Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:OGEAM:2025:154

Op 30 January 2025 heeft de Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is SXM202400536, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAM:2025:154.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
SXM202400536
Datum uitspraak:
30 January 2025
Datum publicatie:
19 May 2026

Indicatie

tussenbeschikking; onverdeelde boedel; 3:200a BW

Uitspraak

HET GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202400536

Datum uitspraak: 30 januari 2025

Beschikking op het verzoek op grond van artikel 3:200a Burgerlijk Wetboek (BW) met betrekking tot het perceel gelegen te

RAVINE ROUGE ESTATE (16.188 m2) te Sint Maarten

omschreven in meetbrief 161 van 2010, met als omschrijving:

This parcel of land is situated on the Island of Sint Maarten, in the district of Upper Prince’s Quarter in the area locally known as “Ravine Rouge Estate” and forms a part of the parcel of land described in Certificate of Admeasurement no. 32 of 2006.

It is bounded on the south-west, north-west, north-east and south-east side by the remaining of the parcel of land described in Cert. of Adm. no. 32 of 2006, where on the south-east side is an proposed projected access road (…).

Nature of the land and cultivation: High sloping land for building site.

van:

1
[verzoeker 1], wonende te Curaçao, hierna ook: [X], 2. [verzoeker 2], wonende te Curaçao, gevolmachtigde: verzoeker sub 1, verzoekers,

met als in het geding verschenen belanghebbenden:

3
[belanghebbende 3], wonende te Sint Maarten, 4. [belanghebbende 4], wonende te Nederland, 5. [belanghebbende 5], wonende te Nederland, 6. [belanghebbende 6], wonende te Nederland, 7. [belanghebbende 7], wonende te Nederland, gemachtigden: mr. R.F. Gibson Jr. en mr. I.Z. Guardiola.

Verder worden als belanghebbenden aangemerkt:

8
HET LAND SINT MAARTEN, zetelend te Sint Maarten, hierna: het Land,

9. DE MINISTER VAN VOLKSHUISVESTING, RUIMTELIJKE ONTWIKKELING, MILIEU EN INFRASTRUCTUUR, zetelend te Sint Maarten, hierna: de Minister van VROMI.

Procesverloop

1
Het verdere procesverloop
1.1.

Voor het verloop van de rechtszaak tot dan toe verwijst het Gerecht naar de beschikking van 24 juni 2024. Nadien zijn de volgende stukken ingediend: - een akte producties zijdens [X] d.d. 23 augustus 2024 (per e-mail)

- een akte zijdens de Minister van VROMI d.d. 29 september 2024 (per e-mail)

- een antwoordakte zijdens belanghebbenden 3-7 d.d. 28 oktober 2024;

- een antwoordakte zijdens belanghebbende 3 d.d. 18 november 2024.

1.2.

De behandeling is voortgezet op 19 december 2024, waarbij zijn verschenen: - [X];

- belanghebbende 3, bijgestaan door de gemachtigde mr. Guardiola.

1.3.

De beschikking is bepaald op vandaag.

Overwegingen

2
De verdere beoordeling
2.1.

In de beschikking van 21 juni 2024 is overwogen dat [Y] vermoedelijk eigenaar is geworden van het in de kop van de beschikking vermelde perceel. Om hier een definitief oordeel over te kunnen geven, dienden verzoekers een volledige inzage van het Kadaster (cadastral extract) met betrekking tot het perceel te overleggen. Ook dienden verzoekers een kopie van akte C 23-70 te overleggen. Vervolgens is gelegenheid geboden aan de belanghebbenden om hierop te reageren.

2.2.

Uit de door [X] ingediende stukken blijkt dat het perceel dat is omschreven in meetbrief 161/2010 in het kadaster geregistreerd staat op naam van [Y]. De door [X] ingediende akte C 23-70 van 14 juni 1962 vermeldt dat [naam] heeft verklaard dat hij het land bekend als ‘Ravine Rouge’ meer dan 30 jaar te goeder trouw in bezit heeft. Het Gerecht overweegt dat degene die welbewust een deel van een onverdeelde boedel in gebruik neemt, naar verkeersopvattingen in beginsel houder is voor de boedel. Men gaat onder die titel voort, zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht., hetzij door een handeling van de eigenaar, hetzij door een tegenspraak van diens recht. De inschrijving van de verjaring door [naam] betekent niet dat de eigendom daarmee is overgegaan, maar heeft te gelden als een bezitsdaad waardoor een verjaringstermijn aanvangt (zie het Hof vonnis in de zaak Rancho ECLI:NL:OGHACMB:2018:46). In de onderhavige procedure heeft zich niemand gemeld namens [naam] om de claim op het perceel gestand te doen. Er is dus ook niemand die zich beroept op verjaring van de rechtsvordering van de erven van [Y] tot beëindiging van het gestelde bezit door [naam]. Het moet er dus voor worden gehouden dat het bezit van [naam] is geëindigd en dat de eigendom van het perceel nog steeds ligt bij (de ervan van) [Y].

2.3.

In de beschikking van 21 juni 2024 is reeds overwogen dat, indien [Y] eigenaar is van het perceel, sprake is van een langdurig onverdeelde gemeenschap als bedoeld in de regeling van artikel 3:200a e.v. Het Gerecht blijft bij die beslissing.

2.4.

Vervolgens is de vraag wie als gebruiker kunnen worden aangemerkt. Ingevolge artikel 3:200b BW worden onder gebruikers verstaan personen die rechtmatig in Sint Maarten verblijven en de zaak ten minste tien jaren in gebruik hebben. Ook personen die de zaak niet gebruiken, maar ten aanzien van wie aanwijzingen bestaan dat zij deelgenoten zijn, kunnen als gebruiker worden aangemerkt. De rechter houdt rekening met de band die zij hebben met de zaak en de mate van vermoedelijke verwantschap met de oorspronkelijke eigenaar.

2.5.

Het perceel is onbebouwd en er woont niemand. Feitelijk zijn er geen gebruikers. Zowel verzoekers als de belanghebbenden die zich hebben gemeld, zijn afstammelingen van [Y].

2.6.

Aan verzoekers is middels legaat door hun grootvader [Z] een deel van het perceel nagelaten, omschreven in meetbrief 122 van 2011. Kennelijk stemmen de ouders van verzoekers en verzoeker sub 2 ermee in dat [X] als gebruiker wordt aangemerkt. Gelet op zijn gebleken verwantschap met de eigenaar en de band met het perceel, kan hij in beginsel als gebruiker worden aangemerkt.

2.7. [

X] maakt aanspraak op een deel van het perceel. Hij heeft dit samen met zijn grootvader [Z] laten uitmeten en vastleggen in meetbrief 122/2011. Het betreft een perceel van 539 m2. Deze omvang is terug te voeren op het aandeel van [Z] in de nalatenschap van [Y]. Laatstgenoemde had immers vijf kinderen, die na het overlijden van zijn echtgenote en hun moeder, ieder recht hadden op 1/5e deel van de nalatenschap. Zoon [naam zoon] kreeg zes kinderen die daarmee ieder recht hadden op 1/30e deel van de nalatenschap. Aan [Z], de grootvader van [X], kwam daarmee toe een aandeel van 539 m2 van het totaal van 16.188 m2. Voor zover [X] aanspraak maakt op meer dan dit aandeel, ontbreekt daar een grondslag voor.

2.8.

Belanghebbenden 3-7 menen dat het perceel Ravine Rouge, meetbrief 161/2010, tussen hen vieren verdeeld dient te worden, waardoor ieder 3.237,60 m2 krijgt. Het Gerecht overweegt in dit verband dat de aandelen van deelgenoten die zich niet melden of niet kunnen bewijzen afstammeling te zijn, niet ‘aanwassen’ bij de aandelen van de deelgenoten die zich wel hebben gemeld. Het standpunt van de belanghebbenden wordt dus verworpen. Voor zover het Gerecht uit de stukken kan herleiden zijn de belanghebbenden 3-7 kinderen van [naam 2], een kleindochter van [Y]. [naam 2] had, net als [Z] (zie r.o. 2.6.) recht op 1/30e deel van het perceel van 16.188 m2, oftewel 539 m2. Haar 7 kinderen lijken dus ieder maximaal aanspraak te kunnen maken op 77 m2.

Ontwikkeling

2.9.

In artikel 1:200c lid 1 BW staat onder meer dat een voorwaarde voor toekenning aan de gebruikers is dat deze gezamenlijk of afzonderlijk aanvaardbare voorstellen hebben gedaan tot ontwikkeling van de zaak als dat nodig is. Omtrent de voorstellen tot ontwikkeling van de zaak wint het Gerecht het gevoelen in van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ontwikkeling, Milieu en Infrastructuur.

[X] zou graag een huis bouwen op het perceel 122/2011. Hij heeft onweersproken gesteld dat er reeds een weg langs dit perceel loopt en dat ook nutsvoorzieningen nabij zijn.

Belanghebbenden 3-7 overwegen hun aandeel in de toekomst te verkopen. Belanghebbende 3 heeft daaraan toegevoegd dat hij zijn stuk grond graag eerst zou bebouwen.

2.10.

De Minister van VROMI stelt zich op het standpunt dat bebouwing op de percelen 32/2006 en 161/2010 (een onderdeel van 32/2006, waarvan 122/2011 weer een onderdeel is) niet zou moeten worden toegestaan. Hierbij wordt verwezen naar het ontwerp ontwikkelingsplan Dawn Beach en de ‘Hillside Policy’. Volgens de Minister van VROMI is slechts een deel van het perceel 32/2006 toegankelijk via de bestaande weg en is ook slechts een beperkt deel (het minder steile deel) bebouwbaar. In het ontwerp ontwikkelingsplan Dawn Beach is het volledige gebied aangewezen als Natural Area, wat zou betekenen dat bebouwing verboden wordt. Om die reden is ook nooit een Planning Permit gemaakt voor dit gebied, waar dat voor omliggende gebieden wel het geval was. Bebouwing is nooit wenselijk geacht.

2.11. [

X] is het hier niet mee eens en handhaaft zijn stellingen. Belanghebbende sub 3 heeft het volgende aangevoerd. Het gaat in deze procedure om het perceel 161/2010 en niet om het veel grotere perceel 32/2006. Perceel 161/2010 is grotendeels wel bebouwbaar, want de meeste stukken hebben een helling van minder dan 40°. Het ontwerp-ontwikkelingsplan Dawn Beach is niet formeel vastgesteld. Er geldt dus helemaal geen ontwikkelingsplan met bestemmingsvoorschriften voor dit gebied. Tot slot lopen er geen ‘gutters’ door perceel 161/2010, zodat de afwatering niet in gevaar komt.

2.12.

Het Gerecht overweegt als volgt. Ten aanzien van het perceel 122/2011 waarop [X] aanspraak maakt, lijkt de benodigde ontwikkeling in de zin van aanleg van een weg en nutsvoorzieningen zeer beperkt. Verder lijkt het hellingspercentage op dat perceel, afgaande op de ‘Slope map’ in de notitie van het Ministerie van VROMI, niet aan bebouwing in de weg te staan. Tot slot is vooralsnog niet gebleken van het bestaan van een geldend ontwikkelingsplan dat aan een vorm van ontwikkeling op het perceel in de weg staat. Er is in ieder geval geen reden om op voorhand toewijzing van het perceel aan [X] te weigeren. Geen van de overige belanghebbenden heeft zich daar ook tegen verzet. Wel zal [X] als hij wil gaan bouwen, de gebruikelijke vergunningen en toestemmingen moeten verkrijgen.

2.13.

De wettelijke regeling voor langdurig onverdeeld gebleven nalatenschappen is bedoeld om de onverdeeldheid volledig op te lossen. Het is niet de bedoeling dat een nieuwe onverdeeldheid ontstaat of dat slechts een deel van de onverdeeldheid wordt opgelost. Ten einde tot volledige afwikkeling van de gemeenschap te komen, zal daarom ook moeten worden beslist over de rest van het perceel alvorens de eindbeschikking zal worden gewezen.

2.14.

De belanghebbenden 3-7 ligt maken geen aanspraak op een specifiek deel van het perceel 161/2010, maar wensen een niet nader omschreven deel toegewezen te krijgen. Gelet op r.o. 2.8 kan het slechts om kleine stukjes gaan van rond de 77m2 , waardoor bebouwing alleen al door de omvang niet mogelijk lijkt te zijn op grond van de Hillside Policy. Een perceel dient namelijk minimaal 400 m2 te zijn om te mogen bebouwen. Zelfs als zij hun aanspraken samenvoegen, komt men niet boven die minimumoppervlakte uit. Wel heeft belanghebbende 3 andere opties genoemd om de grond te benutten, zoals een observatieplatform, wandelpaden, picknickplekken, een klimwand of sculpturen. Het Land en de Minister van VROMI hebben zich daar nog niet over uitgelaten.

2.15.

Het Land en de Minister van VROMI zullen in de gelegenheid worden gesteld zich bij akte uit te laten over de door de belanghebbende voorgestelde ontwikkelingsmogelijkheden.

2.16.

Iedere verdere beslissing, ook die over kosten, wordt aangehouden.

Beslissing

3
De beslissing

Het Gerecht:

3.1.

draagt de griffier op het Land andermaal op te roepen om in de procedure te verschijnen en zich uit te laten over het bepaalde in rechtsoverweging 2.14 op de EJ-rol van maandag 3 maart 2025 om 9.00 uur;

3.2.

stelt de Minister van VROMI in de gelegenheid zich uit te laten over het bepaalde in rechtsoverweging 2.14 op de EJ-rol van maandag 3 maart 2025 om 9.00 uur;

3.3.

wijst partijen erop dat het Gerecht vervolgens zal beslissen over de voortgang;

3.4.

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. Drenth, rechter bij dit Gerecht, en in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2025.

Hoger beroep tegen deze beschikking kan worden ingesteld door iedere belanghebbende binnen zes weken na de dag van de uitspraak.