Gerecht in eerste aanleg van Curaçao, eerste aanleg - enkelvoudig strafrecht overig

ECLI:NL:OGEAC:2024:304

Op 20 September 2024 heeft de Gerecht in eerste aanleg van Curaçao een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van strafrecht overig, wat onderdeel is van het strafrecht. Het zaaknummer is 500.00036/24, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAC:2024:304.

Soort procedure:
Rechtsgebied:
Zaaknummer(s):
500.00036/24
Datum uitspraak:
20 September 2024
Datum publicatie:
10 June 2026

Indicatie

Curaçao. Doodslag. Voorwaardelijk opzet.

Uitspraak

Parketnummer: 500.00036/24

Uitspraak: 20 september 2024 Tegenspraak

Vonnis van dit Gerecht

in de strafzaak tegen de verdachte:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] 1959 te [geboorteplaats],

wonende in [woonplaats],

thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.

Onderzoek van de zaak

Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 30 augustus 2024. De verdachte is verschenen, bijgestaan door zijn raadsman mr. U.F. Dickens, advocaat in Curaçao.

De benadeelde partijen [benadeelde 1], [benadeelde 2] en [benadeelde 3] hebben zich gevoegd in het strafproces met een vordering tot schadevergoeding, en zijn ter terechtzitting verschenen. De heer [benadeelde 1] heeft via een directe beeld- en geluidverbinding vanuit een locatie in Nederland de zitting bijgewoond.

De officier van justitie, mr. M. Dennaoui-Simon, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1 impliciet subsidiair (doodslag) en feit 2 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte ter zake daarvan zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van voorarrest.

Haar vordering behelst voorts de volledige toewijzing van de vorderingen van de benadeelde partijen.

De raadsman heeft bepleit dat ten aanzien van het onder feit 1 tenlastegelegde sprake is van voorwaardelijk opzet en voorts dat voorbedachten rade niet kan worden bewezen en dus vrijspraak moet volgen van moord. In het kader van de op te leggen sanctie heeft de raadsman primair bepleit dat verplichte reclasseringsbegeleiding zal worden opgelegd en subsidiair dat een op te leggen onvoorwaardelijke gevangenisstraf zal worden gematigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

Feit 1:

hij op of omstreeks 7 februari 2024 te Curaçao, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een stuk hout/plank geslagen en/of vervolgens met een vuurwapen een of meerdere schoten op (in de richting van) het lichaam van die [slachtoffer] gelost, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

(artikel 2:262/259 Wetboek van Strafrecht)

Feit 2

hij op of omstreeks 7 februari 2024 in Curaçao, een of meer vuurwapen(s) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad;

(artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)

Formele voorvragen

Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

Vrijspraak feit 1 impliciet primair

Het Gerecht is met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat niet bewezen kan worden dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld, zodat de verdachte zal worden vrijgesproken van de onder feit 1 impliciet primair ten laste gelegde moord.

Bewezenverklaring

Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

Feit 1 impliciet subsidiair:

hij op of omstreeks 7 februari 2024 te Curaçao, opzettelijk en - al dan niet - met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met een stuk hout/plank geslagen en/of vervolgens met een vuurwapen een of meerdere schoten op (in de richting van) het lichaam van die [slachtoffer] gelost, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;

Feit 2:

hij op of omstreeks 7 februari 2024 in Curaçao, een of meer vuurwapen(s) en/of munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.

Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. (Voetnoot 1)

Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.

Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.

Ten aanzien van de feiten 1 impliciet subsidiair en 2:

1. Proces-verbaal van bevinding Plaats delict en doodconstatering d.d. 8 februari 2024, pagina 1 e.v., voor zover inhoudende:

Op 7 februari 2024 omstreeks 12:50 uur kwam er een melding binnen bij de CMK van de politie dat een schietpartij had plaatsgevonden, naar later bleek op het adres [adres].

Op die dag omstreeks 13:25 aangekomen lag er een levenloos lichaam van een man op zijn buik op de grond. Omstreeks 13:45 uur werd de dood van het slachtoffer [slachtoffer] geconstateerd.

2. Proces-verbaal van lijkherkenning d.d. 8 februari 2024, pagina 3 e.v., voor zover inhoudende:

Op 7 februari 2024 vond bij de [adres] een schietpartij met dodelijke afloop plaats. Op 8 februari 2024 is een lijkherkenning verricht met de zus van het slachtoffer [benadeelde 3], de ex-partner van het slachtoffer [ex-partner van slachtoffer] en de dochter van het slachtoffer [benadeelde 3]. Genoemde personen herkenden het aan hen getoonde lijk als de man [slachtoffer].

3. Een geschrift, te weten een forensisch autopsie rapport van het Analytisch Diagnostisch Centrum d.d. 9 februari 2024, opgesteld door patholoog dr. L. Althaus, voor zover inhoudende:

Autopsy [slachtoffer] 09-02-2024, time of death 07-02-2024.

Conclusions; 1 perforating gunshot injury could be found on the head and the neck. Entry wound in de frontal mouth… with exit wound on the left upper neck.

Cause of death: contusion of the cervical spine in combination with blood aspiration due to a gunshot.

4. Proces-verbaal getuigenverhoor [getuige 1] d.d. 8 februari 2024, voor zover inhoudende:

Op 7 februari 2024 werd ik geroepen door de buurvrouw [getuige 2]. Hierna liepen we samen bij [slachtoffer]. [slachtoffer] vroeg ons over de nummers van de watermeter van Aqualectra. Wij zagen [verdachte] (het Gerecht begrijpt: de verdachte) naar buiten komen. [slachtoffer] vroeg aan hem omtrent het aftappen van water. Er ontstond een woordenwisseling tussen hen. [slachtoffer] tikte [verdachte] met zijn beide handen aan de wangen om hem te kalmeren, maar [verdachte] was woedend en liep terug binnenshuis. [getuige 2] en ik liepen met [slachtoffer] naar zijn vrachtwagen. Daarna kwam [verdachte] naar buiten met een stuk hout in zijn rechterhand en een vuurwapen tussen zijn middel en broeksriem. Toen [getuige 2] en ik tegen [slachtoffer] schreeuwden om weg te gaan, sloeg [verdachte] [slachtoffer] met het stuk hout aan zijn kuiten. Ik trachtte tussen hen te bemiddelen. Op een gegeven moment ben ik op de grond gevallen. Toen ik opstond zag ik hoe [verdachte] [slachtoffer] had geschoten. [slachtoffer] viel meteen op de grond.

5. Proces-verbaal getuigenverhoor [getuige 2] d.d. 7 februari 2024, voor zover inhoudende:

Ik kwam aanlopen en trof [slachtoffer] aan. [verdachte] (het Gerecht begrijpt: de verdachte) kwam aanlopen. Er ontstond een woordenwisseling tussen beiden. Het slachtoffer [slachtoffer] zei tegen hem dat de rekeningen te hoog waren omdat hij bezig is water af te tappen. [verdachte] werd kwaad. Ik zag dat het slachtoffer met beide handen op de schouder en vervolgens het gezicht van [verdachte] tikte en vroeg hem wat er gaande was. Het was even aanraken en vragen wat er mis met hem was. Ik en mijn andere buurvrouw kwamen tussenbeide staan. Vervolgens was [verdachte] naar zijn woning gegaan.

Terwijl het slachtoffer naar beneden liep, zag ik hoe [verdachte] vanuit zijn erf aan kwam lopen. [verdachte] hield in zijn rechterhand een stuk hout en in zijn linkerhand een vuurwapen vast. [verdachte] ging achter het slachtoffer aan en sloeg hem eerst met dat stuk hout. Vervolgens gaf hij hem een tweede klap met dat stuk hout. Ik zag dat het het slachtoffer gelukt was om het stuk hout uit de handen van [verdachte] te pakken. Op dat moment zag ik hoe [verdachte] op het slachtoffer schoot. Het slachtoffer viel meteen op de grond.

6. De politie heeft camerabeelden verkregen die zijn opgenomen op 7 februari 2024 aan de [adres]. Het Gerecht heeft op de (ter terechtzitting getoonde) beelden het volgende waargenomen:

Beeldbestand 45:

12:45:26

De verdachte loopt vanuit zijn woning richting de tuindeur met een houten stok onder zijn rechteroksel en een vuurwapen in zijn rechterhand. Hij stopt het vuurwapen voor in zijn broeksband en loopt met de houten stok in zijn rechterhand af op het slachtoffer. Bij het slachtoffer aangekomen heft hij twee keer de houten stok richting het slachtoffer. De getuige [getuige 1] gaat tussen de mannen in staan, en de verdachte gooit daarop de stok op de grond. Het slachtoffer, dat al die tijd op één plek was blijven staan, draait zich om en raapt iets op van de grond. De getuige die tussen de mannen in staat duwt op dat moment het slachtoffer iets naar achteren en komt daarbij zelf ten val. Om 12:45:44 grijpt de verdachte het vuurwapen met zijn rechterhand uit zijn broeksband. Met zijn linkerhand erbij laadt hij het wapen direct door (om 12:45:45) en met zijn rechterhand richt hij het wapen vervolgens gedurende enkele seconden op het slachtoffer. Het slachtoffer staat op dat moment nog gebukt en richt zich op, in zijn handen voor zijn lichaam het voorwerp dat hij van de grond heeft opgeraapt. De mannen staan op ongeveer een meter van elkaar af en draaien vervolgens iets om elkaar heen. Dan laat de verdachte om 12:45:57 zijn rechterarm met daarin het vuurwapen naar beneden langs zijn lichaam zakken en discussieert door met het slachtoffer.

Beeldbestand 46:

12:46:07 Het slachtoffer blijft op één plek staan. De verdachte pakt het wapen over in zijn linkerhand en raapt om 12:46:08 met zijn rechterhand het stuk hout van de grond op. Hij verheft het stuk hout in zijn rechterhand omhoog richting het slachtoffer. Zijn linkerhand met daarin het vuurwapen bevindt zich eerst naast en dan voor zijn lichaam. Het slachtoffer lijkt een afwerende beweging met zijn armen te maken, als om 12:46:10 een schot afgaat. Het slachtoffer valt op de grond.

7. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 30 augustus 2024 heeft afgelegd, voor zover inhoudende:

Het klopt dat ik op 7 februari 2024 [slachtoffer] heb dood geschoten. Toen ik schoot had ik het wapen in mijn linkerhand. Ik ben rechtshandig.

Ten aanzien van feit 2 voorts:

8. Proces-verbaal van forensisch onderzoek naar aanleiding van een schietincident met dodelijke afloop ter hoogte van [adres], d.d. 17 april 2024, voor zover inhoudende:

Foto 15: foto aangetroffen vuurwapen [vuurwapenmodel] serienummer [serienummer].

9. Proces-verbaal van het Team Forensische Opsporing van in beslag genomen pistool en patronen d.d. 26 april 2024, voor zover inhoudende:

Aangeboden vuurwapen: een pistool van het merk “[vuurwapenmerk]” kaliber 9x19 mm en 3 scherpe patronen kaliber 9x19mm, serienummer [vuurwapenserienummer].

Het aangeboden pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930. De scherpe patronen van het kaliber 9x19mm zijn munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930. Voornoemd pistool en scherpe patronen zijn deugdelijk.

Bewijsoverwegingen

Voorwaardelijk opzet

Het Gerecht ziet geen aanleiding om aan te nemen dat het de bedoeling van de verdachte (vol opzet) was om het slachtoffer daadwerkelijk van het leven te beroven. Het ziet zich daarom voor de vraag gesteld of de verdachte met zijn handelen voorwaardelijk opzet had op de dood van slachtoffer.

Voor het aannemen van voorwaardelijk opzet is vereist dat de verdachte willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat een ander als gevolg van het door hem aangewende geweld zou komen te overlijden. Voor de vaststelling dat de verdachte zich bewust heeft blootgesteld aan zulk een kans is niet alleen vereist dat een verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, maar ook dat hij die kans ten tijde van de gedraging bewust heeft aanvaard. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer te zijn gericht op een bepaald gevolg, dat - behoudens contra- indicaties - de verdachte de aanmerkelijke kans op het gevolg heeft aanvaard.

Uit de gebezigde bewijsmiddelen kan het volgende feitenverloop worden vastgesteld.

Tijdens een woordenwisseling met het slachtoffer haalt de verdachte een vuurwapen en een stuk hout uit zijn woning en gaat daarmee naar het slachtoffer. Hij maakt slaande bewegingen met het stuk hout richting het slachtoffer. Op een gegeven moment laadt hij het vuurwapen door en richt het wapen op het slachtoffer. Even later pakt de verdachte met zijn linkerhand het vuurwapen over uit zijn rechterhand om het stuk hout van de grond op te rapen. De verdachte is rechtshandig. Nadat de verdachte wederom een slaande beweging heeft gemaakt met het stuk hout richting het slachtoffer, waarop het slachtoffer een beweging met zijn armen maakt, lost de verdachte met het wapen in zijn linkerhand een schot.

De verdachte heeft, terwijl hij zich op zeer korte afstand van het slachtoffer bevond, met een vuurwapen op het slachtoffer geschoten. Daarbij was de verdachte in een zeer geagiteerde toestand, boos, en had hij in zijn linkerhand het zojuist door hem doorgeladen vuurwapen en in zijn rechterhand een stuk hout waarmee hij het slachtoffer wilde slaan. In die constellatie is het schot door de verdachte gelost. Door aldus te handelen heeft de verdachte naar het oordeel van het Gerecht de aanmerkelijke kans in het leven geroepen dat de kogel die door hem in de richting van slachtoffer werd afgevuurd een vitaal lichaamsdeel zou treffen, ten gevolge waarvan het slachtoffer zou komen te overlijden. Verdachtes gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm bovendien worden aangemerkt als zozeer gericht op dit gevolg dat het niet anders kan dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans dat zijn handelen tot de dood zou leiden, ook welbewust heeft aanvaard. Van contra-indicaties is naar het oordeel van het Gerecht geen sprake.

Het Gerecht acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer] en dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan de onder 1 impliciet subsidiair tenlastegelegde doodslag.

Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde

Het onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:259 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Doodslag.

Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening. Het wordt als volgt gekwalificeerd:

Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.

Voor zover de verdachte een beroep heeft willen doen op noodweer overweegt het Gerecht als volgt.

Voor een geslaagd beroep op noodweer is vereist dat sprake is geweest van een noodweersituatie, dat wil zeggen een ‘ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding gericht tegen eigen of andermans lijf, eerbaarheid of goed’, of een dreiging daarvan.

Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat het slachtoffer hem aan het begin van de ruzie bij de keel had gegrepen en tegen hem had gezegd dat hij kon doen wat hij wilde. Daarop is hij heel boos geworden en naar zijn woning gegaan waar hij het vuurwapen en het stuk hout heeft gepakt, naar zijn zeggen om het slachtoffer te laten schrikken.

De verklaring van de verdachte dat het slachtoffer hem had aangevallen door hem bij de keel te grijpen vindt geen steun in het dossier en is daarom niet aannemelijk geworden. De twee getuigen spreken immers over het ‘even aanraken door het slachtoffer bij de schouder en in het gezicht van de verdachte’ ([getuige 2]) en ‘tikken met beide handen aan de wangen van de verdachte om hem te kalmeren’ ([getuige 1]). En zelfs al zou sprake zijn geweest van een (vermeende) aanval dan had de verdachte ervoor kunnen kiezen in zijn woning te blijven.

Ook nadien is er op geen enkel moment sprake geweest van een aanval van het slachtoffer. Integendeel, het is de verdachte die voortdurend de confrontatie heeft opgezocht en zich heeft gedragen als de agressor. Het slachtoffer bleef al die tijd rustig, zelfs toen de verdachte op een gegeven moment het vuurwapen doorlaadde en op hem richtte. Het beroep op noodweer slaagt daarom niet.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het bewezenverklaarde is daarom strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.

De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Oplegging van straf

Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor een “doodslag” als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 10 tot 12 jaren gegeven. Voor het voorhanden hebben van een vuurwapen op straat wordt als indicatie bij een first offender een gevangenisstraf van 21 tot 24 maanden gegeven waarvan een deel voorwaardelijk, en bij recidive geheel onvoorwaardelijk.

Meer in het bijzonder overweegt het Gerecht als volgt.

De verdachte heeft in de straat voor zijn woning tijdens een ruzie over diefstal van water een man doodgeschoten. Twee buurvrouwen waren hier getuigen van. De verdachte kende het slachtoffer al jarenlang. Door deze volstrekt zinloze daad is aan het slachtoffer het hoogste goed, het recht op leven, ontnomen en aan de nabestaanden een groot en onherstelbaar verdriet aangedaan. Het handelen van de verdachte gedurende deze fatale middag heeft de samenleving diep geschokt. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan vuurwapenbezit. Het behoeft geen betoog dat het ongecontroleerd bezit van vuurwapens zeer gevaarlijk en onacceptabel is. Deze gruwelijke doodslag toont weer eens aan tot welke ernstige gevolgen vuurwapenbezit kan leiden.

Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

De verdachte is, zo blijkt uit zijn strafkaart, in 2007 onherroepelijk veroordeeld voor onder meer vuurwapenbezit.

Volgens de deskundigen, de psychiater F.G.M. Heijtel en de psychologen S. Wichard Msc. en drs. H. Linkels, is de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen. De psychologen schatten de kans op recidive als bovengemiddeld in. De reclassering, die ook een rapport heeft uitgebracht, sluit recidivegevaar niet uit.

Zowel uit de rapportages als ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte oprecht spijt heeft en heeft hij met zijn proceshouding verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen.

Aan deze vreselijke en volstrekt zinloze daad kan echter niet anders recht worden gedaan dan met het opleggen van een gevangenisstraf van aanzienlijke duur. Voor een strafmodaliteit waarbij de verdachte in aanmerking komt voor een (deels) voorwaardelijke straf met als bijzondere voorwaarde verplichte reclasseringsbegeleiding, als door de raadsman bepleit, is derhalve geen plaats.

Alles afwegend acht het Gerecht een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.

In beslag genomen voorwerpen

Aan de orde zijn voorts de onder de verdachte in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen.

De voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Met behulp van de voorwerpen is het bewezen verklaarde begaan. Het ongecontroleerde bezit van de voorwerpen is bovendien in strijd met de wet en het algemeen belang. Het Gerecht zal de voorwerpen daarom onttrekken aan het verkeer.

Schadevergoeding

De benadeelde partij [benadeelde 1] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal NAf 19.866,22, bestaande uit de posten:

KLM tickets [benadeelde 1], zus en twee kinderen, NAf 14.866,22;

Voorschot emotionele schade, NAf 5.000,=.

De benadeelde partij [benadeelde 2] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal NAf 12.369,92, bestaande uit de posten:

Begrafeniskosten, NAf 7.369,92;

Voorschot emotionele schade, NAf 5.000,=.

De benadeelde partij [benadeelde 3] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt in totaal NAf 5.648,60, bestaande uit de posten:

Rouwadvertentie, NAf 63,60;

Versnaperingen tijdens begrafenis, NAf 585,=;

Voorschot emotionele schade, NAf 5.000,=.

De verdediging heeft de vorderingen inhoudelijk niet betwist.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde 1] als gevolg van verdachtes onder 1 impliciet subsidiair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks materiële schade heeft geleden tot het gevorderde bedrag van NAf. 14.866,22 vermeld onder post 1, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2024.

De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.

Voorts komt de gevorderde materiële schade van de benadeelde partij [benadeelde 2] vermeld onder post 1 als kosten van lijkbezorging op grond van artikel 6:108 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW), voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten staan in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit 1 impliciet subsidiair en de verdachte is voor deze schade naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het Gerecht acht dit gedeelte van de vordering derhalve toewijsbaar tot het bedrag van NAf 7.369,92, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2024.

Ook de gevorderde materiële schade van de benadeelde partij [benadeelde 3] vermeld onder de posten 1 en 2 komt als kosten van lijkbezorging voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten staan in rechtstreeks verband met het bewezenverklaarde feit 1 impliciet subsidiair en de verdachte is voor deze schade naar burgerlijk recht aansprakelijk. Het Gerecht acht dit gedeelte van de vordering derhalve toewijsbaar tot het bedrag van NAf 648,60, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2024.

De benadeelde partijen vorderen ieder voor zich immateriële schade als gevolg van emotionele schade veroorzaakt door het overlijden van hun vader respectievelijk broer ten gevolge van het bewezen verklaarde.

Voor zover de immateriële schade ziet op affectieschade (verdriet als gevolg van het overlijden van een naaste) kan deze bij de huidige stand van het recht niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Voor zover dit gedeelte van de vorderingen (mede) ziet op schokschade geldt dat dit op grond van artikel 6:106 eerste lid aanhef en onder b van het Burgerlijk Wetboek (aantasting in de persoon) voor vergoeding in aanmerking kan komen, mits wordt voldaan aan de vereisten die op grond van jurisprudentie daaraan worden gesteld.

Uit rechtspraak van de Hoge Raad (Voetnoot 2) is af te leiden dat iemand die door zijn onrechtmatige daad doodt of verwondt ook onrechtmatig kan handelen jegens degene bij wie de confrontatie met de daad of de gevolgen daarvan een hevige emotionele schok teweeg brengt. Gezichtspunten die een rol spelen bij de beoordeling van de onrechtmatigheid jegens degene bij wie een hevige emotionele schok is teweeggebracht (het secundaire slachtoffer) zijn onder meer de aard, toedracht en gevolgen van de onrechtmatige daad, de wijze waarop het secundaire slachtoffer wordt geconfronteerd met de onrechtmatige daad en de gevolgen daarvan, en de aard en de hechtheid van de relatie tussen het primaire slachtoffer en het secundaire slachtoffer, waarbij geldt dat bij het ontbreken van een nauwe relatie niet snel onrechtmatigheid kan worden aangenomen.

Het recht op vergoeding van schade veroorzaakt door het onrechtmatig teweegbrengen van een hevige emotionele schok is beperkt tot de schade die volgt uit geestelijk letsel dat naar objectieve maatstaven is vastgesteld. In de rechtspraak over schokschade is in dat verband steeds overwogen dat dit in het algemeen slechts het geval zal zijn indien sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld.

Hoewel aan de benadeelde partijen ontegenzeglijk veel leed is toegebracht door de wijze van overlijden van het slachtoffer, is naar het oordeel van het Gerecht in het licht van de hiervoor genoemde vereisten onvoldoende gesteld. Met de zus [benadeelde 3]en de dochter [benadeelde 2] is daags na het dodelijk voorval een lijkherkenning verricht. Hoe pijnlijk dat moment ook zal zijn geweest, dat sprake is van een directe confrontatie met de ernstige gevolgen van het bewezenverklaarde in de hierboven bedoelde betekenis kan daaruit echter niet zonder meer worden afgeleid en is in ieder geval wegens het ontbreken van een onderbouwing onvoldoende vast komen te staan. Nu nader onderzoek een onevenredige belasting van het strafproces zou opleveren, zal het Gerecht de benadeelde partijen in de gevorderde shockschade niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partijen kunnen dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Het Gerecht ziet aanleiding ten aanzien van elk van de vorderingen een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van de verschuldigde bedragen niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.

De proceskosten van de benadeelde partijen zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten voor elk der benadeelde partijen begroot op nihil.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:75, 1:76 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

Beslissing

BESLISSING

Het Gerecht:

verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 14 jaren;

beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;

onttrekt aan het verkeer: het in beslag genomen vuurwapen en scherpe patronen;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 1] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 14.866,22 (zegge: veertienduizend achthonderd zesenzestig gulden en tweeëntwintig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 februari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde 1] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 14.866,22 (zegge: veertienduizend achthonderd zesenzestig gulden en tweeëntwintig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 109 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 2] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 7.369,92 (zegge: zevenduizend driehonderdnegenenzestig gulden en tweeënnegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 februari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde 2] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 7.369,92 (zegge: zevenduizend driehonderdnegenenzestig gulden en tweeënnegentig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 71 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde 3] geleden schade toe tot een bedrag van NAf 648,60 (zegge: zeshonderd achtenveertig gulden en zestig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 7 februari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;

verklaart de benadeelde partij in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze de vordering in zoverre slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij [benadeelde 3] gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;

legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde 3] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van NAf 648,60 (zegge: zeshonderd achtenveertig gulden en zestig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 12 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 februari 2024 tot aan de dag van de algehele voldoening;

bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betalingen aan het Land daarmee zijn verplichtingen tot betaling aan de benadeelde partijen in zoverre komen te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichtingen tot betalingen aan de benadeelde partijen daarmee zijn verplichtingen tot betalingen aan het Land in zoverre komen te vervallen.

Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. S.A. Carmelia, bijgestaan door mr. C. Anselma-Bernsen, zittingsgriffier, en op 20 september 2024 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.

uitspraakgriffier:

Voetnoot

Voetnoot 1

Hierna wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar ambtsedige - en door de desbetreffende verbalisant(en) in wettelijke vorm opgemaakte - processen-verbaal en overige geschriften, die als bijlagen zijn opgenomen in het eindproces-verbaal van het Korps Politie Curaçao d.d. 24 april 2024, geregistreerd onder de onderzoeksnaam “Pigeon”, doorgenummerde dossierpagina’s 1 – 164.

Voetnoot 2

HR 28 juni 2022 ECLI:NL:HR:2022:958