Tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd:
Feit 1 primair
dat zij, verdachte, (al dan niet als opdrachtgever en/ of tussenpersoon) op of omstreeks 29 maart 2025, althans in de maand maart 2025 te Curaçao, tezamen en in verenging met medeverdachte [medeverdachte] en/of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft/hebben uitgevoerd, dan wel laten uitvoeren, al dan niet opzettelijk heeft/hebben uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening, in elk geval in haar/hun bezit heeft/hebben gehad en/of aanwezig heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben aangewend, ongeveer 485 gram cocaïne (en/of 33 bolletjes inhoudende cocaine), in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne, (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 van de Opiumlandsverordening;
Feit 1 subsidiair
dat zij, verdachte, op of omstreeks 29 maart 2025, althans in de maand maart 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) een feit, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel A, B of D van de Opiumlandsverordening 2024, te weten,
het opzettelijk in, uit of doorvoeren en/of
het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen, te doen plegen, mede te plegen en/of uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen, en/of
zich en/of een of meer ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feiten(en) heeft getracht te verschaffen, en/of (een) voorwerp(en) voorhanden heeft gehad, waarvan zij ,verdachte, en/of haar mededader(s) wist(en) of ernstige reden had(den) om te vermoeden dat het/zij bestemd was/ waren tot het plegen van dat/die feit(en),
hebbende zij, verdachte, en/of haar mededader(s) toen en aldaar ter voorbereiding en/of bevordering van de uitvoer en/of aflevering en/of vervoer van hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans van enig bereiding van cocaïne, zijnde (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 van de Opiumlandsverordening 2024, onder meer,
- telefoongesprekken en/of Whatsapp berichten gevoerd met medeverdachte [medeverdachte] en/of een of meer (onbekende gebleven) perso(o)n(en) (over het transport en/of organisatie van de smokkel);
Feit 1 meer subsidiair
dat [medeverdachte] (al dan niet als opdrachtgever en/of tussenpersoon) en/of een of meer anderen, op of omstreeks 29 maart 2025 te, althans in de maand 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft uitgevoerd in de zin van artikel 1 lid 3 van de Opiumlandsverordening 2024 en/of heeft bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in haar/hun bezit heeft/hebben gehad en/of aanwezig heeft/hebben gehad en/of heeft/hebben aangewend, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, althans enige bereiding van cocaïne, zijnde cocaïne (een) middel(en) als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening 2024;
bij en/of tot het plegen van welk misdrijf zij, verdachte, op of omstreeks 29 maart 2025, althans in de maand maart 2025, opzettelijk behulpzaam is geweest, hebbende zij, verdachte, toen en aldaar, onder meer
telefoongesprekken en/of Whatsapp berichten gevoerd met medeverdachte [medeverdachte] en/of een of meer (onbekende gebleven) perso(o)n(en) (over het transport en/of organisatie van de smokkel), en/of
in opdracht en/of in overleg met die [medeverdachte] berichten en/of instructies doorgegeven aan een of meer anderen/koeriers, en/of
contact onderhouden met een ander of anderen/koeriers in verband met de voorgenomen smokkel, en/of
gegevens verstrekt en/ of beschikbaar gesteld die gebruikt zijn voor het boeken van vliegtickets ten behoeve van een ander of anderen/koeriers, en/of
aanwijzingen en/of inlichtingen geven aan een ander of anderen/koeriers ten behoeve van bovengenoemde transporten van verdovende middelen;
Feit 2 primair
zij op of omstreeks 19 september 2025, althans in of omstreeks de maand september 2025 te Curaçao, in een perceel (gelegen te [adres]) tezamen en in vereniging met medeverdachte [medeverdachte] en/of een of meer anderen, althans alleen, (telkens) al dan niet opzettelijk heeft verbouwd, ongeveer honderdzeventien (117), althans een (grote) hoeveelheid planten van het geslacht Cannabis;
Feit 2 subsidiair
zij op of omstreeks 19 september 2025, althans in of omstreeks de maand september 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval in haar/hun bezit en/of aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid hennep, in de vorm van honderdzeventien (117) (hennep)planten (met en/of zonder bloeiende toppen), althans (een) hoeveelheid/-heden (van een materiaal bevattende) hennep, althans van enige bereiding, waaraan de hars, die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt, zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 van de Opiumlandsverordening;
Feit 3
zij op of omstreeks 19 september 2025, althans in of omstreeks de maand september 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet opzettelijk in haar bezit heeft gehad en/of aanwezig heeft gehad en/ of heeft aangewend, ongeveer 60 gram, in elk geval en hoeveelheid, hennep, althans hars die uit hennep wordt getrokken, althans een gebruikelijke bereiding waaraan de hars die uit hennep wordt getrokken ten grondslag ligt (zoals hashish), zijnde hennep een middel als bedoeld in artikel 1 Opiumlandsverordening.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zal het Gerecht deze verbeterd lezen. De verdachte wordt daardoor niet in zijn verdediging geschaad.
Vrijspraak voor feit 1
De officier van justitie heeft bewezenverklaring gevorderd van het onder 1 primair tenlastegelegde, stellende dat de man van de verdachte als drugsleverancier heeft gefungeerd en de verdachte als partner of ronselaar, in elk geval is de verdachte haar man behulpzaam geweest bij de onder 1 primair tenlastegelegde uitvoer.
Het Gerecht overweegt over feit 1 als volgt.
Op basis van het dossier en wat op de terechtzittingen is besproken, gaat het Gerecht uit van de volgende feiten en omstandigheden. [betrokkene 1] is op 30 maart 2025 op de luchthaven in Brussel aangehouden, nadat hij op 29 maart 2025 met TUI uit Curaçao was vertrokken. Hij bleek 33 bolletjes cocaïne te hebben geslikt met een brutogewicht van 435 gram. Op de TUI-boeking stond als medereiziger van [betrokkene 1] ene [betrokkene 2] genoemd.
[betrokkene 2] is op 7 oktober 2025 als getuige gehoord. Zij heeft toen verklaard dat zij op 29 maart 2025 in de woning van [bijnaam medeverdachte] (het Gerecht begrijpt: de man van de verdachte, tevens medeverdachte) was, dat [medeverdachte] voor haar een vliegticket had gekocht van Curaçao naar Nederland en dat zij met een andere man zou vliegen. [betrokkene 2] heeft die andere man in de woning van [medeverdachte] gezien. Die man heeft daar bolletjes geslikt. [betrokkene 2] moest van [medeverdachte] 300 gram drugs smokkelen. Dat is niet gelukt omdat de bol te dik was om in haar vagina te duwen. Volgens de getuige hebben [medeverdachte] en diens vriendin (het Gerecht begrijpt: de verdachte) toen geprobeerd om de verpakking van de drugs smaller te maken. Ook heeft de vriendin van [medeverdachte] haar een koffer geleend en die koffer voor haar ingepakt. [betrokkene 1] is uiteindelijk door de medeverdachte naar de airport gebracht, de getuige is thuis met verdachte achtergebleven omdat het niet lukte de bol in haar lichaam te krijgen. Volgens [betrokkene 2] heeft de verdachte zich niet met [betrokkene 1] bemoeid.
[betrokkene 1] is eveneens gehoord. Hij heeft het in dat verhoor alleen over ‘de organisatie’.
Uit onderzoek bij TUI is gebleken dat bij het boeken van het ticket voor [betrokkene 1] en [betrokkene 2] een e-mailadres is opgegeven dat te koppelen is aan de medeverdachte, en een telefoonnummer dat in gebruik was bij de verdachte. Verder werd in de telefoon van verdachte een afbeelding van het paspoort van [betrokkene 2] aangetroffen.
Het primaire feit – medeplegen van uitvoer
Onder feit 1 primair is tenlastegelegd medeplegen van de uitvoer van 485 gram/33 bolletjes cocaïne. Dit ziet dus op de voltooide uitvoer door [betrokkene 1].
Het Gerecht kan op basis van de stukken echter niet een zodanige rol van verdachte dat zij kan worden aangemerkt als medepleger van de uitvoer van verdovende middelen door [betrokkene 1]. In feite blijkt niet meer, dan dat de verdachte in de woning aanwezig was toen [betrokkene 1] de bolletjes met cocaïne innam. Dat is onvoldoende om te spreken van een gezamenlijke uitvoering. Dat het telefoonnummer van de verdachte op de boeking van de vlucht van [betrokkene 1] staat vermeld, maakt dat niet anders. Datzelfde geldt voor de inhoud van de tapgesprekken. Voor zover de verdachte daaraan al heeft deelgenomen, kan uit de gesprekken niet veel meer worden afgeleid dan dat mogelijk wordt gesproken over verdovende middelen. Dat de gesprekken betrekking zouden hebben op specifiek de uitvoer van 33 bolletjes cocaïne door [betrokkene 1], kan het Gerecht niet vaststellen.
Het subsidiaire en meer subsidiaire feit – voorbereiding of medeplichtigheid
Subsidiair is tenlastegelegd dat de verdachte zich samen met anderen schuldig heeft gemaakt aan de voorbereiding of bevordering van uitvoer, vervoer, verkoop enzovoort van verdovende middelen. De juridische omschrijving is zeer ruim, maar de feitelijke invulling omvat niet meer dan ‘het voeren van telefoongesprekken of Whatsapp berichten’.
Het Gerecht zou hier mogelijk tot een ander oordeel komen als het hier ook handelingen van de verdachte betrof met betrekking tot de reis van [betrokkene 2]. Dat is
– zo begrijpt het Gerecht de tenlastelegging waarin [betrokkene 2] niet wordt genoemd en de bij requisitoir door de officier van justitie gegeven toelichting – echter niet tenlastegelegd.
Onder het meer subsidiaire feit is tenlastegelegd de medeplichtigheid aan de uitvoer waarvan medeverdachte [medeverdachte] de opdrachtgever zou zijn. Ook dit feit heeft – zo begrijpt het gerecht althans de tenlastelegging – betrekking op de voltooide uitvoer door [betrokkene 1]. En ook hiervoor geldt dat het Gerecht onvoldoende kan vaststellen of de verdachte bij dit transport een rol heeft gepeeld, anders dan dat zij aanwezig was in de woning en haar telefoonnummer bij de boeking is gebruikt.
Het Gerecht zal de verdachte vrijspreken van het onder 1 tenlastegelegde.
Overwegingen
Bewijsoverwegingen met betrekking tot feit 2 en feit 3
De raadsvrouw heeft vrijspraak bepleit van het onder 2 en 3 tenlastegelegde. Zij heeft daartoe aangevoerd dat de bij de huiszoeking aangetroffen hennepplanten van de man van de verdachte zijn en dat de verdachte zich hier niet mee bezig houdt.
Het Gerecht is met de raadsvrouw eens dat uit het dossier niet kan worden afgeleid dat de verdachte zich samen met haar man heeft beziggehouden met het verbouwen van hennepplanten, in die zin dat zij daar actief bij betrokken was. Maar het Gerecht vindt wel bewezen dat de verdachte de onder 2 en 3 ten laste gelegde hennep(planten) aanwezig heeft gehad.
Voor het aanwezig hebben is niet noodzakelijk dat de verdovende middelen de verdachte toebehoorden of dat zij enige beheersbevoegdheid ten aanzien van de verdovende middelen had. Voldoende is dat de onder de Opiumlandsverordening vallende middelen zich in de machtssfeer van de verdachte bevonden. Daarvoor is van belang dat de verdachte wist van de verdovende middelen en dat zij de mogelijkheid had om feitelijk over de verdovende middelen te kunnen beschikken. Aan die voorwaarden is in dit geval voldaan. De hennenplanten bevonden zich in de woning, waarin de verdachte verbleef, en op het erf achter de woning, en dat wist zij, zo blijkt uit haar verklaring.
Het Gerecht spreekt de verdachte daarom vrij van het onder 2 primair tenlastegelegde, maar veroordeelt haar voor het onder 2 subsidiair en onder 3 tenlastegelegde.
Feit 2 subsidiair
zij op 19 september 2025 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad, 117 hennepplanten;
Feit 3
zij op 19 september 2025te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 60 gram hennep.
Het Gerecht vindt niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Het Gerecht grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezen verklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de hierna volgende bewijsmiddelen zijn vervat.
Bewijsmiddelen
1. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 januari 2026, inhoudende:
Ze (het Gerecht begrijpt: de onder 2 en 3 tenlastegelegde tijdens de huiszoeking aangetroffen hennepplanten) waren voor eigen gebruik van mijn man. Het houdt zijn hoofd rustig.
2. Een proces-verbaal van bevindingen overdracht verdovende middelen van 19 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisantnummer] (pagina 523 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 19 september 2025 waren we bezig met een huiszoeking op het terrein achter de woning op het adres [adres]. Ik zag dat achter de woning hennepplanten stonden:
46 hennepplanten in potten in de achtertuin onder lampen;
6 kleine stekjes hennep in een rode bak onder lampen;
15 hennepplanten in de grond naast de woning;
30 hennepplanten in potten in de achtertuin zonder lampen;
3 hennepplanten los op de airco buiten. In totaal waren er 100 hennepplanten.
In de woning in de grote slaapkamer werden 17 hennepplanten aangetroffen:
11 planten hennep (drogen aan de muur);
6 stekjes hennep op de kleding kast in waterbakjes;
In de grote slaapkamer lag ook een witte zak met hennep.
In de woonkamer lag een zakje hennep.
3. Een proces-verbaal van overname, weging, testen en opsturen van monsters naar het laboratorium (pagina 525 e.v.) van 19 september 2025, in de wettelijke vorm opgemaakt door de bevoegde opsporingsambtenaar [verbalisant] (pagina 523 e.v.). Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van verbalisant:
Op 19 september 2025, heb ik een blauwe kunststoffen ton met 117 hennepplanten en twee doorzichtige plastic zakjes, elk inhoudende een hoeveelheid op hennep gelijkend kruid, die tijdens een huiszoeking te [adres] zijn aangetroffen en in beslag genomen, ontvangen.
Ik testte vervolgens vanuit 2 stukken hennep bloeiende toppen met de daartoe bestemde Narcotest. Ik zag dat er een positieve kleurreactie optrad, zodat aangenomen mocht worden dat het geteste stukken bloeiende toppen vermoedelijk hennep bevatten.
Bij weging van de twee doorzichtig plastic zakjes elk inhoudende een geringe hoeveelheid op hennep gelijkend kruid, bleken deze een gezamenlijk brutogewicht van 60 gram te hebben.
Ik testte vervolgens vanuit een van de doorzichtige plastic zakjes een geringe hoeveelheid met de daartoe bestemde Narcotest. Ik zag dat er een positieve kleurreactie optrad, zodat aangenomen mocht worden dat het geteste hoeveelheid op hennep gelijkend kruid vermoedelijk hennep bevatte.
Nadien heb ik uit een van de doorzichtig plastic zakjes een stukje bloeiende top als monster genomen en een geringere hoeveelheid op hennep gelijkend kruid en deze in twee afzonderlijke plastic potjes met dopje voorzien van het opschrift nummer 65/2025 code I-D-1 en I-D-2 gedaan.
4. Een rapport van het Analytisch Diagnostisch Centrum van 12 december 2025 opgemaakt door [medewerker Analytisch Diagnostisch Centrum] (ongenummerd). Dit rapport houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven:
Onderwerp: 65/2025 code I-D-1 en I-D-2.
Het materiaal bestond uit plastic potjes met dopje, waarvan een inhoudende een stukje bloeiende top en de ander een geringe hoeveelheid op hennep gelijkend kruid.
Uit de verkregen resultaten moet de conclusie worden getrokken dat het materiaal hennep bevat in de zin van de Opiumlandsverordening 2024.
Oplegging van straf
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte voor het onder 1, 2 en 3 tenlastegelegde zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 20 maanden, waarvan zes maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met als bijzondere voorwaarde dat de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften te geven door of namens de reclassering.
Het Gerecht heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder die zijn begaan en op grond van de persoon van de verdachte.
Het Gerecht heeft daarbij in het bijzonder het volgende in beschouwing genomen.
De verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan het aanwezig hebben van 117 hennepplanten en 60 gram hennep. Dat is een forse hoeveelheid hennep(planten), kennelijk bestemd voor de (ontoelaatbare) handel daarin. Die handel pleegt veelal met diverse vormen van criminaliteit gepaard te gaan.
Het Gerecht constateert dat de oriëntatiepunten straftoemeting, waarin het gebruikelijke rechterlijke straftoemetingsbeleid van het Hof en de Gerechten in eerste aanleg zijn neerslag heeft gevonden, in dit geval weinig houvast biedt.
Daarin is als indicatie voor het aanwezig hebben van 60 gram hennep een gevangenisstraf van drie maanden waarvan anderhalve maand voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar genoemd. De oriëntatiepunten geven echter geen indicatie voor het aanwezig hebben van hennepplanten.
Blijkens een de verdachte betreffend uittreksel uit de Justitiële Documentatie van 22 september 2025 is zij eerder, zij het lang geleden, met justitie in aanraking gekomen.
Het Gerecht heeft acht geslagen op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte. Zij is moeder van zes jonge kinderen en haar man en vader van de kinderen – medeverdachte [medeverdachte] – zit gedetineerd. Het Gerecht houdt ook rekening met het feit dat de verdachte zelf geen activiteiten heeft verricht met betrekking tot de hennepplanten en dat de verdachte in verband met deze zaak van 19 september 2025 tot 10 oktober 2025 in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.
Het Gerecht ziet aanleiding een straf op te leggen die erin resulteert dat de verdachte niet opnieuw gedetineerd zal raken. Daarnaast zal het Gerecht als stok achter de deur een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen en bepalen dat de verdachte met de reclassering moet blijven werken, zoals zij nu al doet.
Het Gerecht vindt alles afwegende oplegging van een na te noemen gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden, waarvan vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar, passend en geboden.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De op te leggen straf is gegrond op de artikelen 1:19, 1:20, 1:21, 1:123 en 1:136 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 4 en 11 van de Opiumlandsverordening 2024.
verklaart wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de tenlastegelegde feiten zoals hierboven omschreven heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt haar daarvan vrij;
kwalificeert het bewezenverklaarde als hiervoor omschreven;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 (vijf) maanden;
bepaalt dat van deze straf een gedeelte, groot 4 (vier) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd, van 3 (drie) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt of gedurende die proeftijd de hierna te melden bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;
als bijzondere voorwaarde wordt gesteld dat:
- de verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen, te geven door of namens de Reclassering Curaçao, zulks zolang deze instelling dat gedurende de proeftijd nodig oordeelt;
beveelt dat de tijd die door de verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en in voorlopige hechtenis is doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht.
Dit vonnis is gewezen door de rechter mr. E.G.C. Groenendaal, bijgestaan door
mr. J. Mulder, griffier, en op 7 juli 2026 in tegenwoordigheid van de griffier via een videoverbinding uitgesproken ter openbare terechtzitting van het Gerecht in Curaçao.