[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1992 te [geboorteplaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2023, 7 februari 2024 en 22 mei 2024. De verdachte is telkens verschenen, bijgestaan door zijn raadsman, mr. D.J. Brug, advocaat in Curaçao.
De officier van justitie, mr. V. Girigoria-Hernandez, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 jaren, met aftrek van voorarrest.
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte zal worden vrijgesproken van het ten laste gelegde.
Aan de verdachte is ten laste gelegd:
FEIT l:
INVOER/BEZIT COCAINE
dat hij in of omstreeks de periode van 10 april 2019 tot en met 12 april 2019, althans in de maand april 2019 in Curaçao, althans in de territoriale zee van Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, ongeveer 272880 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);
(artikel 3 j° 11-1 Opiumlandsverordening 1960)
FEIT 2:
INVOER/BEZIT HENNEP
dat hij in of omstreeks de periode van 10 april 2019 tot en met 12 april 2019, althans in de maand april 2019 in Curaçao, althans in de territoriale zee van Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend ongeveer 9600 gram, in elk geval een hoeveelheid, hennep, althans hars die uit hennep wordt getrokken, althans een gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt (zoals hashish), zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);
(artikel 4 jo 11-2 Opiumlandsverordening 1960)
FEIT 3;
BEZIT VUURWAPENS
dat hij in of omstreeks de periode van 10 april 2019 tot en met 12 april 2019, althans in de maand april 2019 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
- een revolver (van het merk [merk]) en/of,
- een pistool (van het merk [merk] model [modelnummer]; serienummer
[serienummer]; kaliber .38 special) en/of,
- een revolver (van het merk [merk] model [model nummer]; serienummer
[serienummer]; kaliber .38 special) en/of,
- een pistool (van het merk [merk] model [model]; serienummer
[serienummer]; kaliber 9 mm) en/ of,
- een pistool (van het merk [merk] model [model]; serienummer
[serienummer]; kaliber 9 mm) en/of,
- een pistool (van het merk [merk]; serienummer [serienummer]; kaliber
9x9mm),
in elk geval een en/of meerdere vuurwapen(s) in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en/of 271, in elk geval één of meerdere (scherpe)patronen, in elk geval munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 voorhanden heeft gehad;
(artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2 en 3 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande:
FEIT l:
INVOER/BEZIT COCAINE
dat hij in of omstreeks de periode van 10 april 2019 tot en met 11 april 2019, althans in de maand april 2019 in Curaçao, althans in de territoriale zee van Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend, ongeveer 272880 gram cocaïne, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);
(artikel 3 j° 11-1 Opiumlandsverordening 1960)
FEIT 2:
INVOER/BEZIT HENNEP
dat hij in of omstreeks de periode van 10 april 2019 tot en met 11 april 2019, althans in de maand april 2019 in Curaçao, althans in de territoriale zee van Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk heeft ingevoerd in de zin van artikel 1 lid 2 van de Opiumlandsverordening 1960 en/of in zijn bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/of heeft aangewend ongeveer 9600 gram, in elk geval een hoeveelheid, hennep, althans hars die uit hennep wordt getrokken, althans een gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt (zoals hashish), zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 1960 en/of in de Beschikking van de Minister van Volksgezondheid van 6 januari 2005 (P.B. 2005 no. 13);
(artikel 4 jo 11-2 Opiumlandsverordening 1960)
FEIT 3;
BEZIT VUURWAPENS
dat hij in of omstreeks de periode van 10 april 2019 tot en met 11 april 2019, althans in de maand april 2019 in Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,
- een revolver (van het merk [merk]) en/of,
- een pistool (van het merk [merk] model [model]; serienummer [serienummer]; kaliber .38 special) en/of,
- een revolver (van het merk [merk] model [model]; serienummer [serienummer]; kaliber .38 special) en/of,
- een pistool (van het merk [merk] model [MODEL]; serienummer [serienummer]; kaliber 9 mm) en/ of,
- een pistool (van het merk [merk] model [model]; serienummer [serienummer]; kaliber 9 mm) en/of,
- een pistool (van het merk [merk]/ model [model]; serienummer [serienummer]; kaliber 9x19mm),
in elk geval een en/of meerdere
zijnde vuurwapen(s) in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 en/of 271, in elk geval één of meerdere (scherpe)patronen, in elk geval munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930 voorhanden heeft gehad;
(artikel 3 jo 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd; omwille van de leesbaarheid zijn ook wijzigingen aangebracht in de bewezenverklaring (cursief). De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. (Voetnoot 1)
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
1. Op 10 april 2019 werd de piloot van de Kustwacht helikopter, [piloot kustwacht], door het Rescue Coordination Center (hierna: het RCC) gedirigeerd naar een gesignaleerd radarcontact. Hij heeft bij die gelegenheid het volgende verslag opgesteld:
“On the 10th of April 2019 at 06:24Q I established, just South of Fuik baai, visual contact with [model]-type vessel approximately 8 meters long travelling at high speed towards the entrance of Spaanse Water in front of Barbara beach.
The boat had a white exterior colour and a blue interior color with registration “[registration nr]”. I saw three people on board the boat. I saw the boat entering at 06:30Q along the peer. I saw three big white boxes (type coolbox) in the boat.
I saw a grey metallic coloured Nissan mini-MPV type car (license plate) approach the peer from a dirt road north of the peer at 06:31Q. Upon approaching the peer it appeared the driver saw the helicopter, turned around and drove back north along the dirt road and stopped the car at a bend in the road and waited a few minutes. After a while I saw that the car drove back to the peer and the single occupant got out and walked towards the boat.
I saw the three occupants of the boat starting to unload the boat. The driver from the car was helping.
(Voetnoot 2)
2. De verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2], [verbalisant 3], [verbalisant 4] en [verbalisant 5] hebben op 10 april 2019 onderzoek verricht ter hoogte van Kura Buriku. Verbalisant [verbalisant 1] heeft het volgende gerelateerd:
“Op 10 april 2019 omstreeks 06:28 uur werden [verbalisant 2] en [verbalisant 3] doorgemeld om zich te begeven richting Spaanse water Barbara Beach, waar een onbekend vaartuig met drie personen aan boord werd gesignaleerd dat met volle vaart de ingang van Barbara Beach aan het benaderen was.
Omstreeks 06:30 uur ontvingen we bericht van de heer [coördinator bij RCC], coördinator bij RCC, dat voormeld vaartuig aan het meren was aan de pier ter hoogte van Kura Buriku en dat twee van de personen welke aan boord waren het vaartuig verlieten richting een grijsgelakte Nissan kenteken [nummerplaat] die op dat moment te Kura Buriku aanwezig was en hierna het terrein verliet.
Omstreeks 06:42 meldt [verbalisant 2] dat zij te Kura Buriku zijn aangekomen en dat een wit gelakt vaartuig met blauwe rand model “[model]” genaamd “[naam]” registratienummer [registratienummer] aan de pier was gemeerd met alleen een persoon aan boord. Deze persoon gaf op te zijn:
Naam: [betrokkene] (het Gerecht begrijpt: [medeverdachte 2])
Voornamen: [betrokkene]
Geboortedatum: [geboortedatum].
Met akkoord van [betrokkene] voornoemd, werd voormelde vaartuig omstreeks 08.35 uur op eigen kracht samen met [betrokkene] en de Douane ambtenaren
[VERBALISANT 4] en [VERBALISANT 3] voornoemd overgebracht naar de St. Annabaai ligplaats Grote-werf.”
(Voetnoot 3)
3. De verbalisanten [verbalisant 6], [verbalisant 7] en [verbalisant 8] zijn op 11 april 2019 naar het steunpunt van de Kustwacht te Marine kazerne Parera gegaan, alwaar de inbeslaggenomen boot “[naam]” stond gemeerd en hebben ter plaatse een onderzoek verricht. Zij hebben het volgende gerelateerd:
“Op 11 april 2019 omstreeks 15:40 uur kreeg eerste verbalisant, [verbalisant 6], telefonisch informatie dat er op de boot “[naam]” met registratienummer [registratienummer] die op 10 april in beslag werd genomen een hoeveelheid cocaïne verborgen zat. Wij, verbalisanten, begaven ons naar het steunpunt van de Kustwacht te Marine kazerne Parera samen met de collega hondengeleider [naam] en zijn narcoticahond “[naam]”.
Aldaar hadden wij waargenomen dat een vaartuig met wit/blauwe kleur aan een stijger gemeerd lag.
Aan boord van voormeld vaartuig was te zien dat er drie langwerpige delen waren die als zitplaatsen aan boord dienen. Tijdens controle viel het op dat de voorste zitplaats bij het aankloppen hol klonk terwijl dat bij de middelste en achterste zitplaatsen niet het geval was.
De narcoticahond “[naam]” reageerde bij controle positief op de middelste zitplaats en aan de vloer aan de achterruimte van het vaartuig.
Bij het boren van de middelste en de achterste zitplaats bleef een wit poeder kleven aan de boor die een scherpe geur verspreidde. Na het maken van gaten in beide zitplaatsen hadden verbalisanten geconstateerd dat er een grote hoeveelheid pakken verborgen waren in beide compartimenten.
Door de verbalisanten werden uit de middelste en achterste zitplaats totaal inbeslaggenomen:
- 243 pakken inhoudende een witachtig poeder gelijkend op cocaïne;
- 18 pakken inhoudende een samengeperst kruid gelijkend op een verdovende middel;
- 6 pakken inhoudende elk een vuurwapen;
- 4 pakken elk inhoudende munitie.“
(Voetnoot 4)
4. De verbalisanten [verbalisant 9] en [verbalisant 10] hebben onderzoek verricht naar de inbeslaggenomen verdovende middelen. Zij hebben het volgende gerelateerd:
“De inbeslaggenomen 243 van plastic bewerkte pakken, elk inhoudende een hoeveelheid samengeperste witachtige poeder, bleken een gezamenlijk brutogewicht van 272880 gram te hebben.
De inbeslaggenomen 18 van bruin plakband bewerkte pakken, elk inhoudende een hoeveelheid samengeperste op hennep gelijkend kruid, bleken een gezamenlijk brutogewicht van 9600 gram te hebben.
Door ons, verbalisanten, werden vanuit 15 van de reeds omschreven pakken, inhoudende elk een hoeveelheid witachtig poeder afzonderlijk een geringe hoeveelheid witachtig poeder als monster genomen en vanuit 4 van de reeds omschreven pakken, elk inhoudende een hoeveelheid samengeperste op hennep gelijkend kruid, een geringe hoeveelheid als monster genomen en dezen in 19 afzonderlijke plastic potjes gedaan, voorzien van het opschrift 26/2019 code [code] tot en met [code] en [code] tot en met [code] gedaan. Bedoelde potjes met inhoud werden in een vergezelde envelop op 12 april 2019 ter beschikking gesteld aan de afdeling Toxicologie van het Analytisch Diagnostisch Centrum N.V. (hierna: het ADC).“
(Voetnoot 5)
5. De apotheker van het ADC, drs. F.J.I. Faulborn heeft de op 11 april 2019 aangeboden monsters, voorzien van opschrift [code] t/m [code], op 21 mei 2019 ontvangen en onderzocht. Hij heeft de volgende verklaring opgesteld:
“Uit de verkregen resultaten moet de conclusie worden getrokken dat het materiaal cocaïne bevat in de zin van de Opiumlandsverordening 1960.
(Voetnoot 6)
6. De apotheker van het ADC, drs. F.J.I. Faulborn heeft de op 11 april 2019 aangeboden monsters, voorzien van opschrift [code] t/m [code], op 21 mei 2019 ontvangen en onderzocht. Hij heeft de volgende verklaring opgesteld:
“Uit de verkregen resultaten moet de conclusie worden getrokken dat het materiaal hennep bevat in de zin van de Opiumlandsverordening 1960.”
(Voetnoot 7)
7. De verbalisant [verbalisant 10] heeft een proces-verbaal van overdracht vuurwapens en munitie opgemaakt. Hij heeft het volgende gerelateerd:
“Op 12 april 2019 heb ik aan hoofdagent [verbalisant 10] van het Team Forensisch Opsporing voor onderzoek naar deugdelijkheid overgedragen:
- Revolver van het merk [merk] model [model], twee (2) hulzen waarvan één voorzien van het bodemstempel “[bodemstempel]”, één voorzien van het bodemstempel “[bodemstempel]”;
- Pistool van het merk [merk] model [model], dertien (13) munities voorzien van het bodemstempel “[bodemstempel]”;
- Revolver [merk] model [model], één (1) huls voorzien van het bodemstempel “[bodemstempel]”;
- Pistool [merk] model [model], acht (8) munitie’s waarvan één (1) voorzien van het bodemstempel “[bodemstempel]”, drie (3) voorzien van het bodemstempel “[bodemstempel]”, één (1) voorzien van het bodemstempel “[bodemstempel], één voorzien van het bodemstempel “[bodemstempel]”, één (1) voorzien van het bodemstempel “[bodemstempel]”en één (1) voorzien van het bodemstempel ““[bodemstempel]”;
- Pistool van het merk [merk] model [model] en daarbij ook een lange patroonhouder;
- Pistool van het merk [merk], zes (6) munitie’s waarvan twee (2) voorzien van het bodemstempel “[naam]”, drie (3) voorzien van het bodemstempel “[bodemstempel]” en één (1) voorzien van bodemstempel “[bodemstempel]”;
- Tweehonderdeenenzeventig (271) munitie’s waarvan honderdvijfentwintig (125) van 9mm Luger, drieëntwintig van 38 Speciaal en honderd drieëntwintig (123) losse flodders van 22 KNT.“ (Voetnoot 8)
8. De verbalisant [verbalisant 10], werkzaam bij het Team Forensisch Opsporing (hierna: het TFO), heeft onderzoek ingesteld naar het hiervoor omschreven revolver van het merk [merk model [model]:
“Aangeboden voor onderzoek: revolver van het merk [merk] model [model], kaliber .38 Spl, voorzien van serienummer [serienummer]en twee (2) hulzen van het kaliber .38 Spl., voorzien van bodemstempels “[bodemstempel]” en “[bodemstempel]”.
Conclusie:
- De voor onderzoek aangeboden revolver is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd.
- De scherpe patronen werden normaal tot ontbranding gebracht. Voornoemd revolver van het kaliber .38 speciaal is deugdelijk.”
(Voetnoot 9)
9. De verbalisant [verbalisant 10], werkzaam bij het TFO, heeft onderzoek verricht naar het hiervoor omschreven revolver van het merk [merk] model [model]:
“Aangeboden voor onderzoek: pistool van het merk [merk] model [model], kaliber .38 Spl, voorzien van serienummer [serienummer] en dertien (13) scherpe patronen van het kaliber .38 Spl., voorzien van bodemstempel ““[bodemstempel]”.
Conclusie:
- Het voor onderzoek aangeboden pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd.
- De voor onderzoek aangeboden scherpe patronen zijn munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd.
- De aangeboden scherpe patronen werden normaal tot ontbranding gebracht.
- Voornoemd scherpe patronen van het kaliber .38 speciaal is deugdelijk.
- Het aangeboden pistool kon niet getest worden wegens het ontbreken van desbetreffende kaliber .38Super in het munitievoorraad.
- Bedoeld pistool kan ook voor bedreiging of afdreiging gebruikt worden.”
(Voetnoot 10)
10. De verbalisant [verbalisant 10], werkzaam bij het TFO, heeft onderzoek verricht naar het hiervoor omschreven revolver van het merk [merk] model [model]:
“Aangeboden voor onderzoek: revolver van het merk [merk] model [model], kaliber .38 Speciaal (Spl.), waarvan het serienummer niet zichtbaar is en een (1) huls van het kaliber .38 Spl., voorzien van bodemstempel “[bodemstempel]”.
Conclusie:
- De voor onderzoek aangeboden revolver is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd.
- De scherpe patronen werden normaal tot ontbranding gebracht. Voornoemd revolver van het kaliber .38 speciaal is deugdelijk.”
(Voetnoot 11)
11. De verbalisant [verbalisant 11], werkzaam bij het TFO, heeft onderzoek verricht naar het hiervoor omschreven pistool van het merk [merk] model [model]:
“Aangeboden voor onderzoek: pistool van het merk [merk] model [model], kaliber 9mm, voorzien van serienummer [serienummer] en acht (8) scherpe patronen van het kaliber 9mm Luger, voorzien van bodemstempels [bodemstempels], [bodemstempels, [bodemstempel], [bodemstempel], [bodemstempel] en [bodemstempel].
Conclusie:
- Het voor onderzoek aangeboden pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd.
- Het voor onderzoek aangeboden pistool is deugdelijk of tot schieten gereed.
- Het voor onderzoek aangeboden pistool is voor bedreiging of afdreiging geschikt.
- De voor onderzoek aangeboden scherpe patronen zijn deugdelijk.
(Voetnoot 12)
12. De verbalisant [verbalisant 10], werkzaam bij het TFO, heeft onderzoek verricht naar het hiervoor omschreven pistool van het merk [merk] (FN) model [MODEL]:
“Aangeboden voor onderzoek: pistool van het merk [merk] (merk) model [MODEL], kaliber 9mm Luger, voorzien van serienummer [serienummer].
Conclusie:
- Het voor onderzoek aangeboden pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd.
- De scherpe patronen werden normaal tot ontbranding gebracht. Het aangeboden pistool van het kaliber 9mm Luger is deugdelijk.”
(Voetnoot 13)
13.De verbalisant [verbalisant 11], werkzaam bij het TFO, heeft onderzoek verricht naar het hiervoor omschreven pistool van het merk [merk] model [model]:
“Aangeboden voor onderzoek: pistool van het merk [merk] model [model], kaliber 9x19mm, voorzien van serienummer [serienummer] en zes (6) scherpe patronen van het kaliber 9mm Luger, voorzien van bodemstempels [bodemstempel], [bodemstempel] en [bodemstempel].
Conclusie:
- Het voor onderzoek aangeboden pistool is een vuurwapen in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd.
- Het voor onderzoek aangeboden pistool is deugdelijk of tot schieten gereed.
- Het voor onderzoek aangeboden pistool is voor bedreiging of afdreiging geschikt.
- De voor onderzoek aangeboden scherpe patronen zijn deugdelijk.
(Voetnoot 14)
14. De verbalisant [verbalisant 11], werkzaam bij het TFO, heeft onderzoek verricht naar de hiervoor omschreven munitie:
“Aangeboden voor onderzoek: honderdvijfentwintig (125) scherpe patronen van het kaliber 9mm Luger, drieëntwintig (23) scherpe patronen van het kaliber .38SPL en honderddrieëntwintig (123) losse flodders van het kaliber .22kort.
Conclusie:
- De voor onderzoek aangeboden voorwerpen zijn munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd.
- De voor onderzoek aangeboden scherpe patronen en losse flodders zijn deugdelijk.
(Voetnoot 15)
15.Op 22 mei 2024 verklaarde de verdachte ter terechtzitting:
“Ik word [naam] genoemd. Ik was op de boot met de naam [naam] die op 10 april 2019 van Venezuela naar Curaçao voer en aan de pier te Kura Buriku is aangemeerd.”
De raadsman heeft bepleit dat de verdachte van het ten laste gelegde zal worden vrijgesproken. Hij heeft daartoe aangevoerd dat er geen bewijs is dat de verdachte op de hoogte was van de op de boot aangetroffen voorwerpen.
Het Gerecht overweegt als volgt.
De verdachte wordt onder de feiten 1 t/m 3 verweten dat hij zich in de periode van 10 tot en 12 april 2019 samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de invoer van maar liefst 272880 gram cocaïne, 9600 gram hennep, zes vuurwapens en 271 stuks munitie.
Door het Gerecht vastgestelde feiten:
Op 10 april 2019 heeft de kustwacht een boot, model [model], genaamd [naam] met registratienummer [resgistratienummer] opgemerkt, die met grote snelheid richting Curaçao voer. Op de boot werden drie opvarenden gezien. Vervolgens is gezien dat de boot aan de pier te Kura Buriku aanmeert. Waargenomen is voorts dat de medeverdachte [medeverdachte 1] in een auto komt aanrijden. Uit het dossier is gebleken dat [medeverdachte 1] de verdachte en een onbekend gebleven persoon van de boot heeft opgehaald. De derde opvarende, de medeverdachte [medeverdachte 2], is bij de boot gebleven. De douane is ter plaatse gekomen en heeft de boot in beslag genomen en meegenomen naar de Grote Werf. Even later is er CID informatie ontvangen dat er cocaïne op de boot verborgen was. (Voetnoot 16) Vervolgens is de boot aan een grondig onderzoek onderworpen, hierbij is er een hoeveelheid cocaïne, marihuana, vuurwapens en munitie aangetroffen. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn in verband hiermee aangehouden en veroordeeld. (Voetnoot 17) Er werd een Interpol Red Notice opsporingsbericht gezet voor de verdachte. (Voetnoot 18) Op 21 september 2021, werd de verdachte in Venezuela aangehouden en op 3 oktober 2023 overgebracht naar Curaçao. (Voetnoot 19)
De verdachte heeft verklaard dat hij niets wist van de aanwezigheid van de in het vaartuig verborgen pakketten drugs en van de vuurwapens en de munitie.
De verdovende middelen, vuurwapens en munitie waren verborgen in twee zitplaatsen in de desbetreffende go-fast, derhalve buiten het zicht van de verdachte. De vraag is of kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap hiervan had en aldus met opzet heeft gehandeld. Hoewel rechtstreeks bewijs ontbreekt, beantwoordt het Gerecht deze vraag bevestigend.
Uiteenlopende verklaringen medeverdachten en [verdachte].
De verdachte en de medeverdachten hebben verklaringen afgelegd over de reden van hun aanwezigheid op de boot en/of de betrokkenheid na het aanmeren van de boot. Het Gerecht merkt op dat de verklaringen van de verdachten uiteenlopen.
[medeverdachte 2] verklaart niets over het kopen van vis in Venezuela, noch dat zij in Venezuela zijn geweest. Hij verklaart dat hij in opdracht van een persoon samen met “[medeverdachte 3]” en “[medeverdachte 4]” de boot [naam] moest gaan ruilen voor een andere boot, in de omgeving van Nieuw Poort te Curaçao. Hij verklaart [verdachte] en [medeverdachte 1] niet te kennen.
[medeverdachte 1] verklaart dat hij [verdachte] en een onbekend persoon in een auto ophaalde toen zij op de bewuste dag hadden aangemeerd in de omgeving van Fuik, nadat “[verdachte]” en de rest vis is gaan kopen in Venezuela. Hij herkent “[verdachte]” als [verdachte], de verdachte. Hij verklaarde dat [medeverdachte 2] degene was die op bedoelde dag de boot bestuurde, en degene die achtergebleven was bij de boot.
[verdachte], de verdachte, verklaart dat hij samen met een zekere [medeverdachte 5] en [medeverdachte 2] vis is gaan kopen in Venezuela op verzoek van [medeverdachte 5]. De boot waarmee ze uit Curaçao zijn vertrokken sloeg om door een grote golf. [medeverdachte 5] had na enkele dagen een boot van een Venezolaan geregeld om terug naar Curaçao te varen. [medeverdachte 5] had geregeld dat de registratiegegevens en de naam [naam] op de boot zouden worden geverfd, net als de boot die om sloeg. [medeverdachte 5] is inmiddels overleden.
Het Gerecht stelt voorop dat de verdachte ruim 4,5 jaar na de inbeslagname van de drugs, vuurwapens en munitie met een verklaring is gekomen. Hij had dus ruim de gelegenheid gehad om na te denken over een verklaring. In de tussentijd is [medeverdachte 5] overleden, zoveel staat wel vast. Indien al zou worden aangenomen dat [medeverdachte 5] degene is die met de verdachte en met [medeverdachte 2] op de boot zat, dan nog kan de verklaring van de verdachte, gelet op de uiteenlopende verklaringen als hiervoor weergegeven, niet worden geverifieerd wat betreft de vermeende rol van [medeverdachte 5]. De verdachte staat in zijn verklaringen helemaal alleen; zijn verklaringen vinden op geen enkele wijze steun in het dossier.
Aanwezigheid van de in het vaartuig verborgen pakketten drugs, vuurwapens en munitie.
Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen, overweegt het Gerecht hieromtrent als volgt.
Als algemene ervaringsregel geldt, dat groothandelshoeveelheden cocaïne vanuit Venezuela (als bron- of transitland) worden gesmokkeld ter verdere doorvoer en (internationale) verspreiding, onder meer over zee en op de wijze als in het onderhavige geval is vastgesteld: geborgen in een klein en snel vaartuig, zoals een go-fast. In dit geval een type [model].
De algemene ervaring leert voorts, dat in het geval van een zeer kostbare groothandelshoeveelheid verdovende middelen als hier aan de orde, bij het internationale transport daarvan er voor de belanghebbenden bij die handel en dat transport zeer veel aan is gelegen om het risico op het verloren gaan van de partij verdovende middelen – door diefstal, ontdekking door derden, of de onderschepping door de autoriteiten – uit te sluiten althans zoveel als mogelijk te beperken. Dat belang van risicobeperking wordt in het geval van vervoer over zee gediend wanneer gebruik wordt gemaakt van een go-fast vaartuig. Immers, een transport met behulp van dergelijk klein snelvarend vaartuig is relatief kortdurend.
Verder is een feit van algemene bekendheid dat vervoer over zee van een dergelijke grote partij verdovende middelen, vuurwapens en munitie een risicovolle operatie is, waarbij het zeer onwenselijk is personen hierbij te betrekken die niet op de hoogte zijn van de aard van die operatie, gelet op de aanzienlijke (financiële) risico's die dat voor de organisatoren zou meebrengen. Daarenboven ligt het op de weg van de bij een dergelijke operatie betrokken personen om naar de precieze aard en omvang van de lading onderzoek te doen.
Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen acht het Gerecht de verklaring van de verdachte, dat hij geen wetenschap had van de lading van de boot, ongeloofwaardig en acht het Gerecht bewezen dat de verdachte, die op de boot als bemanningslid aanwezig was, wist van de aard en omvang van de aanwezige lading en het doel van het desbetreffende transport.
Naar het oordeel van het Gerecht volgt uit voornoemde feiten en omstandigheden
- in onderling verband en samenhang bezien – dat de verdachte zich, samen met anderen, schuldig heeft gemaakt aan de opzettelijke invoer van verdovende middelen, alsmede het voorhanden hebben van vuurwapens en munitie.
Het verweer wordt derhalve verworpen.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder 1 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 3, eerste lid, aanhef, onder c en A, van de Opiumlandsverordening en strafbaar gesteld in artikel 11, eerste lid, aanhef, onder a, van die verordening.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 3, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening.
Het onder 2 bewezen verklaarde is voorzien bij artikel 4, eerste lid, aanhef, onder b en A, van de Opiumlandsverordening en strafbaar gesteld in artikel 11, tweede lid, aanhef, onder a, van die verordening.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 4, eerste lid, onder A van de Opiumlandsverordening.
Het onder 3 bewezen verklaarde is zowel ten aanzien van het voorhanden hebben van de vuurwapens, als ten aanzien van het voorhanden hebben van de munitie voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Met betrekking tot de ernst van het bewezen verklaarde wordt het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan de invoer van een zeer grote hoeveelheid cocaïne en hennep. De ingevoerde hoeveelheden waren van dien aard, dat moet worden aangenomen dat deze bestemd waren voor verdere verspreiding en handel. Cocaïne en hennep zijn voor de gezondheid van personen schadelijke stoffen, die verstrekkende gevolgen kan hebben voor de gebruikers daarvan en voor de maatschappij. De verspreiding van en handel in verdovende middelen gaat vaak gepaard met geweldscriminaliteit en leidt tot vele andere vormen van criminaliteit bij de verslaafden.
De verdachte heeft voorts samen met anderen schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een aantal vuurwapens en een aanzienlijke hoeveelheid munitie. Deze hebben zij samen met de verdovende middelen meegebracht uit Venezuela. Dit is maatschappelijk onaanvaardbaar vanwege de grote dreiging die daarvan uitgaat voor anderen. Dergelijke illegale wapens en munitie verdwijnen in het zwarte circuit, waardoor controle van overheidswege volstrekt onmogelijk wordt. Door zijn handelen heeft de verdachte een bijdrage geleverd aan het in stand houden van het illegale circuit van drugs en vuurwapens.
Het Gerecht heeft acht geslagen op het psychiatrisch rapport van 15 april 2024 waarin wordt geconcludeerd dat de verdachte ten gevolge van het verblijf te Venezuela angstklachten heeft opgelopen passend bij een traumatische gebeurtenis. Deze klachten zijn ontstaan na het delict. Bij het psychiatrisch onderzoek zijn geen aanwijzingen gevonden voor een psychische stoornis op grond waarvan het delict de verdachte verminderd kan worden aangerekend. De verdachte lijkt een opportunist te zijn die hard kan werken om aan geld te komen, maar ook open staat voor illegale manieren om aan geld te komen. De recidivekans wordt als aanwezig geschat, aldus nog steeds de psychiater.
Het Gerecht heeft ook acht geslagen op de inhoud van het psychologisch rapport van 29 februari 2024. Op basis van het onderzoek lijkt er geen aanwijzing te zijn voor een psychische stoornis, verstandelijke handicap of psychogeriatrische aandoening bij de verdachte. De verdachte wordt als volledig toerekeningsvatbaar beoordeeld. De kans op recidive wordt gemiddeld geschat, aldus nog steeds de psycholoog.
Tot slot heeft het Gerecht acht geslagen op de documentatie van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte in Curaçao niet eerder is veroordeeld ter zake van strafbare feiten.
Gelet op de ernst van het bewezen verklaarde kan niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een langdurige onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Het Gerecht is, na een en ander te hebben afgewogen, tot de slotsom gekomen dat in dit geval een gevangenisstraf van na te noemen duur passend en geboden is.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 1:123 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.