Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten, eerste aanleg - enkelvoudig civiel recht overig

ECLI:NL:OGEAM:2026:76

Op 26 May 2026 heeft de Gerecht in eerste aanleg van Sint Maarten een eerste aanleg - enkelvoudig procedure behandeld op het gebied van civiel recht overig, wat onderdeel is van het civiel recht. Het zaaknummer is SXM202500703, bekend onder identificatienummer ECLI:NL:OGEAM:2026:76.

Soort procedure:
Zaaknummer(s):
SXM202500703
Datum uitspraak:
26 May 2026
Datum publicatie:
24 June 2026

Indicatie

Geschil over door het land Sint Maarten jarenlang gehuurde auto’s. Het land veroordeeld tot betaling.

Uitspraak

GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN SINT MAARTEN

Zaaknummer: SXM202500703

Vonnisdatum: 26 mei 2026

in de zaak van

de naamloze vennootschap XPRESS CAR RENTAL N.V.,

gevestigd in Sint Maarten,

eiseres,

gemachtigde: mr. R.E. Duncan,

tegen

de openbare rechtspersoon HET LAND SINT MAARTEN,

zetelend in Sint Maarten,

gedaagde,

gemachtigde: mr. R.F. Gibson jr. en mr. D.I. Schram.

Partijen zullen hierna Xpress en het Land worden genoemd.

Procesverloop

1
Het procesverloop
1.1.

Het procesverloop blijkt uit:

het inleidend verzoekschrift, op 23 juni 2025 ter griffie ingediend;

de conclusie van antwoord van 18 november 2025;

de akte uitlating producties aan de zijde van Xpress van 16 december 2025.

1.2.

De mondelinge behandeling heeft op 1 april 2025 plaatsgevonden in aanwezigheid van partijen en hun gemachtigden. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling hebben partijen hun wederzijdse standpunten (nader) uiteengezet, mr. Schram aan de hand van door haar overgelegde pleitaantekeningen.

1.3.

Vonnis is bepaald op vandaag.

2
De feiten
2.1.

Xpress is sinds 2007 een vennootschap, gespecialiseerd in het verhuren van auto's. Zij verhuurt al meer dan vijftien jaar auto’s aan het Land.

2.2.

De door Xpress opgestelde rekeningen over de periode oktober 2022 tot augustus 2024 zijn niet door het Land betaald. Het Land betaalde daarvoor wel steeds de gepresenteerde rekeningen met enige regelmaat en in deelbetalingen, maar heeft in september 2024 aan Xpress om een nadere onderbouwing van de rekeningen verzocht.

3
Het geschil
3.1.

Xpress vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

het Land te veroordelen om aan Xpress te betalen een bedrag van USD 207.674,45, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 april 2025 tot de dag van algehele betaling;

het Land te veroordelen om aan eiseres te betalen de buitengerechtelijke incassokosten van Cg 10.000,-, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag vanaf de dag van aanmaning;

het Land te veroordelen in de kosten van dit geding, te vermeerderen met nakosten en te vermeerderen met de wettelijke rente na veertien dagen.

3.2.

Xpress legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Xpress heeft jarenlang auto’s verhuurd aan het Land. Daarvoor zijn ook telkens facturen gestuurd. Xpress heeft het Land bij schrijven van 31 maart 2025 aangemaand tot betaling van het openstaande bedrag van USD 207.674,45 rente en kosten daarin inbegrepen, terwijl over bedoeld bedrag de wettelijke rente is aangezegd per 7 april 2025 tot aan de dag van algehele voldoening. Het Land blijft echter in verzuim. Vanwege het niet nakomen van de overeenkomst, alsmede het uitblijven van betaling, was Xpress genoodzaakt om de zaak uit handen te geven aan het incasso kantoor D&B Management and Collections Services NV om het openstaande bedrag te incasseren. De daarvoor verschuldigde kosten bedragen USD 10.000,-.

3.3.

Het Land erkent de vordering tot een bedrag van USD 62.557,-, maar heeft dat bedrag al aan Xpress betaald. Voor het overige is de vordering onduidelijk; één factuur staat niet vermeld op het overzicht van Xpress, één factuur wordt onjuist vermeld op het totaal-overzicht en op vijf facturen ontbreekt een ontvangststempel. Het Land ontkent de in rekening gebrachte auto’s gehuurd te hebben en schriftelijk bewijs daarvan ontbreekt. Uit het feit dat er facturen zijn gestuurd, kan geen huurovereenkomst worden afgeleid.

3.4.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

Overwegingen

4
De beoordeling
4.1.

De grondslag van de vordering van Xpress is een langdurige overeenkomst, waarbij zij telkens auto’s heeft verhuurd aan het Land. Ter onderbouwing van haar vordering heeft Xpress 120 facturen in de periode oktober 2022 tot en met augustus 2024 in het geding gebracht. Het Land voert aan dat er geen schriftelijke huurovereenkomst, bestelbon, werkorder of schriftelijke bevestiging door Xpress is overgelegd. Dat is juist. Verder stelt het Land terecht dat het enkel overleggen van facturen nog geen bewijs oplevert van een bestaande huurovereenkomst.

4.2.

Xpress heeft ter zitting bevestigd dat er nooit een schriftelijke vastlegging heeft plaatsgevonden. De gebruikelijke gang van zaken was dat een medewerker van een bepaalde afdeling van een van de departementen telefonisch een auto bestelde bij Xpress, waarna de auto werd afgeleverd en enige tijd gebruikt. Na inlevering van de auto maakte Xpress de factuur op, die dan werd verzonden naar de afdeling Facility Services van het Land, aldus Xpress.Omstandigheden van het geval

4.3.

De omstandigheden van dit geval zijn de volgende.

4.3.1.

De relatie tussen partijen bestond vóór 2022 al vele jaren, waarin de gang van zaken kennelijk zo was, als Xpress ter zitting heeft beschreven. Jarenlang heeft het Land hiervan geen probleem gemaakt en de toegezonden facturen betaald.

4.3.2.

De in het geding gebrachte facturen zijn bijna allemaal gestempeld voor ontvangst door de afdeling Facility Services. Deze afdeling heeft daarover nooit vragen aan Xpress gesteld.

4.3.3.

Xpress heeft van een aantal facturen wel “Work Orders” van het Land overgelegd.

4.3.4.

Van alle over 2024 in het geding gebrachte facturen erkent het Land de verschuldigdheid, terwijl ook hier opdrachtbevestigingen of dergelijke ontbreken. In zijn conclusie van antwoord betwist het Land ten aanzien van de facturen over 2022 en 2023 niet dat er auto’s zijn gehuurd, maar voert zij aan dat er “serieuze vragen bestaan over de hoogte van de bedragen”.

4.3.5.

Pas bij brief van 24 september 2024 heeft de afdeling Facility Services aan Xpress om een nadere specificatie van de gehuurde auto’s verzocht.

4.4.

Deze omstandigheden leiden het Gerecht tot het oordeel dat er tussen Xpress en het Land wel telkens huurovereenkomsten tot stand zijn gekomen. Door niet binnen bekwame tijd te protesteren tegen de ontvangen facturen, mocht Xpress ervan uitgaan dat zij geen verdere specificaties hoefde te geven. Het gaat niet aan dat het Land dat na meer dan een jaar nog van Xpress verlangt. In zoverre is de vordering daarom toewijsbaar.

4.5.

Het onder 4.4. gegeven oordeel geldt niet voor de facturen die niet voor ontvangst zijn getekend. Daarvan had nu juist Xpress eerder aan de bel moeten trekken. Dat zijn de facturen 9 (van 2022) en 8, 113, 114, 115 en 116 (van 2023). Het totaalbedrag van die facturen is volgens het door Xpress overgelegde overzicht USD 9.691,-. Dat bedrag is niet toewijsbaar.

4.6.

Ten slotte heeft het Land in de conclusie van antwoord aangevoerd dat factuur 123 uit 2023 wel op het overzicht van het totaal verschuldigde voorkomt, maar dat deze factuur niet is overgelegd. Xpress is daar bij de mondelinge behandeling niet verder op ingegaan, zodat ook het gevorderde bedrag van USD 2.730,- niet toewijsbaar is.Slotsom

4.7.

Het Land heeft gelijk, waar het stelt dat het in het verzoekschrift gevorderde bedrag afwijkt van het overzicht van Xpress. Het Gerecht moet uitgaan van het gevorderde bedrag van USD 207.674,45. Daarvan is niet toewijsbaar USD 9.691,- (zie 4.5.) en USD 2.730,- (zie 4.6.) In totaal dient het Land nog te vergoeden een bedrag van USD 195.253,45.

4.8.

Het Land stelde in de conclusie van antwoord dat het over 2024 al een bedrag van Cg 116.055,- (USD 62.557) aan Xpress heeft betaald. Xpress betwist dat en het Land heeft deze betaling ter zitting niet kunnen onderbouwen. De vordering zal daarom worden toegewezen tot het hiervoor vermelde bedrag van USD 195.253,45. Als het Land alsnog kan onderbouwen dat het door haar vermelde bedrag al is voldaan, strekt dat bedrag uiteraard in mindering op het verschuldigde.Mandaatregister

4.9.

Het verweer dat de opdracht gevende ambtenaren geen mandaat hadden voor de gegeven opdrachten verwerpt het Gerecht. Gelet op de hoogte van de afzonderlijke facturen hoefden de huurovereenkomsten niet eerst aan de minister of de ministerraad te worden voorgelegd.Buitengerechtelijke kosten

4.10.

De vordering voor de gemaakte buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. Allereerst, omdat er door de gemachtigde slechts één aanmaningsbrief is gestuurd, die moet worden geacht de inleiding te zijn van de onderhavige procedure. Daarnaast, omdat in die aanmaningsbrief een bedrag van USD 31.151,17 aan buitengerechtelijke kosten wordt gevorderd, terwijl de gemachtigde weet dat zijn client volgens het Procesreglement bij toewijzing van deze kosten recht zou hebben op USD 4.500,-.Proceskosten

4.11.

Het Land zal als de (grotendeels) in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. Deze kosten worden aan de zijde van Xpress tot op heden begroot op:

explootkosten Cg 249,50

zegelkosten Cg 10,00

griffierecht Cg 3.740,00

salaris gemachtigde Cg 6.000,00 + (2,0 punten x Cg 3.000)

totaal: Cg 9.999,50.

Beslissing

5
De beslissing

Het Gerecht:

5.1.

veroordeelt het Land tot betaling aan Xpress van een bedrag van USD 195.253,45, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 7 april 2025 tot aan de dag van algehele voldoening;

5.2.

veroordeelt het Land tot betaling aan Xpress van de proceskosten, aan de zijde van Xpress tot op heden begroot op Cg 9.999,50, te vermeerderen met de nakosten van Cg 250,- zonder betekening en Cg 400,- na betekening van dit vonnis, en bij niet betaling te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 9 juni tot aan de dag van algehele voldoening;

5.3.

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

5.4.

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door

mr. A.S. Veldhuizen, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 26 mei 2026.