aan mij vroegen om te helpen. Wij waren met zijn drieën aan het vechten. Toen heeft [medeverdachte 2] de man gewurgd en heeft [medeverdachte 1] hem gestoken. (…)
V: Dus jij hebt hem vastgehouden zodat [medeverdachte 2] hem kon wurgen/
A: Nee, ik heb geholpen om de man te laten praten. Ik hield de man vast zodat de man niet weg kon gaan.
V: (…) Jullie stormden de woning binnen en toen?
A: (…) Toen ben ik gaan helpen omdat de man los wilde. [medeverdachte 2] sloeg de man in elkaar. Toen wij aankwamen zijn wij beiden naar binnen gestormd en zijn zij gaan vechten met de man.
V: Jij ook?
A: Ja, ik ben ook mee gaan doen omdat ze dat tegen mij zeiden. Ik hield de man vast. [medeverdachte 2] was de man aan het slaan. Jij houdt de man vast. Omdat de man zo sterk was, liet ik de man los, toen heeft [medeverdachte 2] de man gewurgd en heeft [medeverdachte 1] de man de injectie gegeven. Jullie hebben gevraagd wie de drogerende middelen had meegenomen? [medeverdachte 1] had die meegenomen.
V: Wie heeft de drogerende middelen in het drankje gedaan?
A: Dat heeft [medeverdachte 1] gedaan. (…)
V: Jij hebt het over het plan. Hoe is dat ontstaan?
A: (…) Op de dag zelf. In de middag werd ik benaderd dat er een poolparty was. Daarna heb ik gehoord dat er een plan was van een overval.
V: Wanneer op die dag?
A: Dat was voordat er begonnen was met het pakken van de sleutels en zo. (…)
V: (…) Wat hebben jullie gedaan nadat jullie het appartement hadden verlaten?
A: Wij zijn teruggegaan naar [adres 8], naar de woning van [medeverdachte 1]. Daar had ze allerlei spulletjes, naalden en pilletjes gehaald. (…)
(…)
A: [medeverdachte 1] is uitgestapt, de woning ingegaan, weer teruggekomen en in de auto gestapt. (…)
V: Dus jullie rijden weg bij de [adres 8]. [medeverdachte 1] heeft de injectienaald gepakt (…) Maar [medeverdachte 2] is boos. [medeverdachte 1] haalt een injectienaald en jij vraagt niet wat er gaat gebeuren?
A: Iedereen was boos (…).” (Voetnoot 28)
27. De (mede)verdachte [medeverdachte 3] werd op 11 juni 2024 omstreeks 15:26 uur verhoord. Hij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
“(…) V: Je hebt verklaard dat [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 4] zei dat zij met de man bezig moest zijn. [medeverdachte 1] ging samen met [medeverdachte 2] de woning in en jij was met [verdachte] in de pool. Hoe wisten jullie wat jullie moesten doen?
A: [medeverdachte 1] heeft de taken verdeeld. Zij heeft iedereen instructies gegeven. (…)
V: Kan je ons stap voor stap meenemen?
A: Wij kwamen aan bij de gate van [adres 2] en die man kwam ons tegemoet. Wij reden naar het huis achter die meneer aan. Net voordat wij uit de auto stapten, vertelde [medeverdachte 1] wat wij allemaal moesten gaan doen. [medeverdachte 4] moest de man bezighouden. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] moesten samen zijn en ik en [verdachte] moesten ook samen zijn. (…)
V: Je zei dat het plan daarvoor nog niet duidelijk was. Wat was er wel duidelijk?
A: Dat er een poolparty was. Het plan om iemand te beroven werd mij daar pas duidelijk. (…)
V: (…) wat moesten jullie doen?
A: (…) Toen wij aankwamen bij de woning wisten wij pas dat wij de man wilden beroven. [medeverdachte 4] moest de man bezighouden, zodat [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] in de woning hun ding konden doen, konden gaan stelen. Ik was samen met [verdachte] in het zwembad.
V: Is er ook besproken wat het entertainen in moest houden, wat [medeverdachte 4] moest gaan doen?
A: Nee, ze moest die man gewoon vermaken.
V: Jij en [verdachte] moesten in het zwembad blijven, waarom?
A: Om die man in de gaten te houden en de man af te leiden. Het afleiden was volgens het plan echt de taak van [medeverdachte 4]. Maar omdat [medeverdachte 4] zo zenuwachtig was, zijn we haar gaan helpen. We hebben toen ook de man afgeleid. We hebben met hem gepraat en zo, en konden hem in de gaten houden. (…)
V: Je hebt eerder verteld dat je aan kon geven waar het appartement ligt waar jullie naartoe zijn gegaan. Hoe heet de straat?
(…) A: Het is de [adres 1]. (…)
V: Vertel eens over het drogeren. Wie heeft dat in het drankje van [slachtoffer] gedaan?
A: [medeverdachte 1] had de pil meegenomen en in het drankje van [slachtoffer] gedaan.
V: Jij wordt [medeverdachte 3] genoemd toch door anderen?
A: Ja, dat klopt.
V: Je hebt al verklaard over dat jullie in gevecht gingen met [slachtoffer]. Wat was jouw rol geweest bij het gevecht?
A: Het idee was dat ik de man zou vasthouden zodat [medeverdachte 2] de man kon slaan. [medeverdachte 2] wilde op deze manier informatie van de man.
V: Waar sloeg [medeverdachte 2] hem?
A: Hij sloeg hem overal. Hij sloeg hem op zijn bovenlichaam, ook op zijn hoofd.
V: Wat wilde [medeverdachte 2] dan weten van de man?
A: (…) waar de kluis was. (…)
V: Op welke manier sloeg [medeverdachte 2] [slachtoffer]?
A: Met zijn vuist.
V: Hoe vaak sloeg hij [slachtoffer]?
A: Tussen de 10 en 20 keer. (…)
V: [medeverdachte 2] vertelt dat hij tijdens het wurgen van [slachtoffer] achterover is gevallen met [slachtoffer] en dat jij boven op hun bent gedoken.
A: (…) Toen [medeverdachte 2] de man aan het wurgen was, heeft [medeverdachte 1] de man gestoken met de injectie.
V: [slachtoffer]’s gezicht was flink, bebloed, wat kan je daarover vertellen?
A: Hij had klappen in zijn gezicht gehad en daardoor was hij gaan bloeden. (…)
A: [medeverdachte 2] hield hem in de wurggreep vast. [medeverdachte 1] liep om de man heen en stak hem in zijn schouder. (…)
A: De naald zat erin, ze drukte de vloeistof leeg en haalde de spuit er weer uit. (…)
V: Wat gebeurt er met [slachtoffer] toen de spuit eruit was?
A: [medeverdachte 2] hield de man in een wurggreep tot de man niet meer bewoog.
V: Hoe lang duurde het voordat de man niet meer bewoog?
A: Dat duurde 10 tot 15 seconden. (…)
V: Jullie hebben [slachtoffer] in de auto gelegd. Wie hebben dat allemaal gedaan?
A: Ik, [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. (…)
A: Wij hebben het lichaam naar de auto gesleept en in de auto gelegd. (…)
V: Dan komen jullie bij de pick-up aan. Via welke kant gaat [slachtoffer] in de auto?
A: Via de linker (achter)deur van de pick-up. (…)
A: [medeverdachte 2] deed de auto open met de afstandsbediening en deed daarna de deur open. (…)
A: [slachtoffer] lag op de grond. (…)
A: Toen heeft [medeverdachte 1] gezegd dat ik en [medeverdachte 2] mee moesten in de pick-up. (…)
A: Wij zijn vertrokken met de pick-up. (…)
V: Waar stond iedereen, wat deed iedereen?
A: Wij parkeerden de pick-up voordat wij bij de afgrond kwamen. (…) Wij hebben de man voorin gezet en [medeverdachte 2] heeft de auto in Drive gezet en toen reed de auto langzaam de klif af. (…)
V: Hebben jullie nog iets gedaan?
A: (…) Vervolgens zijn wij in de [automerk] gestapt.
V: Wie zat waar in de [automerk]?
A: [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zaten voorin (…)
A: [verdachte] en ik zaten achter in de auto. (…)” (Voetnoot 29)
28. De (mede)verdachte [medeverdachte 1] [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]) werd op 5 juni 2024 omstreeks 09:40 uur verhoord. Zij heeft bij die gelegenheid – voor zover van belang – het volgende verklaard:
“(…) V: (…) Waar werkte je daarvoor?
A: (…) Ik werkte privé, (…) ADC (…).
V: Was het op voorhand de bedoeling dat jullie seks zouden hebben en [medeverdachte 2] iets zou pakken?
A: Ja, de vrouwen zouden zorgen voor seks en de party, de afleiding. De mannen zouden dan de gelegenheid hebben om iets te stelen.
V: Wie wisten van deze afspraak?
A: Ik, [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [verdachte]. Wij wisten eigenlijk allemaal wat we zouden gaan doen. De vrouwen zorgden dat [slachtoffer] bezet zou zijn en de mannen konden dan iets stelen. (…)
A: (…) Toen ik aankwam was [medeverdachte 2] op de grond en had [medeverdachte 2] hem, [slachtoffer], bij zijn keel beet. Ik had het spuitje al in mijn hand. (…) ging het spuitje in de achterkant van zijn schouder. (…)” (Voetnoot 30)
29. De verdachte heeft ter terechtzitting het volgende verklaard:
“ (…) Toen [medeverdachte 2] ons is komen ophalen (…) was hij de bestuurder. Bij [adres 2] aangekomen kwam [slachtoffer] naar het portiershuisje. Toen ging de hefboom omhoog en reden we door naar binnen. (…) Toen [slachtoffer] en [medeverdachte 1] bezig waren, heb ik de mannen, [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], bezig met de dranken gezien. Ik heb ook gezien dat een van hen iets in een drankje deed. (…) Ik zag dat ze het drankje aan [slachtoffer] hadden gegeven. (…) Toen [medeverdachte 1] weer uit het zwembad klom, zei ze dat ik met haar mee moest (…) en dat [medeverdachte 4] met [slachtoffer] moest blijven. Toen we weg gingen zijn we direct naar het huis te [adres 1] gegaan. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zijn uitgestapt en hebben geprobeerd een voordeur van de woning te openen, maar geen van de sleutels paste in het slot. Ik bleef in de auto zitten. Ik hoorde ze zeggen dat de ze deur niet open kregen. Toen gingen we naar het huis van [medeverdachte 1]. Ze zijn allemaal uit de auto gestapt: [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. (…) Ik vroeg aan [medeverdachte 1] wat er gaande was. Ze zei, wacht dan zal je zien. We zijn naar [adres 2] teruggereden. (…) Na een tijdje ging ik kijken wat er gaande was. Bij de keukendeur zag ik dat [medeverdachte 2] [slachtoffer] in een wurggreep hield. Ik zag hoe [medeverdachte 2] [slachtoffer] één klap gaf en [medeverdachte 1] hem een injectie toediende. Binnen tien seconden deed [slachtoffer] niets meer. Hij werd slap. (…) [medeverdachte 3] stond in een hoek. De prik was doelbewust in de nek toegediend. Ik heb begrepen dat zij van hem de sleutels wilde hebben en omdat hij het door haar gewenste antwoord niet gaf, zij hem de injectie had toegediend. (…) Ze zeiden dat het lichaam niet daar kon blijven. Ik was in paniek en voelde me betrokken bij de situatie. (…) Toen heb ik gezegd: “we gaan naar [adres 4]”. (…) Toen ik dat zei was het om het lichaam aldaar te gaan dumpen. Toen zei [medeverdachte 1] tegen [medeverdachte 2] om samen met [medeverdachte 3] het lichaam in de auto te leggen. Ik ben in de auto van [medeverdachte 1] gestapt en zei tegen [medeverdachte 4] dat [slachtoffer] niet meer leefde. Dat wist ik omdat hij niet meer reageerde. (…) Ik stond 1 meter ver van hem (…) Toen stapte [medeverdachte 1] in de auto. We reden over de Julianabrug. Op de Julianabrug zei [medeverdachte 1] tegen mij om de telefoon over de brug in zee te gooien. Toen we op de top van de brug waren, heb ik de telefoon in zee gegooid. Vervolgens reden we door. (…) [medeverdachte 4] (het Gerecht: de verdachte [medeverdachte 4]) zei om haar naar huis te brengen, dus hebben we haar thuis gebracht. (…) Ik was nieuwsgierig. Ik wilde zelf zien wat er ging gebeuren. (…) We kwamen aan bij [adres 4]. De pick-up stond er al, klaar om naar de zee te gaan. Een van de jongens zei dat het lichaam zwaar was geworden. [medeverdachte 1] is gaan helpen. Ze hebben [slachtoffer] op de bestuurdersstoel gezet en zo is de pick-up de zee ingereden. Volgens mij draaide de motor nog. Toen ze de pick-up duwden, stond het op de handrem. Toen ze de handrem losmaakten, reed de pick-up zelf de zee in. (…)
Het plan was om naar de woning te gaan om seks met [slachtoffer] te hebben om daarvoor betaald te krijgen. (…)” (Voetnoot 31)
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten zal worden vrijgesproken. Zij heeft daartoe aangevoerd dat er geen bewijs is dat de verdachte vooraf wist dat [slachtoffer] gedrogeerd zou worden en daar met die wetenschap aan het gebeurde heeft deelgenomen. Het is een aanname van het openbaar ministerie dat alle verdachten vooraf hebben geweten en hebben ingestemd met een plan tot het drogeren van [slachtoffer].
Ten aanzien van de als feit 2 ten laste gelegde diefstal met geweld, in welke deelnemingsvorm dan ook, wordt deze door de verdachte ontkend. Het slechts door de verdachte op enig moment hebben vernomen van een dergelijk plan en de loutere aanwezigheid is voor een deelname daaraan onvoldoende. Blijkens het dossier heeft de verdachte geen (feitelijke) handelingen verricht en ook geen bijdrage – noch intellectueel noch materieel – geleverd, die uiting geven van een nauwe en bewuste samenwerking. Zoals door het openbaar ministerie naar voren is gebracht, was [verdachte] – toen nog 18 jaar – erbij en tijdens de geweldsuiting slechts voor een deel daarvan. Zij is pas na een tijdje uit nieuwsgierigheid naar de woning gegaan waar de gewelduiting plaatsvond. Het schijnen met het lichtje van haar mobiele telefoon was om zelf beter te kunnen zien en niet om de medeverdachten in de geweldspleging op dat moment te vergemakkelijken zodat ze op dat moment beter konden zien. Gelet op de verklaringen van de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] dat zij op het moment van de geweldspleging goed konden zien, was het zaklampje van de verdachte een futiliteit. Voor wat betreft het moment waarop de telefoon in zee werd gegooid, was de diefstal met geweld al voltooid. Die rechtens relevante bijdrage kan niet enkel bestaan uit het weggooien van de telefoon op instructie van een ander. Voorts kan haar het verwijt ook niet worden gemaakt dat zij enkel met haar aanwezigheid op enig moment en zich niet had teruggetrokken, een bijdrage heeft geleverd als rechtens is vereist voor medeplegen. Haar aanwezigheid heeft tot het moment dat zij haar mond opentrok en ’[adres 4]’ zei, geen enkele invloed gehad op de gebeurtenissen van de bewuste avond en nacht. Voorts biedt het dossier geen handvatten ter zake van de als feit 2 subsidiair tenlastegelegde medeplichtigheid.
Ten aanzien van het als feit 1 ten laste gelegde gekwalificeerde doodslag is het standpunt van de verdediging eensluidend: het dossier bevat geen wettig en overtuigend bewijs ter zake van het medeplegen van doodslag, evenmin de medeplichtigheid daaraan. Het slaan, wurgen en injecteren van [slachtoffer] is niet door de verdachte geschied. De verdachte had niet kunnen weten of anticiperen dat [slachtoffer] in zijn nek zou worden gestoken als gevolg waarvan hij zou komen te overlijden. Zij was bij de woning van [medeverdachte 1] niet uitgestapt en uit de niet bewezen mededeling van [medeverdachte 1] dat het ‘een overval of een moord’ wordt, heeft de verdachte zich niet voorgesteld dat de verdachte [medeverdachte 1] de man dood zou injecteren. Voorts valt uit de beweerde mededeling van de verdachte aan de verdachte [medeverdachte 4] ‘nan ta bai hode’ (ze gaan hem naaien) zoveel ook niet op te maken. Wat zij daarmee bedoelde kan achteraf door ons niet voor haar worden bepaald. Dat de verdachte zich niet voldoende had gedistantieerd, is wellicht onbegrijpelijk. Echter is het niet distantiëren niet voldoende voor een veroordeling ter zake van medeplegen van, respectievelijk medeplichtigheid aan doodslag, aldus nog steeds de raadsvrouw.
Het Gerecht overweegt als volgt.
Algemeen
Op grond van de gebezigde bewijsmiddelen en het onderzoek ter terechtzitting is het volgende buiten redelijke twijfel komen vast te staan.
Het slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) werd zowel op 14 als 15 september 2018 als vermist aangemeld. Hij zou op 12 september 2018 samen met de pick-up, een [automerk/model], voorzien van het kenteken [kentekennummer] (hierna: het voertuig), spoorloos zijn verdwenen, en zou ten tijde van de vermissing in de woning te [adres 2] hebben verbleven.
Tijdens de op 16 september 2018 in de woning te [adres 2] gedane forensische opsporing zijn 32 sporen, waaronder een lege fles whisky (Black Label) veiliggesteld. In de (resterende) vloeistof uit die fles whisky zijn de drogerende of bedwelmende geneesmiddelen promethazine en codeïne aangetoond.
Op 5 juli 2019 werd een voertuig op de bodem van de zee aan de Noordkust ter hoogte van [adres 4] aangetroffen. Dit voertuig bleek de vermiste [automerk/model] te zijn. Het voertuig werd op 17 juli 2019 uit de zee gehaald. In het voertuig werden botresten aangetroffen, die na DNA-onderzoek van het slachtoffer bleken te zijn.
Op 12 september 2018 heeft een ontmoeting tussen de verdachte en het slachtoffer op [adres 2] 87 plaatsgevonden, waarbij het (aanvankelijk) om een seks-poolparty ging. Daarbij waren aanwezig de verdachte en de (mede)verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2].
Volgens de verklaringen van de verdachte en de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] kwam de verdachte [medeverdachte 1] met het plan om het slachtoffer te beroven en had zij dat plan pas toen ze op [adres 2] waren aan hen meegedeeld. Iedereen kreeg een taak toebedeeld. De meiden moesten het slachtoffer met seks afleiden, zodat de mannen het slachtoffer konden bestelen. Hiervoor moest het slachtoffer worden gedrogeerd, zodat hij in slaap zou vallen en zij hem konden bestelen. Er is slaappil en/of molly aan de drank van het slachtoffer toegevoegd. Aan de whisky werden promethazine en codeïne toegevoegd. Op een gegeven moment is de verdachte ter uitvoering van het berovingsplan samen met de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met de in de woning te [adres 2] weggenomen sleutels naar de woning van het slachtoffer aan de [adres 1] vertrokken. Dit met het doel om bij een volgens de verdachte [medeverdachte 1] daar aanwezige kluis te komen. De door hen meegenomen sleutels pasten niet. In de tussentijd is de verdachte [medeverdachte 4] alleen met het slachtoffer achtergebleven. Zij onderhield telefonisch contact met de verdachte om door te geven of het slachtoffer al dan niet in slaap was gevallen.
Voormelde poging om het huis binnen te dringen, wekte grote boosheid bij de verdachte en de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3]. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte [medeverdachte 1] toen heeft gezegd: “Dit wordt een overval of een moord.” Hierna gingen ze naar het huis van de verdachte [medeverdachte 1]. Daar had de verdachte [medeverdachte 1] naalden en pilletjes c.q. nog meer drogerende middelen gehaald. Vervolgens reden ze terug naar de woning te [adres 2].
Bij terugkomst te [adres 2] ging de verdachte [medeverdachte 4] bij de verdachte in de auto zitten. De verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] gingen samen het huis binnen. Het slachtoffer werd door de verdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] aangevallen en overmeesterd. Er ontstond een gevecht. Tijdens het gevecht werd het slachtoffer door zowel de verdachte [medeverdachte 3] als de verdachte [medeverdachte 2] gewurgd en door de verdachte [medeverdachte 2] geslagen. Volgens ook de verklaring van de verdachte die op een gegeven moment van dichtbij is gaan kijken, had de verdachte [medeverdachte 1] het slachtoffer met een stof geïnjecteerd waarna het slachtoffer daar slap van werd. De verdachte heeft het idee opgeworpen om naar [adres 4] te gaan.
Het lichaam van het slachtoffer werd door de verdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] gezamenlijk naar het voertuig gedragen c.q. versleept en achterin geplaatst. Vervolgens zijn de verdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] in het voertuig naar [adres 4] gereden. De verdachte en de verdachte [medeverdachte 4] zijn samen met de verdachte [medeverdachte 1] in haar huurauto vertrokken. Onderweg naar [adres 4] zijn zij over de Julianabrug gereden. De verdachte heeft de telefoon van het slachtoffer vanaf de Julianabrug in zee geworpen. Vervolgens werd de verdachte [medeverdachte 4] thuis gebracht. De verdachte [medeverdachte 1] is samen met de verdachte naar [adres 4] gereden, waar zij zich bij de verdachte [medeverdachte 3] en de verdachte [medeverdachte 2] hadden aangesloten.
Bij [adres 4] werd het slachtoffer op de bestuurdersstoel van het voertuig geplaatst. Vervolgens werd het voertuig in ‘Drive’-stand gezet en is het de zee ingereden.
Diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbende (feit 2)
Ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit overweegt het Gerecht dat het wettig en overtuigend bewezen kan worden, voor zover het ziet op de diefstal van een aantal sleutels, een telefoon en het voertuig.
Uit de bewijsmiddelen leidt het Gerecht af dat er sprake was van twee afzonderlijke diefstalmomenten, waarbij telkens geweld tegen het slachtoffer werd gebruikt.
Het eerste diefstalmoment betreft het wegnemen van de sleutels van het slachtoffer, ter uitvoering van het plan om op zoek te gaan naar een kluis in het door het slachtoffer bewoonde appartement aan de [adres 1] en zich de inhoud daarvan wederrechtelijk toe te eigenen. Daarvoor werd het slachtoffer via zijn drank gedrogeerd. Hierbij hebben de verdachte en de andere verdachten onmiskenbaar getracht het slachtoffer in een staat van bewusteloosheid of onmacht te brengen, hetgeen ingevolge artikel 1:199 van het Wetboek van Strafrecht gelijkgesteld wordt met het plegen van geweld. Het wegnemen van de sleutels was een essentieel middel om toegang te verkrijgen tot de kluis en de daarin beweerdelijk aanwezige waardevolle goederen. Dit handelen vormt een voltooid strafbaar feit, ongeacht het feit dat het beoogde doel – toegang tot de kluis en het stelen van de inhoud daarvan – niet is gerealiseerd.
Het tweede diefstalmoment deed zich voor bij de terugkomst van de verdachte en de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] te [adres 2], waarbij zij het slachtoffer hadden mishandeld teneinde informatie over de kluis te verkrijgen. Tijdens en/of direct na deze mishandeling hebben zij wederrechtelijk de telefoon en het voertuig van het slachtoffer weggenomen.
Deze cumulatieve gedragingen, gekenmerkt door geweld en wederrechtelijke toe-eigening, duiden op diefstal met geweld.
Voor een bewezenverklaring van het tenlastegelegde strafverzwarende gevolg van het handelen van de verdachte en de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], te weten: het overlijden van het slachtoffer, is niet vereist dat sprake is van opzet van de verdachte op dat gevolg. Bij het strafverzwarende gevolg als bedoeld in artikel 2:291, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht gaat het immers om een geobjectiveerd bestanddeel, dat aan de opzeteis is onttrokken. Wel is vereist dat het gevolg redelijkerwijs aan de verdachte kan worden toegerekend. Voor die toerekening dient in dit geval naast een causaal verband sprake te zijn van enige mate van voorzienbaarheid.
Doodsoorzaak
Het Gerecht ziet zich gesteld voor de vraag wat de doodsoorzaak van het slachtoffer is.
De officier van justitie komt tot de tussenconclusie dat de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] het slachtoffer hebben geslagen, gewurgd en geïnjecteerd, waardoor het slachtoffer opzettelijk van het leven is beroofd (zie pagina 13 requisitoir). Dat het slachtoffer – daardoor – is overleden, onderbouwt de officier van justitie als volgt:
‘Wat duidelijk is geworden is dat na de tweede geweldsepisode [slachtoffer] is overleden. [slachtoffer] is overleden nadat [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] de woning zijn binnengestormd, nadat zij onverrichte zaken terugkeerden naar [adres 2]. [verdachte] kwam niet veel later erbij staan met de zaklamp die, zoals zij zelf zegt, fel op hen scheen. [verdachte], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] verklaren alle vier dat [slachtoffer] meermalen is geslagen, verwurgd en daarna met een spuit is geïnjecteerd. In deze spuit zou molly zitten, nadat hij al reeds andere middelen toegediend had gekregen. Alle vier hebben verklaard dat na het verwurgen en injecteren, [slachtoffer] niet meer in leven was. [medeverdachte 1] heeft gevoeld voor een hartslag, maar constateerde dat [slachtoffer] die niet meer had en dus was overleden. [slachtoffer] hapte eerst nog naar lucht en stopte toen met ademhalen. Later, bij [adres 4], heeft [medeverdachte 2] ook gevoeld of [slachtoffer] nog hartslag had. Dat was niet het geval. [verdachte] verklaarde dat [slachtoffer] paars was aangelopen. Bij de rechter-commissaris heeft [verdachte] verklaard dat zij bij [adres 4], nadat ze het licht van haar telefoon heeft aangezet, zag dat zijn gezicht groot en opgezwollen was en ze hoorde zeggen dat [slachtoffer] heel zwaar geworden was.’ (requisitoir pagina 11 en 12).
Uit de conclusies van de forensisch patholoog blijkt echter dat de doodsoorzaak van het slachtoffer niet kan worden vastgesteld. Dit brengt met zich dat het, in tegenstelling tot het standpunt van de officier van justitie, niet (zonder meer) wettig en overtuigend bewezen kan worden dat het slachtoffer als gevolg van het drogeren, het fysieke geweld door de verdachte [medeverdachte 3] en de verdachte [medeverdachte 2] en/of de door de verdachte [medeverdachte 1] toegediende injectie is komen te overlijden. Immers, zulks is door een medisch deskundige niet vastgesteld. Dat het slachtoffer kennelijk in de beleving van de verdachten bij aankomst op [adres 4] al was overleden, brengt het Gerecht niet tot een ander oordeel. Op grond van de geldende wet- en regelgeving is een geneeskundige bevoegd om het overlijden van een persoon vast te stellen. Het Gerecht overweegt in dit verband dat geen van de verdachten beschikt over medische bevoegdheid of deskundigheid om op medisch verantwoorde wijze de dood vast te stellen. Bovendien impliceert de subjectieve en niet-gekwalificeerde waarneming van de verdachten niet dat er sprake was van een medische of feitelijke doodstoestand op dat moment.
Hoewel het in de omstandigheden van het geval wellicht minder waarschijnlijk is, is het in theorie en in de praktijk mogelijk dat het slachtoffer, terwijl hij in kennelijke staat van bewusteloosheid verkeerde, nog wel in leven was voordat hij in het voertuig te water werd gelaten. Indien er veronderstellenderwijs van zou worden uitgegaan dat het slachtoffer klinisch gezien nog in leven was toen men bij [adres 4] aankwam, kan het echter niet anders zijn dan dat hij in ieder geval uiteindelijk om het leven is gekomen op het moment dat hij in de [automerk/model] in de zee terecht is gekomen.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het Gerecht van oordeel dat de dood van het slachtoffer onmiskenbaar is toe te rekenen aan de gedragingen van de verdachte en de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3], ook indien met de officier van justitie zou worden geconcludeerd dat het slachtoffer al vóór het te water gaan was overleden. Het behoeft immers geen betoog dat het drogeren en met fors geweld mishandelen van een persoon, en het lichaam van het reeds overleden, zo niet, in kennelijke staat van bewusteloosheid verkerende slachtoffer in een voertuig plaatsen en het vervolgens te zee laten van dit voertuig een situatie creëert waarin het overlijden van het slachtoffer naar objectieve maatstaven voorzienbaar en onvermijdelijk is. Het gedrag van de verdachte en voornoemde medeverdachten, vormt daarmee een directe en causale schakel met diens overlijden. Voor de verdachte geldt bovendien dat zij zich niet heeft gedistantieerd ten tijde van het drogeren, slaan, wurgen en injecteren van het slachtoffer; sterker nog, zij is degene die met het idee kwam om (het volgens haar dode) lichaam van het slachtoffer in de zee bij [adres 4] te gooien, waarbij zij ook aanwezig was. Bijna een jaar later is het desbetreffende voertuig met daarin de beenderen van het slachtoffer uit de zee gehaald.
Gezien het voorgaande acht het Gerecht bewezen dat de gewelddadige dood van het slachtoffer aan de verdachte en de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] kan worden toegerekend.
Gekwalificeerde doodslag (feit 1)
Door de verdediging is betwist dat sprake is van gekwalificeerde doodslag, nu het slaan, wurgen en injecteren van het slachtoffer niet door de verdachte is geschied. De verdachte had niet kunnen weten of anticiperen dat het slachtoffer in zijn nek zou worden gestoken als gevolg waarvan hij zou komen te overlijden.
Nu al eerder is overwogen dat het slachtoffer is overleden ten gevolge van het op hem door de verdachte en de andere verdachten uitgeoefende geweld, is sprake van doodslag. De aan de verdachte toe te rekenen massale gewelduitoefening is immers naar haar uiterlijke verschijningsvorm zo zeer gericht op de dood van het slachtoffer dat het Gerecht bewezen acht dat de verdachte en de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] willens en wetens en dus opzettelijk hebben gehandeld.
Met betrekking tot de vraag of de bewezenverklaarde doodslag onder de strafverzwarende omstandigheden heeft plaatsgevonden als bedoeld in artikel 2:260 van het Wetboek van Strafrecht, overweegt het Gerecht als volgt.
De kern van deze strafbaarstelling bestaat uit een doodslag die in een onmiddellijk verband staat met een ander strafbaar feit, zowel in causaal opzicht als wat het tijdstip van het zich voordoen van de feiten betreft: het andere feit, ook wel aangeduid als oorsprongsfeit, in dit geval: diefstal met geweld (de dood ten gevolge hebbende) moet de doodslag in zo’n mate vergezellen of van nabij volgen of daaraan voorafgaan dat het geacht kan worden er één geheel van uit te maken met als nadere beperking van de reikwijdte van de strafbaarstelling het (bijkomende) oogmerk van de verdachte dat de doodslag is gericht op het voorbereiden, gemakkelijker maken van – of kort gezegd straffeloosheid verzekeren voor – dat andere (oorsprongs-)feit.
Het Gerecht kan aan het handelen van de verdachte en de andere verdachten geen andere conclusie verbinden dan dat de verdachte en de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] met het doden van het slachtoffer het voor strafbaarheid van gekwalificeerde doodslag benodigde oogmerk hebben gehad de diefstal voor te bereiden en gemakkelijker te maken. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat nadat het slachtoffer, in ieder geval in de beleving van de verdachten was overleden, de verdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in de woning op zoek gingen naar spullen om te stelen. Vast staat dat de verdachten het voertuig en de telefoon van het slachtoffer hebben meegenomen. Dat zij onderweg naar [adres 4] de telefoon vanaf de brug in de zee hebben gegooid en het voertuig hebben gebruikt om het lichaam van het slachtoffer daarin te water te laten, doet aan de diefstal met geweld en het daaraan voorgaande handelen niets af.
Medeplegen
Met betrekking tot het medeplegen is het Gerecht op basis van de gebezigde bewijsmiddelen van oordeel dat de verdachte op nauwe en bewuste wijze heeft samengewerkt met de verdachten [medeverdachte 4], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Hoewel uit het dossier niet duidelijk blijkt dat de verdachten van tevoren concrete afspraken hebben gemaakt en van een gezamenlijk plan van aanpak niet is gebleken, zijn zij wel samen naar de woning van het slachtoffer gegaan en hebben zij allen – voor wat betreft hun aandeel in het geheel – een actieve bijdrage geleverd door gezamenlijk en gelijktijdig uitvoeringshandelingen te verrichten, waarbij de uitvoeringshandelingen van de verdachte en de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] uiteindelijk hebben geleid tot de dood van het slachtoffer. Het bewijs van medeplegen is in de onderhavige zaak tegen de verdachte hiermee geleverd.
Conclusie ten aanzien van feit 1 en feit 2
Het Gerecht acht op grond van het handelen van de verdachte en de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] zoals dat hiervoor is beschreven de onder 1 primair tenlastegelegde gekwalificeerde doodslag op het slachtoffer en de onder 2 primair tenlastegelegde diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbende dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Wegmaken lijk (feit 3)
Met de officier van justitie en de raadsvrouw is het Gerecht van oordeel dat het onder 3 ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard.
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte en de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] in nauwe en bewuste samenwerking het lichaam van het reeds overleden, zo niet, in kennelijke staat van bewusteloosheid verkerende slachtoffer in het voertuig hebben geplaatst en dit voertuig in zee hebben laten rijden. Als reeds overwogen staat medisch gezien niet vast dat het slachtoffer reeds was overleden op het moment dat men te [adres 4] aankwam. Dat op dat moment sprake was van een “lijk” als zodanig, kan derhalve niet worden vastgesteld. Hoe het ook zij: met hun handelen hebben de verdachte en de verdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] het – in ieder geval in hun beleving – lijk en, indien het slachtoffer op dat moment nog in leven was, het lichaam van het slachtoffer weggemaakt en daarmee uitvoering gegeven aan hun intentie dat het lijk van het slachtoffer dat op dat moment, indien nog in leven, hoe dan ook om het leven zou komen, nooit meer zou worden gevonden, zulks met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.
De verweren worden verworpen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder 1 primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in de artikelen 2:259 en 2:260 juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en gemakkelijker te maken.
Het onder 2 primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:288 juncto artikel 2:289 juncto artikel 2:291 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Diefstal, voorafgegaan en vergezeld van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden of gemakkelijker te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl het feit de dood ten gevolge heeft.
Het onder 3 bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:94 juncto artikel 1:123 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van het wegmaken van een lijk met het oogmerk om het feit of de oorzaak van het overlijden te verhelen.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een “gekwalificeerde doodslag”, als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 jaren gegeven en voor een “diefstal met geweld”, waarbij met een steekwapen en/of een ander geweld (niet schieten) de dood van het slachtoffer ten gevolge hebbende, als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren gegeven.
In dit geval heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan de eendaadse samenloop van het medeplegen van gekwalificeerde doodslag en diefstal met geweld, de dood ten gevolge hebbende, en daarnaast van het wegmaken van het lijk van het slachtoffer. Goed beschouwd ziet het Gerecht wat betreft feiten 1 en 2 telkens primair één en hetzelfde feitencomplex wat kan worden ondergebracht onder twee verschillende strafbepalingen, waarbij de onder 1 primair bewezenverklaarde gekwalificeerde doodslag met de hoogste straf wordt bedreigd. Bovendien zijn de feitelijke handelingen die hebben geleid tot het onder feit 3 bewezenverklaarde wegmaken van het lijk ook al bewezenverklaard onder feiten 1 en 2 telkens primair.
De verdachte is samen met de andere verdachten in de woning waar het slachtoffer verbleef gegaan, hebben het slachtoffer misleid, gedrogeerd, mishandeld en beroofd, niet alleen van zijn goederen, maar ook van zijn leven. Iemand doden is een onomkeerbare daad. Het biedt geen ruimte voor herstel en dieper ingrijpen in het leven van een ander is niet mogelijk.
Het Gerecht rekent de verdachte niet alleen aan dat zij en de andere verdachten het slachtoffer hebben beroofd en hem op gruwelijke wijze om het leven hebben gebracht en zich hebben ontdaan van zijn lichaam, maar ook dat zij hebben afgesproken om dit hele gebeuren stil te houden. Hiermee heeft de verdachte de grote onzekerheid en zorg waarin de familie van het slachtoffer verkeerde onnodig lang laten voortduren. De ouders van het slachtoffer hebben tot aan hun overlijden in diep verdriet moeten leven, gekweld door het feit dat de daders niet zijn achterhaald. Ook hebben de verdwijning/dood en de manier waarop het slachtoffer om het leven is gekomen tot grote beroering in de samenleving geleid.
Het Gerecht heeft verder, wat de persoon van de verdachte betreft, kennisgenomen van het reclasseringsrapport van 9 december 2024, van het rapport van de psycholoog van 29 juni 2024 en dat van de psychiater van 5 december 2024. Daarbij neemt het Gerecht in aanmerking dat de reclassering het recidiverisico als matig inschat en adviseert tot verplicht reclasseringstoezicht, waaronder een behandeling bij een gedragsdeskundige.
De psychiater heeft geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een verstoorde persoonlijkheidsvorming als gevolg van een getraumatiseerde jeugd, gekenmerkt door seksueel misbruik en pedagogische en affectieve verwaarlozing. Dit heeft ertoe geleid dat hij de verdachte als verminderd toerekeningsvatbaar beschouwt.
De psychologen daarentegen achten de verdachte volledig toerekeningsvatbaar en schatten de kans op recidive gemiddeld in. Ter beperking van het recidiverisico adviseren zij psychotherapie, verslavingsbehandeling en werkgerelateerde trainingen en trainingen gericht op sociale vaardigheden.
Uit de stukken van het geding en het verhandelde ter terechtzitting maakt het Gerecht bovendien op dat de verdachte inziet dat zij een grote fout heeft gemaakt en daar oprecht spijt van heeft.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Gerecht houdt in het voordeel van de verdachte rekening dat zij niet eerder is veroordeeld ter zake van een soortgelijk misdrijf.
Bij de strafoplegging houdt het Gerecht mede rekening met de leeftijd van de verdachte ten tijde van het delict. De verdachte was destijds relatief jong, namelijk 18 jaar oud.
Het Gerecht is, na dit een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren passend en geboden is. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:133 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 primair, 2 primair en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 7 (zeven) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. O.H.M. Leito, griffier, en op 26 februari 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.