2
2. de openbare vennootschap BZSE ATTORNEYS AT LAW/ TAX LAWYERS,
gevestigd in Sint Maarten,
gedaagde,
gemachtigde: mr. P.P. Soons.
Partijen zullen hierna [eiser], de bank en BZSE worden genoemd.
2.1. [
eiser] is in gemeenschap van goederen gehuwd met [naam echtgenote]. [naam echtgenote] had via haar naamloze vennootschap Exclusive Vacation Travel N.V. (EVT) een overeenkomst met de Bank of Nova Scotia, de rechtsvoorgangster van de bank.
2.2.
Bij vonnis van dit Gerecht van d.d. 21 april 2015 zijn EVT en [naam echtgenote] hoofdelijk veroordeeld tot betaling aan de bank van een bedrag van USD 84.997,36, vermeerderd met 7% rente vanaf 1 november 2014, USD 1.500 aan buitengerechtelijke incassokosten en Naf. 7.447,50 aan proceskosten.
2.3. [
eiser] is bij datzelfde vonnis veroordeeld tot betaling van een bedrag van USD 20.000, te vermeerderen met 7% rente vanaf 1 november 2014, USD 1.500 aan buitengerechtelijke incassokosten en Naf. 7.447,50 aan proceskosten.
2.4.
De bank heeft op 15 juni 2015 bij deurwaardersexploot executoriaal derdenbeslag gelegd onder de werkgever van [eiser] op zijn salaris. Uit het beslagexploot blijkt dat dit loonbeslag werd gelegd, uitsluitend voor de bedragen waartoe [eiser] was veroordeeld, zoals onder 2.3. vermeld.
2.5.
Sinds de beslaglegging heeft de werkgever van [eiser] maandelijks een bedrag van Cg. 1.148,20 op het salaris van [eiser] ingehouden en afgedragen aan BZSE door storting op de derdenrekening van BZSE.
3.1. [
eiser] vordert om bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
de bank te bevelen om binnen 24 uur na betekening van het in deze te wijzen vonnis het op 15 juni 2015 onder de werkgever van [eiser] gelegde loonbeslag onvoorwaardelijk op te heffen, althans de opheffing daarvan schriftelijk aan de werkgever te bevestigen, op straffe van een aan [eiser] te verbeuren dwangsom van USD 500 (althans een door het Gerecht in goede justitie te bepalen bedrag) voor iedere dag of gedeelte daarvan dat de bank hiermee in gebreke blijft;
met bevel dat gedaagden (de bank en BZSE) hoofdelijk onmiddellijk het onrechtmatig te veel ingehouden bedrag ad Cg 111.410,72 onverkort aan [eiser] restitueren, zijnde het totaal van Cg 151.562,40 minus de werkelijke schuld inclusief rente en kosten, zulks vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der respectievelijke onverschuldigde inhoudingen tot aan de dag der algehele voldoening;
de bank en BZSE te veroordelen in de kosten van deze procedure, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf de vijftiende dag na het in deze te wijzen, voor zover deze kosten niet binnen de gestelde termijn zullen zijn betaald.
3.2. [
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij al geruime tijd heeft voldaan aan het door hem verschuldigde. Het loonbeslag wordt door de bank ten onrechte gehandhaafd. De bank en BZSE moeten het teveel ingehouden bedrag aan [eiser] terugbetalen.
3.3.
BZSE voert tot haar verweer dat zij geen partij is bij het beslag en de afwikkeling daarvan. De bank voert als verweer dat zij ook voor de vordering van [naam echtgenote] verhaal kan nemen op het loon van [eiser].
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
Overwegingen
Spoedeisend belang
4.1.
Het spoedeisend belang volgt uit de aard van de vordering: opheffing van een beslag.De wijze van beslaglegging en de afhandeling ervan
4.2.
Het loonbeslag is in 2015 door de deurwaarder gelegd op grond van het tegen [eiser] gewezen vonnis. Anders dan de wet in artikel 478 Rv voorschrijft, heeft de werkgever de op het loon ingehouden bedragen niet aan de deurwaarder afgedragen, maar aan de gemachtigde advocaat van de bank. Kennelijk is daar destijds opdracht toe gegeven, maar dat bleef ter zitting onduidelijk. Van het wettelijk voorschrift om aan de deurwaarder af te dragen mag worden afgeweken, indien alle bij het beslag betrokkenen daarmee instemmen, dus ook de geëxecuteerde, in dit geval [eiser]. Dat laatste is in deze zaak niet het geval. De deurwaarder en de gemachtigde en mogelijk ook de werkgever hebben hiermee dus onjuist gehandeld.De positie van BZSE
4.3.
Aangezien een maatschap geen rechtspersoonlijkheid heeft, dienen vorderingen in beginsel te worden ingesteld tegen de gezamenlijke (rechts)personen die ten tijde van de dagvaarding maat zijn. (Voetnoot 1) In de oproeping kan echter worden volstaan met vermelding van de naam van de maatschap indien de gezamenlijke maten onder die naam op voor derden duidelijk kenbare wijze aan het rechtsverkeer deelnemen. (Voetnoot 2) Dat is hier het geval en het is het Gerecht ambtshalve bekend dat BZSE zelf ook in andere zaken als eisende partij als maatschap optreedt, zonder vermelding van de afzonderlijke maten.Hoewel mr. Soons zowel in de procedure die tot het vonnis van 2015 heeft geleid, als in de verdere procedure na beslaglegging als gemachtigde voor de bank is opgetreden, kan [eiser] toch de gezamenlijke maten van de maatschap aanspreken. De betalingen door de werkgever zijn immers niet aan mr. Soons gedaan, maar aan BZSE. Dat BZSE hiertoe een derdenrekening aanhoudt, maakt niet dat BZSE zich daarmee van haar aansprakelijkheid voor gemaakte fouten kan bevrijden.Blijkbaar is het zowel de gemachtigde als de werkgever ontgaan dat het bedrag waarvoor het beslag was gelegd, al lang was bereikt.
4.4.
Iets anders is, dat BZSE heeft gesteld dat zij slechts heeft gefunctioneerd als “doorgeefluik” en dat zij alle bedragen 1 op 1 aan de bank heeft doorbetaald. Of dat zo is en of BZSE voor dat alles aan [eiser] niets in rekening heeft gebracht, kan het Gerecht uit het door BZSE overgelegde overzicht niet met zekerheid afleiden. Indien de stelling van BZSE juist is, hoeft zij [eiser] uiteraard niets terug te betalen.Het gelegde loonbeslag
4.5.
De bank heeft verklaard dat zij bij de executie van het vonnis een fout heeft gemaakt. Zij had het loonbeslag niet alleen moeten leggen voor de schuld van [eiser], maar ook voor de schuld van [naam echtgenote]. En daarna het loonbeslag niet alleen aan [eiser], maar ook aan [naam echtgenote] moeten betekenen. Dat is naar het oordeel van het Gerecht juist. (Voetnoot 3)Anders dan de bank bepleit, is dit echter geen vormverzuim, maar een verkeerde aanpak van de zaak. Het beslag op zichzelf is immers geldig, alleen de bank bereikte niet het doel, dat zij had willen bereiken. Voor een herstel van vormverzuimen zoals in artikel 438 Rv bedoeld en door de bank is verzocht, is daarom geen ruimte.
4.6.
Uit de eigen stellingen van de bank en het door BZSE geproduceerde overzicht volgt dat BZSE voor de bank tot en met 2 juni 2026 een bedrag van in ieder geval USD 81.267,23 heeft geïncasseerd (het ook nog vermelde bedrag van USD 2.551,88 kan het Gerecht niet direct thuisbrengen). Ook zonder een exacte berekening te maken is dat dus aanzienlijk meer dan het bedrag waarvoor [eiser] jegens de bank persoonlijk aansprakelijk was op grond van het vonnis van 21 april 2015. En het is op dezelfde wijze aanzienlijk meer dan het bedrag waarvoor het loonbeslag was gelegd, afgerond USD 25.000.De vordering tot opheffing van het beslag is daarom in beginsel toewijsbaar.De schuld van [naam echtgenote]
4.7.
De bank doet ook een beroep op verrekening. Voor zover de bank in verband met terugbetaling iets aan [eiser] verschuldigd is, stelt de bank dat zij dat bedrag met haar vordering op [naam echtgenote] kan verrekenen. Het Gerecht verwerpt dat standpunt. Verrekening op grond van de wet kan alleen plaatsvinden indien het gaat om dezelfde wederpartij. Het feit dat de bank zich voor voldoening van de schuld van [naam echtgenote] op het vermogen van [eiser] kan verhalen, maakt nog niet dat hij daarmee dezelfde “partij” wordt als [naam echtgenote].
4.8. [
[eiser] en [naam echtgenote] moeten zich echter wel realiseren dat wanneer de bank aan [eiser] een bedrag terugbetaalt, de schuld van [naam echtgenote] aan de bank met datzelfde bedrag wordt vermeerderd. Per saldo schieten [eiser] en [naam echtgenote] daarmee wat de schuld betreft dus niets op.
4.9.
De bank heeft in de conclusie van antwoord bovendien aangekondigd dat zij beslag onder zichzelf zal leggen, indien het Gerecht de bank veroordeelt tot betaling aan [eiser]. Zo een eigenbeslag heeft als grondslag dat de vordering van [eiser] tot terugbetaling in de gemeenschap van goederen van [eiser] en [naam echtgenote] valt. Hoewel het gaat om een schuld van [naam echtgenote], kan ook deze vordering van [eiser] worden uitgewonnen ter aflossing van die schuld. (Voetnoot 4)Herberekening van de schulden
4.10.
Ter zitting heeft de gemachtigde van de bank toegezegd het totaal-verschuldigde in deze zaak te zullen herberekenen, vanuit het wettelijk uitgangspunt dat de aflossingen door de werkgever van [eiser] alsnog telkens op de voor [eiser] meest bezwarende schuld zullen worden afgeboekt. Dat zal leiden tot een gunstiger resultaat voor [eiser] en [naam echtgenote] van de schuld de er op dit moment nog is. Bovendien heeft BZSE geconstateerd dat drie betalingen nog niet door de bank zijn verwerkt. Dat zal alsnog gebeuren.Daarbij heeft het Gerecht gesuggereerd dat de bank mogelijk een positief gebaar naar [eiser] zou kunnen maken, door een deel van de te ontvangen rente kwijt te schelden.Slotsom, verwijzing naar bodemprocedure
4.11.
Al het voorgaande afwegende, zal het Gerecht ingaan op het verzoek van de bank om de zaak naar een bodemprocedure te verwijzen. De bank dient daarin een akte te nemen, waarin zij alle afdrachten van de werkgever heeft verwerkt op de volgens de wet aangeduide wijze. Aan de hand daarvan kunnen [eiser] en [naam echtgenote], bijgestaan door hun juridisch adviseur, overwegen wat voor hen de gunstigste wijze van voortzetting van de procedure zal zijn. Na de akte van de bank zal daarom opnieuw een comparitie van partijen worden bepaald.5. De beslissing
rechtdoende in kort geding:
5.1.
verwijst de zaak naar de bodemprocedure; rechtdoende in de bodemzaak:
5.2.
bepaalt dat de zaak weer op de rol voor AR-zaken zal komen van dinsdag 18 augustus 2026, waarin de bank en BZSE een akte zullen nemen met een herberekening van de op dit moment bestaande schuld van [eiser] en [naam echtgenote];
5.3.
bepaalt dat [eiser] daarna op een daartoe te bepalen datum een antwoord-akte kan nemen;
5.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. L.J. Saarloos, rechter, bijgestaan door de griffier, en bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026.