[Verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 te [geboorteplaats],
wonende in [woonplaats],
thans gedetineerd in het huis van bewaring in Curaçao.
Het onderzoek ter openbare terechtzitting heeft plaatsgevonden op 14 maart 2025 en is gesloten op 26 maart 2025. De verdachte is op 14 maart 2025 verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouw mr. A.M. Tromp, advocaat in Curaçao.
De benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] hebben zich, bijgestaan door mevr. [persoon] van Stichting Slachtofferhulp, ter terechtzitting gevoegd in het strafproces met vorderingen tot schadevergoeding.
De officier van justitie, mr. D. van Zetten, heeft ter terechtzitting gevorderd dat het Gerecht het onder de feiten 1 impliciet primair (moord), 2 (vuurwapenbezit) en 3 (vuurwapenbezit) ten laste gelegde bewezen zal verklaren en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren met aftrek van voorarrest.
Haar vordering behelst voorts:
de volledige toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] met wettelijke rente en de oplegging van een daarbij behorende schadevergoedingsmaatregel aan de verdachte;
de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot een bedrag van Cg (Voetnoot 1) 31.430,96, de niet-ontvankelijkverklaring van die benadeelde partij in hetgeen zij overigens heeft gevorderd, met wettelijke rente en oplegging van een bij de toewijsbare vordering behorende schadevergoedingsmaatregel.
De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van de onder 1 impliciet primair ten laste gelegde moord en heeft voorts een strafmaatverweer gevoerd.
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
Feit 1
hij op of omstreeks 5 augustus 2024 te Curaçao opzettelijk en - al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen (een of meerdere kogels) op/ in de richting van die [slachtoffer] geschoten, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
(artikel 2:262/2259 Wetboek van Strafrecht)
Feit2
hij op of omstreeks 25 september 2024, in Curaçao een of meer vuurwapen(s) en/of een hoeveelheid aan munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad; (artikel 3 j° 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Feit3
hij in of omstreeks de periode van 5 augustus 2024 tot en met 25 september 2024, in Curaçao een of meer vuurwapen(s) en/of een hoeveelheid aan munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
(artikel 3 j° 11 van de Vuurwapenverordening 1930)
Het Gerecht stelt vast dat de dagvaarding geldig is, dat het bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.
Het Gerecht acht - op grond van de hierna weergegeven bewijsmiddelen en de nadere bewijsoverwegingen, in onderling verband en samenhang beschouwd - wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan, met dien verstande dat:
1. impliciet primair:
hij op 5 augustus 2024 te Curaçao opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere kogels in de richting van die [slachtoffer] , tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden;
2:
hij op 25 september 2024, in Curaçao een vuurwapen en een hoeveelheid munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad;
3:
hij in de periode van 5 augustus 2024 tot en met 25 september 2024, in Curaçao een vuurwapen en een hoeveelheid munitie, in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, voorhanden heeft gehad.
Het Gerecht acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan, op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat en redengevend zijn voor de bewezenverklaring. (Voetnoot 2)
Daarbij wordt opgemerkt dat ieder bewijsmiddel, ook in zijn onderdelen, slechts wordt gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft en, voor zover het een geschrift als bedoeld in artikel 387, eerste lid, aanhef, onder e Sv betreft, telkens slechts wordt gebezigd in verband met de inhoud van de andere bewijsmiddelen.
Voorts wordt opgemerkt dat in de bewijsmiddelen geen (expliciete) landsaanduiding is opgenomen, maar dat algemeen bekend is dat de in die bewijsmiddelen wel opgenomen plaatsen zijn gelegen in Curaçao.
Ten aanzien van de feiten 1 en 2:
1. Proces-verbaal van bevindingen plaats delict, pagina 1 e.v., voor zover inhoudende:
Op maandag 05 augustus 2024, omstreeks 16.40 uur vond er een schietincident plaats op de [adres] , ter hoogte van perceel nummer [nummer] alwaar een man in een auto door de opgelopen verwondingen ter plaatse kwam te overlijden.
Ter plaatse, omstreeks 17.30 uur aangekomen, zat er een levenloos lichaam van een manspersoon achter het stuur van een zwartgelakte [automerk/model].
Het slachtoffer bleek in leven te zijn genaamd [slachtoffer].
Omstreeks 18.30 uur werd de dood van het slachtoffer [slachtoffer] door de politiearts [politiearts] geconstateerd.
Lijk herkenning: Op maandag 05 augustus 2024, omstreeks 19.45 uur werd het lijk door de moeder genaamd [benadeelde partij] en de vriendin genaamd [benadeelde partij 2] herkend als respectievelijk hun zoon en vriend.
2. Een geschrift, te weten een autopsierapport d.d. 9 augustus 2024, opgesteld door dr. L. Althaus, voor zover inhoudende:
3 perforating (in-out) and 4 penetrating (bullets inside the body) gunshot-trajectories could be found on the body.
These 4 gunshot trajectories have been fatal.
The victim was hit by at least 6 shots.
Cause of death
Internal bleeding due to perforating gun shots of the heart and the right lung.
3. Proces-verbaal van verhoor getuige [getuige] op 14 augustus 2024, voor zover inhoudende als verklaring van de getuige:
lk heb op maandag 5 augustus 2024, de mij bekende man genaamd [verdachte] (het Gerecht begrijpt: verdachte [verdachte]) het slachtoffer zien liquideren.
Op dat moment stond ik in het balkon van mijn woning, " [slachtoffer]" (het Gerecht begrijpt: het slachtoffer) had [verdachte] niet eens zien aanlopen.
lk stond met "[slachtoffer]" te praten en zag "[verdachte]” komen aanlopen. "[verdachte]" kwam vanuit het noordelijke richting aanlopen, stopte aan de passagierszijde, riep "[slachtoffer]" op en vuurde meteen op hem. Na zijn daad rende hij terug in de in het noorden van waar hij was gekomen.
4. Proces-verbaal van verhoor van de verdachte op 15 oktober 2024 om 11:50 uur, voor zover inhoudende:
VV: Wat is er op maandag 5 augustus 2024 plaatsgevonden in de [adres]?
AV: lk heb die dag een vuurwapen dat ik al had opgehaald. Die dag was ik bij de chinezen winkel. Aldaar kwam hij (het Gerecht begrijpt [slachtoffer]) aanrijden en maakte aanstalten om mij te overrijden. lk ging naar de woning van mijn vriendin en zat na te denken. Het moet zijn denk ik tussen 15.00 uur of 16.00 uur in de middag. lk heb me in het zwart gekleed en vertrok vanuit de woning van mijn vriendin. Ik zei waar ik hem ook zou aantreffen vandaag zal ik hem neerschieten. lk kwam bij het begin van de [adres] en zag helemaal verder in de straat dat zijn zwarte [automerk/model] aldaar stond. lk nam de weg via Djadostraat. Zijn auto stond voor de woning van " [getuige]" (het Gerecht begrijpt: getuige [getuige]). lk zag dat en kwam aanlopen aan de passagierszijde en schoot op hem en rende weg.
VV: Hoeveel schoten heb jij op "[slachtoffer]" gelost?
AV: Zes tot zeven schoten. Alles dat ik bij me had.
5. Proces-verbaal van aanhouding [verdachte] op 25 september 2024, voor zover inhoudende als verklaring van verbalisanten [verbalisant 1 ] en [verbalisant 2]:
Op 25 september 2024 omstreeks 9:38 uur hebben wij aangehouden [verdachte]. In de rugtas van de verdachte werd een etui aangetroffen met daarin een vuistvuurwapen volgeladen met scherpe patronen.
6. Proces-verbaal forensisch onderzoek aan een op een vuurwapen gelijkend voorwerp d.d. 13 december 2024, voor zover inhoudende:
Het op 25 september 2024 in beslag genomen voorwerp is een revolver van het merk [merk/model] kaliber .38 special.
Het voor onderzoek aangeboden revolver (aanbiedingsbrief 001283/2024) is een vuurwapen in de zin van het Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd.
De voor onderzoek aangeboden scherpe patronen zijn munitie in de zin van de Vuurwapenverordening 1930, zoals gewijzigd.
Het voor onderzoek aangeboden revolver is voor bedreiging of afdreiging geschikt.
7. De verklaring die de verdachte ter terechtzitting van 14 maart 2025 heeft afgelegd, voor zover inhoudende:
Het klopt dat ik op 25 september 2024 tijdens mijn aanhouding een geladen vuurwapen in mijn tas bij me droeg.
Het Gerecht stelt voorop dat het met een vuurwapen van korte afstand meerdere keren schieten op het bovenlichaam van een persoon die in een voertuig zit wijst op een doelgericht schieten, dat alleen maar bedoeld kon zijn om hem te doden. Opzet op de dood van het slachtoffer kan aldus bewezen worden verklaard.
Op grond van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat de verdachte op de bewuste dag een vuurwapen bij zich droeg. De verdachte heeft verklaard dat hij na een treffen met het slachtoffer naar het huis van zijn vriendin is gegaan alwaar hij heeft nagedacht. De verdachte heeft zwarte kleding aangetrokken en heeft met het vuurwapen op zak tussen 15:00 uur en 16:00 uur de woning verlaten Hij verklaart daarbij (spontaan, en volhardt in deze verklaring tijdens zijn verhoor op 15 oktober 2024): “ik zei waar ik hem ook zou aantreffen vandaag zal ik hem neerschieten”. Bij het begin van de [adres] aangekomen zag de verdachte de auto van het slachtoffer verderop in de [adres] bij het huis van [getuige] staan. Hij is via de achterliggende Djadostraat naar de auto van het slachtoffer gelopen en loste direct en slechts onder het uiten van de naam “[slachtoffer]” van dichtbij meerdere schoten op het bovenlichaam van het slachtoffer die op de bestuurdersplaats zat. De melding van de schietpartij was om 16:40 uur.
Gelet op (de uiterlijke verschijningsvorm van) deze gang van zaken komt het Gerecht tot de conclusie dat de verdachte het huis van zijn vriendin heeft verlaten met het voornemen om het slachtoffer te doden. Naar het oordeel van het Gerecht kan uit het dossier, in het bijzonder de (hiervoor aangehaalde) verklaringen van verdachte zelf, worden afgeleid dat verdachte voorafgaand en tijdens de uitvoering voldoende tijd heeft gehad voor beraad en om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad, om zich daarvan rekenschap te geven en welbewust de consequenties te aanvaarden. Daaraan doet niet af dat verdachte later (tijdens het politieverhoor op 23 oktober 2024 alsook ter terechtzitting) heeft verklaard dat hij eerst op het moment waarop hij (de auto van) het slachtoffer zag het besluit nam om hem dood te schieten. Daarbij betrekt het Gerecht dat verdachte bovengenoemde (gedetailleerde) verklaring op eigen verzoek en spontaan bij de politie aflegde. Dat hij later anders verklaart doet het Gerecht vermoeden dat verdachte zich bewust was geworden van de strafverzwarende consequenties van zijn eerdere uitlatingen. Aan het dossier en het onderzoek ter terechtzitting zijn bovendien geen contra-indicaties te ontlenen en evenmin zijn er aanwijzingen dat verdachte handelde in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Dat verdachte al langere tijd gepest en bedreigd zou zijn door het slachtoffer, vindt weliswaar enige steun in de verklaring van getuige [getuige] – die verklaart dat het slachtoffer na een confrontatie waarbij verdachte door hem geslagen zou zijn “bo ke mas, bo ke mas” (het Gerecht begrijpt: “Wil je meer? Wil je meer?”) zou hebben geroepen – maar dat maakt naar het oordeel van het Gerecht niet dat sprake was van een impulsieve reactie, zoals de raadsvrouw heeft betoogd. Het verweer wordt verworpen.
Het Gerecht is derhalve van oordeel dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.
Strafbaarheid en kwalificatie van het bewezen verklaarde
Het onder feit 1 impliciet primair bewezen verklaarde is voorzien bij en strafbaar gesteld in artikel 2:262 van het Wetboek van Strafrecht. Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Moord.
Het onder de feiten 2 en 3 bewezen verklaarde is, zowel ten aanzien van het voorhanden hebben van een vuurwapen, als ten aanzien van het voorhanden hebben van munitie, voorzien bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening en strafbaar gesteld in artikel 11 van die verordening.
Het wordt als volgt gekwalificeerd:
Overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, meermalen gepleegd.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten.
De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.
Bij de bepaling van de op te leggen straf wordt gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan, op de mate waarin de gedraging aan de verdachte te verwijten is en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarbij wordt rekening gehouden met de ernst van het bewezen verklaarde in verhouding tot andere strafbare feiten, zoals die onder meer tot uitdrukking komt in de hierop gestelde wettelijke de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
In dat verband kan aansluiting worden gezocht bij de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden. Daarin wordt voor moord als indicatie een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren gegeven. Voor vuurwapenbezit -thuis en bij een first offender- wordt een deels voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 9 maanden als uitgangspunt genomen.
De verdachte heeft op klaarlichte dag in een woonwijk op een berekenende en meedogenloze wijze een eind gemaakt aan het leven van een jonge man van 31 jaar oud. Op korte afstand heeft de verdachte meerdere schoten gelost op het slachtoffer die in een geparkeerde auto zat. Het slachtoffer was kansloos en overleed ter plaatse. Een volstrekt zinloze en brute liquidatie waardoor een jonge man zijn meest kostbare bezit, het leven, heeft verloren. Aan de nabestaanden is onherstelbaar leed toegebracht. De kleine samenleving van Curaçao is -helaas niet voor het eerst- hevig geschokt door dit vuurwapenincident met dodelijke afloop. De verdachte was tijdens zijn aanhouding bovendien wederom in bezit van een vuurwapen. Verdachte is zich aldus kennelijk, zelfs nadat hij iemand dood heeft geschoten, totaal niet bewust geweest van de ernst van het door hem gepleegde feit en de risico’s van het dragen van een vuurwapen. Het behoeft geen betoog dat vuurwapens levensgevaarlijk zijn en dat tegen het bezit ervan streng dient te worden opgetreden.
Naar het oordeel van het Gerecht kan gelet op de ernst van het bewezen verklaarde niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van lange duur met zich brengt.
Het Gerecht heeft acht geslagen op de rapporten die over de verdachte zijn opgemaakt.
De psychologen S. Wichard MSc. en drs. H. Linkels en de psychiater F.G.M. Heijtel concluderen in de rapporten van respectievelijk 23 november 2024 en 7 januari 2025 dat er geen aanwijzingen zijn voor een psychische stoornis en dat de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar is te beschouwen. De psychologen schatten het recidiverisico als bovengemiddeld in; de psychiater vindt de kans op recidive moeilijk in te schatten. De reclassering schat in het rapport van 13 maart 2025 de kans op recidive als reëel in.
De verdachte heeft een blanco strafblad maar dit feit heeft gelet op de ernst van het bewezen verklaarde geen strafverminderende invloed.
De lichtvaardige wijze waarop de verdachte een mens heeft doodgeschoten -kennelijk om een conflict te beslechten - en vervolgens weer besluit een vuurwapen bij zich te dragen, baart het Gerecht zorgen en doet vrezen voor herhaling. Ook ter terechtzitting heeft het Gerecht niet de indruk gekregen dat verdachte oprecht berouw heeft en inziet hoe ernstig zijn handelen is geweest. Voor zover al sprake geweest zou zijn van pestgedrag en eerdere bedreigingen door het slachtoffer, ziet het Gerecht daarin geen aanleiding tot strafvermindering. Dit rechtvaardigt naar het oordeel van het Gerecht op geen enkele wijze de (disproportionele) reactie daarop van verdachte. Alles afwegende acht het Gerecht een langdurige vrijheidsbeneming op zijn plaats.
Een gevangenisstraf voor de duur van 18 jaren, zoals geëist door de officier van justitie, acht het Gerecht dan ook passend en geboden. De verdachte zal daartoe dan ook worden veroordeeld.
De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt Cg 31.673,96, bestaande uit de posten begrafenis (Cg 11.673,96) en immateriële schade (Cg 20.000,=).
De verdediging heeft het deel van de vordering dat ziet op de begrafeniskosten betwist en niet nader onderbouwd gesteld dat dit gedeelte van de vordering slechts kan worden toegewezen tot een bedrag van Cg 5694,08. De opgevoerde kosten van de Asosiedat di Entiero (Cg 5.000,=) en van kerk, de rouwkransen, de versnaperingen en de blouses en overhemden komen volgens de verdediging niet voor vergoeding in aanmerking.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is het Gerecht genoegzaam gebleken dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] als gevolg van verdachtes onder 1 impliciet primair bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade heeft geleden tot het een bedrag van Cg 11.406,96 -bestaande uit de posten begrafenis Cg 10.694,08, huur kerk Cg 350,=, rouwkransen Cg 222,60 en versnaperingen Cg 140,28-, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2024. De verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden, zodat de vordering tot dat bedrag toewijsbaar is.
Het Gerecht is van oordeel dat de overige gevorderde materiële schade, de post van de blouses en overhemden, niet is aan te merken als kosten van lijkbezorging op de voet van artikel 6:108 lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW) en daarmee niet in rechtstreeks verband staan met het bewezenverklaarde. De vordering zal dan ook in zoverre worden afgewezen.
De door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] gevorderde immateriële schade ziet blijkens de toelichting op shockschade. Volgens de rechtspraak kan schade die het gevolg is van een hevige schok, veroorzaakt door het waarnemen van het strafbare feit of door de directe confrontatie met de ernstige gevolgen ervan, voor vergoeding in aanmerking komen indien uit een rapportage van een ter zake bevoegde en bekwame deskundige kan worden afgeleid dat sprake is van geestelijk letsel dat gelet op aard, duur en/of gevolgen ernstig is, en in voldoende mate objectiveerbaar.
De benadeelde [benadeelde partij 1], de moeder van het slachtoffer, is korte tijd na het schietincident op de plaats delict met het levenloos lichaam van haar zoon geconfronteerd, welke ongewilde en onvoorbereide waarneming een hevige schok heeft veroorzaakt. Daarmee is aan het confrontatievereiste voldaan. Uit het bij de vordering gevoegde verslag van een neuropsycholoog blijkt dat de benadeelde te kampen heeft met onder meer een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS), waarvan zij, ruim 4 maanden na het bewezenverklaarde, nog steeds klachten ondervindt . Dit leidt ertoe dat de vordering van Cg 20.000,= voor immateriële schade voor toewijzing vatbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2024.
Het Gerecht ziet aanleiding om een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
De proceskosten van de benadeelde partij zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil.
De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft zich in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt Cg 101.725,40, bestaande uit de posten gederfd levensonderhoud voor de kinderen (Cg 81.725,40) en immateriële schade (Cg 20.000,=).
De verdediging heeft de vordering (voor zover die het (maximaal toewijsbare) bedrag van Cg 50.000 niet te boven gaat) niet betwist.
Nog daargelaten dat de vordering voor de materiële schade het maximale bedrag dat in een strafproces kan worden gevorderd overstijgt, heeft de benadeelde partij de vordering op dit onderdeel niet genoegzaam onderbouwd. Nu heropening van het onderzoek, teneinde de benadeelde partij in de gelegenheid te stellen de vordering nader te onderbouwen een onevenredige vertraging van het strafproces zou opleveren, zal het Gerecht de benadeelde partij in de gevorderde schade voor het gederfd levensonderhoud voor de kinderen niet-ontvankelijk verklaren. De benadeelde partij kan dat deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Ten aanzien van de door de benadeelde [benadeelde partij 2] gevorderde immateriële schade die blijkens de toelichting ziet op shockschade overweegt het Gerecht als volgt. Ook de benadeelde [benadeelde partij 2], zijnde de levensgezel van het slachtoffer, werd op 5 augustus 2024 bij de lijkherkenning geconfronteerd met het door kogels doorzeefde lichaam van haar partner, tevens de vader van haar kinderen. Uit een bij de vordering gevoegde brief van een psycholoog, leidt het Gerecht af dat zij sinds de moord op het slachtoffer kampt met symptomen van post-traumatic stress als gevolg van de dood van haar partner.
Dit leidt er naar het oordeel van het Gerecht toe dat ook de vordering van benadeelde [benadeelde partij 2], voor zover dit Cg 20.000,= voor immateriële schade betreft, voor toewijzing vatbaar is, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2024.
Het Gerecht ziet aanleiding om een schadevergoedingsmaatregel als bedoeld in artikel 1:78 van het Wetboek van Strafrecht aan de verdachte op te leggen. Voor het geval volledige betaling of volledig verhaal van het verschuldigde bedrag niet volgt, zal vervangende hechtenis van na te melden duur worden opgelegd.
De proceskosten van de benadeelde partij zullen ten laste van de verdachte worden gebracht. Tot op heden zijn die proceskosten begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf en maatregel zijn, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op artikel 1:136 zoals deze luidde ten tijde van het bewezen verklaarde.
Beslissing
BESLISSING
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 impliciet primair, 2 en 3 ten laste gelegde feiten heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;
kwalificeert het bewezen verklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de 18 (achttien) jaren;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 1] geleden schade toe tot een bedrag van Cg 31.406,96 (zegge: eenendertigduizend vierhonderd zes gulden en zesennegentig cent), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
wijst de vordering voor het overige af;
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Cg 31.406,96 (zegge: eenendertigduizend vierhonderd zes gulden en zesennegentig cent), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 192 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag van de voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen;
wijst de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [benadeelde partij 2] geleden schade toe tot een bedrag van Cg 20.000 (zegge: twintigduizend gulden), vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag van de voldoening, en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij;
verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] in de vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij deze de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.
legt aan de verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] de verplichting op tot betaling aan het Land van een bedrag van Cg 20.000 (zegge: twintigduizend gulden), bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 135 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft en bepaalt dat het te betalen bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 5 augustus 2024 tot aan de dag van de voldoening;
veroordeelt de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken;
bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan het Land daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan het Land in zoverre komt te vervallen.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. H.R. Bracht, bijgestaan door mr. C. Anselma-Bernsen, zittingsgriffier, en op 16 april 2025 in tegenwoordigheid van de griffier uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.